Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 2 juli 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2024;
- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep met wijziging van eis en producties 1 tot en met 9;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de nagekomen zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 12 december 2023;
- de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd;
- de op voorhand bij H12-formulier van 27 augustus 2025 door mr. Smeekes namens [geïntimeerde] toegezonden producties 10 tot en met 15, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht.
De beoordeling
[appellant] heeft maandag een punt gezet achter onze relatie dan weet je dat”.
“
(…)
in conventie:
- de door [appellant] gevorderde verklaringen voor recht onder I. tot en met III. (met betrekking tot de asbus met as en bijbehorende documentatie) afgewezen;
- [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij op de dag van overlijden van [persoon A] nog steeds zijn partner was en/of dat [persoon A] bedoeld heeft [appellant] te benoemen tot zijn erfgenaam en executeur van zijn nalatenschap, ongeacht de status van de relatie tussen hen, en
- iedere verdere beslissing aangehouden,
- voor recht verklaard dat de asbus met as en bijbehorende documentatie van [persoon A] dient te worden afgegeven aan [geïntimeerde] en [appellant] veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat de bewaarder de asbus aan [geïntimeerde] afgeeft;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
- toewijzing (alsnog) van haar vordering onder I. (de verklaring voor recht dat [appellant] geen erfgenaam is);
- bekrachtiging van het vonnis voor zover het haar vordering onder II betreft (met betrekking tot de asbus met as);
- toewijzing (alsnog) van haar vordering onder III., te weten een verklaring voor recht dat [appellant] alle goederen en roerende zaken zoals bedoeld in het legaat van het testament van [persoon A] , waaronder het legaat sub 1. en sub 2., moet afgeven aan [geïntimeerde] , waarbij het legaat sub 1. op € 50.000,00 wordt gesteld en het legaat sub 2. op € 20.000,00;
- onder wijziging van haar vordering onder IV. in eerste aanleg, [appellant] te veroordelen, voor zover hij erfgenaam zou zijn (a) het legaat sub 1. aan [geïntimeerde] na te komen met vaststelling van de geldvordering uit hoofde van het legaat op € 50.000,00 (b) het legaat sub 2. aan [geïntimeerde] na te komen met vaststelling van de geldvordering uit hoofde van het legaat op € 20.000,00 en (c) [appellant] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 33.435,52 te vermeerderen met de wettelijke rente, onder vernietiging van het bestreden vonnis waar het de vaststelling van de vordering van [geïntimeerde] betreft;
- toewijzing (alsnog) van haar vordering onder V. (de proceskosten in reconventie met wettelijke rente);
- veroordeling van [appellant] in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.
“(…) ik wil hem[ [appellant] , toevoeging hof]
niet kwijt ik hou zoveel van die jongen Dat is eigenlijk wat ik echt wil maar wil hem niet forceren.”Voor hem was de relatie niet beëindigd en hij zag nog steeds een toekomst voor zich met [appellant] .
.De woorden van het testament wijzen in een andere richting.
Met haar vordering onder III. wenst zij een verklaring voor recht te krijgen dat [appellant] de legaten sub 1. en 2. moet afgeven aan [geïntimeerde] . Dit ziet dus op afgifte.
De vordering tot vaststelling van de hoogte van de geldvordering uit hoofde van het legaat en de vordering tot veroordeling van [appellant] (in privé dan wel als vereffenaar) te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 50.000,00 zijn niet toewijsbaar. Een ander oordeel zou bovendien in strijd komen met het systeem van de wet, voor wat betreft het verhaalsrecht van schuldeisers tijdens de vereffening, neergelegd in artikel 4:223 lid 1 BW Pro.
- i) de hoogte van de openstaande schuld van € 20.000,00 (het legaat sub 2.) en in dat verband de vraag of deze schuld al is verdisconteerd in de geleende bedragen;
- ii) de vraag of de door [geïntimeerde] overgemaakte bedragen van € 26.735,00, € 2.500,00 en € 9.460,67 betrekking hebben op een lening,
- iii) of de hiervoor in r.o. 6.9.11 genoemde bedragen leningen zijn.
- een Whatsapp-bericht van [geïntimeerde] op 27 juli 2019 waarin zij schrijft:
- een Whatsapp-bericht van 19 juni 2019, waarin [geïntimeerde] schrijft:
- een Whatsapp-bericht van onbekende datum waarin [appellant] schrijft:
- een bedrag van € 150,00 overgemaakt op 16 april 2020 met omschrijving ‘shag’;
- een bedrag € 2.310,67 overgemaakt op 27 april 2020 inzake kosten van de hiervoor al genoemde gerechtelijke procedure met omschrijving ‘restant bedrag zaak [geïntimeerde] /Ambiance’;
- een bedrag van € 7.000,00 overgemaakt op 21 oktober 2020.
Het hof is van oordeel dat het bedrag van € 2.310,67 als een lening moet worden beschouwd. Het hof verwijst naar hetgeen het hof hiervoor bij de overboeking van het depotbedrag van € 26.735,00 heeft overwogen.
[persoon A] vraagt of ik jou app”
Hij wilt geld lenen maar durft het niet te vragen en daarom stuurt hij jouw blijkbaar dat je mij moet appen (…)
Om hoeveel gaat het?””
Rond de €7000”
Met betrekking tot de kosten in verband met de gerechtelijke procedure en andere advocaatkosten (de posten genoemd onder c), e), f) en g) van in totaal € 775,40 (namelijk: € 143 + € 143,00 + € 290,40 + 199,00) gaat het hof er wel vanuit dat dit geleende bedragen betrof, om dezelfde redenen als hiervoor overwogen met betrekking tot het bedrag van € 26.576,00.
De gemaakte uitvaartkosten (i) van € 1.081,30, evenals de bloemen voor de uitvaart (j) van € 275,00 (in totaal € 1.356,30) zien niet op een lening maar zien op kosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder Pro b). [appellant] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] deze kosten heeft gemaakt en ook overigens niet dat dit schulden zijn als bedoeld in dit artikellid.
[persoon A] heeft € 20.576,00 afgelost, waarvan € 20.000,00 is toegerekend aan het legaat. Er resteert dus nog € 576,00, dat in mindering strekt op het bedrag van € 52.051,07. Dit betekent dat de openstaande schuld op de nalatenschap € 51.475,07 bedraagt (namelijk: € 52.051,07 -/- € 576,00).
- bepalen dat [appellant] recht heeft op afgifte van de asbus, de as (inclusief bijbehorende documentatie) en mag bepalen wat er met de asbus en de as gebeurt;
- [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] de nader genoemde persoonlijke spullen van [persoon A] af te geven;
- voor recht verklaren dat [geïntimeerde] recht heeft op afgifte van het legaat sub 1., eventueel na vermindering, en het legaat sub 3. (de inboedel) en haar vorderingen ter zake het legaat sub 2. (van € 20.000,00) afwijzen;
- de vordering van [geïntimeerde] op de nalatenschap vaststellen op € 52.831,37, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 33.435,52 vanaf 29 januari 2023;
- de andere vorderingen van partijen afwijzen.