In deze zaak, die voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch werd behandeld, ging het om de vraag of de vervoerder, vertegenwoordigd door de curator in het faillissement van [XX] B.V., de verjaring van zijn vorderingen tijdig en rechtsgeldig had gestuit. De zaak betreft een vordering van [Bedrijf A] op [XX] B.V. ter zake openstaande facturen van € 13.500,-. Het hof had eerder tussenarresten gewezen en moest nu beoordelen of de verjaring van de vorderingen van [Bedrijf A] was gestuit door schriftelijke mededelingen. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van de vorderingen van [Bedrijf A] was verstreken in maart en april 2021, maar dat de verjaring rechtsgeldig was gestuit door een brief van [Bedrijf A] van 28 oktober 2020. Deze brief bevatte een voldoende duidelijke waarschuwing aan [XX] dat zij rekening moest houden met de vorderingen van [Bedrijf A]. Het hof concludeerde dat de curator niet kon volhouden dat de vorderingen waren verjaard, en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter die de vordering van [Bedrijf A] had toegewezen. De curator werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.