ECLI:NL:GHSHE:2025:3435

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.329.677_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van vorderingen in vervoerovereenkomst en stuiting door schriftelijke mededeling

In deze zaak, die voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch werd behandeld, ging het om de vraag of de vervoerder, vertegenwoordigd door de curator in het faillissement van [XX] B.V., de verjaring van zijn vorderingen tijdig en rechtsgeldig had gestuit. De zaak betreft een vordering van [Bedrijf A] op [XX] B.V. ter zake openstaande facturen van € 13.500,-. Het hof had eerder tussenarresten gewezen en moest nu beoordelen of de verjaring van de vorderingen van [Bedrijf A] was gestuit door schriftelijke mededelingen. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van de vorderingen van [Bedrijf A] was verstreken in maart en april 2021, maar dat de verjaring rechtsgeldig was gestuit door een brief van [Bedrijf A] van 28 oktober 2020. Deze brief bevatte een voldoende duidelijke waarschuwing aan [XX] dat zij rekening moest houden met de vorderingen van [Bedrijf A]. Het hof concludeerde dat de curator niet kon volhouden dat de vorderingen waren verjaard, en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter die de vordering van [Bedrijf A] had toegewezen. De curator werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.329.677/01
arrest van 2 december 2025
in de zaak van
[curator A] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [XX] B.V.,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen de curator en [XX] ,
advocaat: mr. P.A.M. Seck te Rotterdam,
tegen
[Bedrijf A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Litouwen,
geïntimeerde,
hierna te noemen [Bedrijf A] ,
advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal te Oss.
Dit arrest is het vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 november 2023, 18 februari 2025 en 13 mei 2025. Deze tussenarresten zijn gewezen in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland - West - Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnissen van 9 november 2022 en 15 februari 2023 (zaaknummer 10000985 CV EXPL 22-2262).

8.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 13 mei 2025, en
  • de antwoordakte van de curator.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Het tussenarrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, K.J.H. Hoofs en T. van der Valk. Vanwege organisatorische redenen is mr. K.J.H. Hoofs vervangen door mr. J.J.M. van Lanen.

9.De verdere beoordeling

De vordering van [Bedrijf A] ter zake openstaande facturen (€ 13.500,-)
9.1.
In het tussenarrest van 13 mei 2025 heeft het hof de curator in de gelegenheid gesteld om te reageren op het beroep van [Bedrijf A] op stuiting van de verjaring van haar vorderingen tot betaling van de openstaande facturen.
In dit tussenarrest heeft het hof reeds geoordeeld dat de verjaringstermijn van de vorderingen van [Bedrijf A] is verstreken in maart en april 2021. De vraag die het hof thans nog moet beantwoorden, is of de verjaring van de vorderingen van [Bedrijf A] tijdig is gestuit.
9.2.
[Bedrijf A] stelt dat zij de verjaring van haar vorderingen tijdig heeft gestuit. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een beroep gedaan op
(i) haar brieven van 28 oktober 2020 en 17 juni 2021 en op haar conclusie van antwoord van 9 september 2021 in de procedure die heeft geleid tot het tussenvonnis van 9 juni 2022 van de rechtbank Oost-Brabant (artikel 3:317 lid 1 BW), en
(ii) de erkenning van haar vordering door [XX] in de kort geding procedure die heeft geleid tot het kort geding vonnis van 29 juni 2020 (artikel 3:318 BW).
De curator betwist dat hiermee de verjaring van de vorderingen [Bedrijf A] is gestuit.
9.3.
Het hof stelt voorop dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis onder meer kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503).
9.4.
Naar het oordeel van het hof heeft [Bedrijf A] met de brief van 28 oktober 2020 de verjaring van haar vorderingen op [XX] rechtsgeldig gestuit. Hiervoor is het volgende redengevend.
De betreffende facturen zijn door [Bedrijf A] in januari en februari 2020 aan [XX] gestuurd. [XX] heeft deze facturen onbetaald gelaten. [Bedrijf A] heeft [XX] op 9 en 16 april 2020 gesommeerd om tot betaling over te gaan. Toen betaling ook daarna uitbleef, heeft [Bedrijf A] [XX] in kort geding gedagvaard en betaling van de openstaande facturen gevorderd. Deze vordering is door de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 29 juni 2020 toegewezen.
De brief van 28 oktober 2020 volgde op het arrest van dit hof van 20 oktober 2020 waarin het hof dit kortgedingvonnis heeft vernietigd vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Uit de brief blijkt dat [XX] [Bedrijf A] vervolgens heeft gesommeerd om het door [XX] op grond van het kortgedingvonnis betaalde bedrag, terug te betalen. In de brief staat dat hiervoor geen titel bestaat, en dat als dat wel het geval is, [Bedrijf A] zich beroept op verrekening met haar vorderingen op [XX] uit hoofde van de openstaande facturen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het beroep op verrekening een voldoende duidelijke waarschuwing aan het adres van [XX] dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, zodat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door [Bedrijf A] ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Uit de aan de brief van 28 oktober 2020 voorafgaande correspondentie en het door [Bedrijf A] gestarte kort geding had [XX] moeten afleiden dat als zij het beroep op verrekening niet zou accepteren, [Bedrijf A] het incasseren van haar vordering op grond van de onbetaalde facturen zou voortzetten. Hieraan doet niet af dat verrekening leidt tot tenietgaan van de vordering.
9.5.
Dit betekent dat op 29 oktober 2020 een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen.
[XX] heeft [Bedrijf A] op 7 mei 2021 gedagvaard en gevorderd dat [Bedrijf A] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat [XX] op grond van het kortgedingvonnis aan haar heeft betaald. In de brief van 17 juni 2021 heeft [Bedrijf A] , naar aanleiding van de aan haar betekende dagvaarding, nogmaals het standpunt ingenomen dat zij een rechtsgeldig beroep op verrekening kan doen en dat er in een bodemprocedure moet worden beslist over haar vorderingen op [XX] . In haar conclusie van antwoord van 9 september 2021 heeft [Bedrijf A] vervolgens opnieuw een beroep gedaan op verrekening met haar vorderingen op [XX] uit hoofde van de openstaande facturen. Het hof is van oordeel dat [Bedrijf A] hiermee - opnieuw - de verjaring van haar vorderingen op [XX] rechtsgeldig heeft gestuit. Dat de door [Bedrijf A] in die procedure ingestelde voorwaardelijke eis in reconventie geen betrekking heeft op de onderhavige vorderingen van [Bedrijf A] uit hoofde van de openstaande facturen, maakt dit niet anders. Voor stuiting op grond van artikel 3:317 lid 1 BW is immers niet vereist dat een procedure wordt gestart (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 936 (https://www.inview.nl/document/idb4950112bc7196a4042be0399d31d051)). Mede gezien hetgeen hiervoor in rov. 9.3. en 9.4. is overwogen en gezien de brief van 17 juni 2021, geldt dat [XX] uit het beroep van [Bedrijf A] op verrekening had moeten afleiden dat als dit beroep niet zou worden gehonoreerd, [Bedrijf A] het incasseren van haar vordering op grond van de onbetaalde facturen zou voortzetten.
9.6.
Hieruit volgt dat op 10 september 2021 een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen. De dagvaarding in de onderhavige procedure is uitgebracht op 11 juli 2022 en dus binnen deze termijn. Het beroep van [Bedrijf A] op stuiting slaagt dus, en het beroep van de curator op verjaring slaagt niet. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [Bedrijf A] op grond van de onbetaalde facturen terecht heeft toegewezen.
De vordering van [Bedrijf A] op [XX] ter zake betaalde borg voor de GPS-systemen (€ 500,-)
9.6.
De curator beroept zich ook ter zake deze vordering op verjaring. Op deze vordering is Nederlands recht van toepassing (zie rov. 6.5.9. van het tussenarrest van 13 mei 2025). Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op de dag dat de vordering opeisbaar is geworden. [Bedrijf A] heeft de GPS-systemen in maart 2020 bij [XX] ingeleverd en bij brief van 16 april 2020 aan [XX] om terugbetaling van de borg verzocht (zie rov. 6.2. van het tussenarrest van 13 mei 2025). Op 11 juli 2022 heeft [Bedrijf A] [XX] gedagvaard. Van verjaring van de vordering is gezien de geldende verjaringstermijn dus geen sprake, terwijl bovendien sprake is van stuiting in de zin van artikel 3:316 en 3:317 BW. Ook deze vordering is door de kantonrechter terecht toegewezen.
De vordering van [Bedrijf A] ter zake buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente
9.7.
Volgens de curator kunnen de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente niet worden toegewezen, omdat de vorderingen van [Bedrijf A] zijn verjaard. Uit het voorgaande volgt echter dat het beroep van de curator op verjaring niet opgaat.
Slotsom
9.8.
In het tussenarrest van 13 mei 2025 heeft het hof reeds geoordeeld dat [XX] geen vordering heeft op [Bedrijf A] uit hoofde van artikel 20 van de charterovereenkomst. De kantonrechter heeft deze vordering dus terecht afgewezen.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vorderingen van [Bedrijf A] terecht heeft toegewezen.
Dit betekent dat de grieven van de curator niet slagen en dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal bekrachtigen. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in het hoger beroep aan de zijde van [Bedrijf A] zullen vastgesteld worden op:
  • Griffierecht € 2.135,-
  • Salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
  • Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.741,-

10.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis,
veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.741,- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de curator € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening,
verklaart het arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, J.J.M. van Lanen en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.
griffier rolraadsheer