AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling stuiting verjaring vorderingen in faillissementsprocedure
In deze civiele procedure staat centraal of de verjaring van de vorderingen van [Bedrijf A] op [XX] tijdig en rechtsgeldig is gestuit. Het hof heeft in eerdere tussenarresten vastgesteld dat de oorspronkelijke verjaringstermijn was verstreken in maart en april 2021. De vraag was of de stuitingshandelingen van [Bedrijf A], waaronder brieven en een conclusie van antwoord, aan de wettelijke vereisten voldeden.
Het hof oordeelt dat de brief van 28 oktober 2020 een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling bevatte waarin [Bedrijf A] haar recht op nakoming voorbehoudt en duidelijk waarschuwt dat [XX] rekening moet houden met mogelijke incasso, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn. Deze brief volgde op een vernietigd kort gedingvonnis en een sommatie tot betaling, wat de context versterkt.
Verder heeft [Bedrijf A] met een brief van 17 juni 2021 en een conclusie van antwoord van 9 september 2021 opnieuw de verjaring gestuit door een beroep op verrekening te doen, waarbij het hof oordeelt dat ook deze handelingen voldoen aan de eisen van artikel 3:317 lid 1 BWPro. De dagvaarding van 11 juli 2022 viel binnen de nieuwe verjaringstermijn, zodat de vorderingen niet zijn verjaard.
Ook de vordering tot terugbetaling van borg voor GPS-systemen is niet verjaard, gezien de vijfjarige verjaringstermijn en stuiting. De buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente kunnen eveneens worden toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van [Bedrijf A] toe omdat de verjaring rechtsgeldig is gestuit.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.329.677/01
arrest van 2 december 2025
in de zaak van
[curator A] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [XX] B.V.,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen de curator en [XX] ,
advocaat: mr. P.A.M. Seck te Rotterdam,
tegen
[Bedrijf A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Litouwen,
geïntimeerde,
hierna te noemen [Bedrijf A] ,
advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal te Oss.
Dit arrest is het vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 november 2023, 18 februari 2025 en 13 mei 2025. Deze tussenarresten zijn gewezen in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland - West - Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnissen van 9 november 2022 en 15 februari 2023 (zaaknummer 10000985 CV EXPL 22-2262).
8.Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 13 mei 2025, en
de antwoordakte van de curator.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Het tussenarrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, K.J.H. Hoofs en T. van der Valk. Vanwege organisatorische redenen is mr. K.J.H. Hoofs vervangen door mr. J.J.M. van Lanen.
9.De verdere beoordeling
De vordering van [Bedrijf A] ter zake openstaande facturen (€ 13.500,-)
9.1.
In het tussenarrest van 13 mei 2025 heeft het hof de curator in de gelegenheid gesteld om te reageren op het beroep van [Bedrijf A] op stuiting van de verjaring van haar vorderingen tot betaling van de openstaande facturen.
In dit tussenarrest heeft het hof reeds geoordeeld dat de verjaringstermijn van de vorderingen van [Bedrijf A] is verstreken in maart en april 2021. De vraag die het hof thans nog moet beantwoorden, is of de verjaring van de vorderingen van [Bedrijf A] tijdig is gestuit.
9.2.
[Bedrijf A] stelt dat zij de verjaring van haar vorderingen tijdig heeft gestuit. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een beroep gedaan op
(i) haar brieven van 28 oktober 2020 en 17 juni 2021 en op haar conclusie van antwoord van 9 september 2021 in de procedure die heeft geleid tot het tussenvonnis van 9 juni 2022 van de rechtbank Oost-Brabant (artikel 3:317 lid 1 BWPro), en
(ii) de erkenning van haar vordering door [XX] in de kort geding procedure die heeft geleid tot het kort geding vonnis van 29 juni 2020 (artikel 3:318 BWPro).
De curator betwist dat hiermee de verjaring van de vorderingen [Bedrijf A] is gestuit.
9.3.
Het hof stelt voorop dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis onder meer kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BWPro). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BWPro gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503).
9.4.
Naar het oordeel van het hof heeft [Bedrijf A] met de brief van 28 oktober 2020 de verjaring van haar vorderingen op [XX] rechtsgeldig gestuit. Hiervoor is het volgende redengevend.
De betreffende facturen zijn door [Bedrijf A] in januari en februari 2020 aan [XX] gestuurd. [XX] heeft deze facturen onbetaald gelaten. [Bedrijf A] heeft [XX] op 9 en 16 april 2020 gesommeerd om tot betaling over te gaan. Toen betaling ook daarna uitbleef, heeft [Bedrijf A] [XX] in kort geding gedagvaard en betaling van de openstaande facturen gevorderd. Deze vordering is door de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 29 juni 2020 toegewezen.
De brief van 28 oktober 2020 volgde op het arrest van dit hof van 20 oktober 2020 waarin het hof dit kortgedingvonnis heeft vernietigd vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Uit de brief blijkt dat [XX] [Bedrijf A] vervolgens heeft gesommeerd om het door [XX] op grond van het kortgedingvonnis betaalde bedrag, terug te betalen. In de brief staat dat hiervoor geen titel bestaat, en dat als dat wel het geval is, [Bedrijf A] zich beroept op verrekening met haar vorderingen op [XX] uit hoofde van de openstaande facturen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het beroep op verrekening een voldoende duidelijke waarschuwing aan het adres van [XX] dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, zodat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door [Bedrijf A] ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Uit de aan de brief van 28 oktober 2020 voorafgaande correspondentie en het door [Bedrijf A] gestarte kort geding had [XX] moeten afleiden dat als zij het beroep op verrekening niet zou accepteren, [Bedrijf A] het incasseren van haar vordering op grond van de onbetaalde facturen zou voortzetten. Hieraan doet niet af dat verrekening leidt tot tenietgaan van de vordering.
9.5.
Dit betekent dat op 29 oktober 2020 een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen.
[XX] heeft [Bedrijf A] op 7 mei 2021 gedagvaard en gevorderd dat [Bedrijf A] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat [XX] op grond van het kortgedingvonnis aan haar heeft betaald. In de brief van 17 juni 2021 heeft [Bedrijf A] , naar aanleiding van de aan haar betekende dagvaarding, nogmaals het standpunt ingenomen dat zij een rechtsgeldig beroep op verrekening kan doen en dat er in een bodemprocedure moet worden beslist over haar vorderingen op [XX] . In haar conclusie van antwoord van 9 september 2021 heeft [Bedrijf A] vervolgens opnieuw een beroep gedaan op verrekening met haar vorderingen op [XX] uit hoofde van de openstaande facturen. Het hof is van oordeel dat [Bedrijf A] hiermee - opnieuw - de verjaring van haar vorderingen op [XX] rechtsgeldig heeft gestuit. Dat de door [Bedrijf A] in die procedure ingestelde voorwaardelijke eis in reconventie geen betrekking heeft op de onderhavige vorderingen van [Bedrijf A] uit hoofde van de openstaande facturen, maakt dit niet anders. Voor stuiting op grond van artikel 3:317 lid 1 BWPro is immers niet vereist dat een procedure wordt gestart (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 936 (https://www.inview.nl/document/idb4950112bc7196a4042be0399d31d051)). Mede gezien hetgeen hiervoor in rov. 9.3. en 9.4. is overwogen en gezien de brief van 17 juni 2021, geldt dat [XX] uit het beroep van [Bedrijf A] op verrekening had moeten afleiden dat als dit beroep niet zou worden gehonoreerd, [Bedrijf A] het incasseren van haar vordering op grond van de onbetaalde facturen zou voortzetten.
9.6.
Hieruit volgt dat op 10 september 2021 een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen. De dagvaarding in de onderhavige procedure is uitgebracht op 11 juli 2022 en dus binnen deze termijn. Het beroep van [Bedrijf A] op stuiting slaagt dus, en het beroep van de curator op verjaring slaagt niet. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [Bedrijf A] op grond van de onbetaalde facturen terecht heeft toegewezen.
De vordering van [Bedrijf A] op [XX] ter zake betaalde borg voor de GPS-systemen (€ 500,-)
9.6.
De curator beroept zich ook ter zake deze vordering op verjaring. Op deze vordering is Nederlands recht van toepassing (zie rov. 6.5.9. van het tussenarrest van 13 mei 2025). Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op de dag dat de vordering opeisbaar is geworden. [Bedrijf A] heeft de GPS-systemen in maart 2020 bij [XX] ingeleverd en bij brief van 16 april 2020 aan [XX] om terugbetaling van de borg verzocht (zie rov. 6.2. van het tussenarrest van 13 mei 2025). Op 11 juli 2022 heeft [Bedrijf A] [XX] gedagvaard. Van verjaring van de vordering is gezien de geldende verjaringstermijn dus geen sprake, terwijl bovendien sprake is van stuiting in de zin van artikel 3:316 enPro 3:317 BW. Ook deze vordering is door de kantonrechter terecht toegewezen.
De vordering van [Bedrijf A] ter zake buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente
9.7.
Volgens de curator kunnen de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente niet worden toegewezen, omdat de vorderingen van [Bedrijf A] zijn verjaard. Uit het voorgaande volgt echter dat het beroep van de curator op verjaring niet opgaat.
Slotsom
9.8.
In het tussenarrest van 13 mei 2025 heeft het hof reeds geoordeeld dat [XX] geen vordering heeft op [Bedrijf A] uit hoofde van artikel 20 vanPro de charterovereenkomst. De kantonrechter heeft deze vordering dus terecht afgewezen.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vorderingen van [Bedrijf A] terecht heeft toegewezen.
Dit betekent dat de grieven van de curator niet slagen en dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal bekrachtigen. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in het hoger beroep aan de zijde van [Bedrijf A] zullen vastgesteld worden op:
Griffierecht € 2.135,-
Salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.741,-
10.De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis,
veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.741,- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de curator € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening,
verklaart het arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, J.J.M. van Lanen en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.