ECLI:NL:GHSHE:2025:3438

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.344.544_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:18 lid 2 BW (oud)Art. 7:23 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vernietiging koopovereenkomst paard wegens non-conformiteit bij consumentenkoop

In deze civiele zaak stond de koop van een paard centraal, waarbij de koper stelde dat het paard non-conform was omdat het binnen zes maanden na levering veterinaire problemen vertoonde die het ongeschikt maakten als dressuurpaard. De verkopers betwistten dit en stelden dat sprake was van professioneel gebruik en mismanagement door de koper.

Het hof oordeelde dat sprake was van een consumentenkoop, waarbij de koper het paard als consument had aangeschaft. Het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro (oud) was van toepassing, waardoor werd vermoed dat de gebreken bij aflevering aanwezig waren, tenzij de verkoper het tegendeel kon bewijzen. De verkopers slaagden hier niet in.

De klachtplicht van de koper was niet geschonden; tijdig was geklaagd over de gebreken. De verkopers hadden onvoldoende onderbouwd dat de gebreken pas na levering waren ontstaan door mismanagement. Het hof bevestigde dat het paard niet aan de overeenkomst voldeed en dat de koopovereenkomst terecht was vernietigd. De verkopers werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vernietiging van de koopovereenkomst wegens non-conformiteit en veroordeelt de verkopers in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.344.544/01
arrest van 2 december 2025
in de zaak van

1.[X V.O.F.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.
[appellant sub 2] ,wonende te [vestigingsplaats] ,
3.
[appellant sub 3] ,wonende te [vestigingsplaats] ,
4.
[X B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
appellant sub 2 hierna te noemen [appellant sub 2] en appellanten tezamen te noemen [appellanten] ,
advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen,
tegen

1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [vestigingsplaats] ,

2.
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
hierna respectievelijk te noemen [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , en tezamen te noemen [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. L.M. Schelstraete te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 juni 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 23 februari 2023 en 11 april 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 1001428/ CV EXPL 22-3439)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het anticipatie-exploot van 5 augustus 2024;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met een productie;
  • de mondelinge behandeling op 2 september 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
  • de bij H3-formulier van 24 augustus 2025 door mr. Wensing toegezonden producties 6 en 7, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft willen brengen, maar waartegen [persoon A] ter zitting bezwaar heeft gemaakt.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

Kern van de zaak
3.1.
[geïntimeerden] heeft een paard gekocht van [appellanten] dat geschikt zou zijn als dressuurpaard. [geïntimeerden] stelt dat het paard non-conform is omdat het paard binnen zes maanden veterinaire problemen (kreupelheid) had waardoor het paard niet bereden kon worden. De kern van het geschil tussen partijen is of sprake is van een consumentenkoop en of de veterinaire problemen van het paard al ten tijde van de levering aanwezig waren en of deze problemen ervoor zorgen dat het paard niet geschikt is als dressuurpaard.
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Appellanten sub 2, 3 en 4 zijn vennoten van appellant sub 1.
b. Voorafgaand aan de koop heeft [geïntimeerden] het paard [naam] (hierna: het paard) op 21 mei 2021 bezichtigd op de locatie van [persoon B] . Op 27 mei 2021 heeft [geïntimeerden] het paard nogmaals bezichtigd. [geïntimeerde sub 1] heeft het paard toen in bijzijn van haar instructrice gereden.
c. Op 4 juni 2021 heeft [geïntimeerden] het paard laten keuren door [dierenarts 1] van Dierenkliniek de Piekenhoef. Het onderzoeksrapport geeft als conclusie “
klinisch in orde”. Onderdeel van de keuring was buigproeven van alle benen bij aanspannen en wegdraven na 1 minuut buigen. Deze buigproeven waren alle negatief (dat betekent dat het paard goed loopt; een positieve buigproef wijst op problemen). Bij de keuring zijn geen röntgenfoto’s van het paard gemaakt.
d. Op 9 juni 2021 heeft [X B.V.] het paard verkocht voor een koopsom van € 28.465,00. [geïntimeerden] heeft het paard op dezelfde dag opgehaald bij [persoon B] , waar het paard in training stond sinds september 2020. Het paard is verkocht als een gezond paard, geschikt voor gebruik als dressuurpaard.
e. In juli 2021 heeft [geïntimeerden] gemerkt dat het paard onregelmatig liep en heeft zij [appellanten] daarover geïnformeerd. Op 16 juli 2021 heeft [appellant sub 2] een dressuurles van [geïntimeerde sub 1] met het paard bijgewoond. Het paard bleek toen niet helemaal zuiver te lopen.
f. Op 22 juli 2021 heeft [dierenarts 2] van Dierenartsenpraktijk Bodegraven het paard onderzocht. Het paard had toen problemen met het rechterachterbeen. Het attest van het klinisch onderzoek vermeldt onder meer het volgende:
“Klinisch onderzoek:Palpatie: RA HS+-Rechte lijn: RA minder
Harde volte: linksom RA minder, rechtsom radZachte volte: linksom RA minder, rechtsom RA minder
Buigproeven:LV dist – prox -; RV dist – prox -; LA dist – prox -; RA dist + prox +
Voorrijden: zwaar in de hand , RA buiten de massa, RA minder, vnl bij het op het verkeerde been lichtdraven.
Anesthesie:
RA TMT; voorrijden rad
Plan: volgende week RA TMT behandelen
Aangepast bewegingsregime
Gaat voortaan ook galoptraining toepassen om het paard sterker te krijgen”
g. Op 2 augustus 2021 heeft [dierenarts 2] een tweede klinisch onderzoek met echografisch onderzoek verricht. Het paard had toen problemen met de tussenpees rechtsachter. Het attest van het onderzoek vermeldt het volgende:
“Klinisch onderzoek:
Rechte lijn: RA minder
Echografisch onderzoek:
RA: de high suspensory vertoont een kleine focale onregelmatigheid in de aanhechting, het body en schenkels vertonen geen significante echografische veranderingen. Er worden verder geen significante echografische veranderingen gedetecteerd.
LA: ter vergelijk, de high suspensory vertoont geen significante echografische veranderingen
Diagnose:
Milde high suspensory tendinitis RA
Behandeling:
Intra-articulaire behandeling met SAID’s van het tarsometatarsaalgewricht en kogelgewricht RA
Plan:
2 weken rust
Daarna 2 weken basiswerk (stap/draf)
Over 4 weken telefonisch contact”
h. Op 28 augustus 2021 heeft [dierenarts 3] van Dierenartsenpraktijk Bodegraven het paard ter controle onderzocht. Het paard had toen problemen met het rechtervoorbeen. Het attest van het onderzoek vermeldt het volgende:
“Anamnese:
De 5 jarige ruin wordt aangeboden ter controle. Hij is nog niet goed.
Klinisch onderzoek:Rechte lijn: RV +-
Harde volte: RV +- belastingskreupel en bewegingskreupelZachte volte: Idem
Voorrijden: RV 1/5
Buigproeven: LV dist – prox -RV dist +–(+), prox +(++)
Anesthesieën:
RV voet en carpus: rad en loopt fijn onder het zadel. De amazone is tevreden.
Behandeling en advies:Intra-articulaire behandeling van de voet en de carpus RV.”
i. Op 2 september 2021 heeft [dierenarts 4] van Dierenartspraktijk [dierenarts 4] in opdracht van [appellanten] het paard onderzocht. [appellant sub 2] was daarbij aanwezig. De conclusie van [dierenarts 4] was dat het paard rechtsachter slappe kniebanden had. [dierenarts 4] heeft destijds geen behandeling voorgeschreven omdat de pezen van het paard nog moesten herstellen.
j. Op 29 september 2021 en 9 november 2021 heeft [dierenarts 4] de knieband van het paard behandeld. [appellant sub 2] was hierbij aanwezig.
k. Op 15 november heeft [appellant sub 2] het paard bezichtigd terwijl [geïntimeerde sub 1] het paard reed.
l. Op 26 november 2021 heeft [dierenarts 4] het paard in aanwezigheid van [appellant sub 2] onderzocht en echobeelden gemaakt. Op de echobeelden was een overvulling van het kniegewricht van het rechterachterbeen van het paard zichtbaar.
m. Op 23 december 2021 heeft [geïntimeerde sub 1] telefonisch contact gehad met [dierenarts 4] omdat geen sprake was van verbetering.
n. Op 12 januari 2022 heeft [geïntimeerden] het paard uitgebreid klinisch (statisch, dynamisch, buigproeven, met verdoving), radiografisch en echografisch laten onderzoeken bij Equitom Equine Clinic in België. Uit het onderzoeksrapport blijken onder meer de volgende bevindingen:
- atrofie voet rechtsvoor;
- matige overvulling distaal interphalangeaal gewricht (meer dan de gebruikelijke hoeveelheid gewrichtsvloeistof in het hoefgewricht), linksvoor>rechtsvoor;
- matige overvulling mediaal femorotibiaal gewricht (kniegewricht) links>rechts
- matige hyperextensie beide metatarsophalangeale gewrichten (kogelgewrichten achter);
- milde spieratrofie van de broekspieren van de achterhand rechts>links;
- bilaterale achterbeenkreupelheid;
- bilaterale voorbeenkreupelheid;
- buigproeven bij alle benen mild positief;
- verdovingsonderzoek tarsometatarsaal gewricht rechts en links >75% positief;
- radiografisch onderzoek metatarsophalangeale gewrichten (kogelgewrichten achter) en tarsale gewrichten (hak): veranderingen zichtbaar, en
- echografisch onderzoek: matige veranderingen aan de proximale interosseusligamenten achteraan (tussenpezen en aanhechting) en subjectief verdunde kraakbeen oppervlakten en overvulling van de kniegewrichten.
o. Op 16 januari 2022 heeft [geïntimeerden] de bevindingen van Equitom met [appellanten] besproken.
p. Op 18 januari 2022 heeft Equitom het paard aanvullend onderzocht door radiografische screening van beide distale extremiteiten / kogels en carpi vooraan en een echografische controle van beide tussenpezen vooraan. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat sprake is van:
- milde tot matige proximale interosseusligamentdesmo-/enthesiopathie (blessure van de tussenpees en problematiek met de aanhechting), linksvoor meer dan rechtsvoor
- osseous cystic like lesion/subchondrale contourdefecten proximomediaal aspect P1(gewrichtsoppervlak binnenzijde kogelgewricht), rechtsvoor meer dan linksvoor;
- unicorticale compressieschroef kootbeen rechtsvoor, en
- secundaire degeneratieve gewrichtsveranderingen metacarpophalangeale gewrichten rechts meer dan links.
q. [geïntimeerden] heeft [appellanten] op 18 januari 2022 telefonisch op de hoogte gesteld van de bevindingen en heeft nadien de rapporten van Equitom met bijbehorend beeldmateriaal aan [appellanten] toegezonden.
r. Op 19 februari 2022 heeft [geïntimeerden] [X B.V.] een sommatiebrief gezonden waarin onder meer een beroep is gedaan op non-conformiteit van het paard en een termijn van 14 dagen voor herstel is gegeven.
s. Op 15 maart 2022 heeft de advocaat van [geïntimeerden] sommatiebrieven gezonden aan [appellanten] met een laatste termijn van drie werkdagen voor herstel, bij gebreke waarvan zij de overeenkomst van 9 juni 2021 buitengerechtelijk ontbindt en vernietigt. Op 24 maart 2022 heeft de advocaat van [appellanten] geantwoord dat [appellanten] geen gehoor zal geven aan de sommaties.
De vorderingen van [geïntimeerden] bij de kantonrechter
3.3.1.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerden] na wijziging van eis (samengevat) gevorderd:
primair:
te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] de op 9 juni 2021 gesloten koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans deze te vernietigen;
subsidiair:
te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] de op 9 juni 2021 gesloten koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijke heeft ontbonden, althans deze te ontbinden;
primair en subsidiair:
- [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot terugbetaling van de koopsom van € 28.465,00, vermeerderd met wettelijke rente;
- [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van kosten en schade ter hoogte van € 15.506,30, te vermeerderen met een bedrag van € 150,00 per maand aan stallingskosten vanaf 1 maart 2024 tot het moment dat [appellanten] het paard bij [geïntimeerden] heeft opgehaald en in bezit heeft genomen, vermeerderd met wettelijke rente;
- [appellanten] te gebieden om binnen een termijn van 14 dagen na restitutie aan [geïntimeerden] van de door [geïntimeerden] betaalde koopsom en vergoeding van de door [geïntimeerden] geleden schade, alles vermeerderd met wettelijke rente, het paard bij [geïntimeerden] op te halen en in bezit te nemen, versterkt door oplegging van een dwangsom;
- [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.469,80, vermeerderd met wettelijke rente;
- [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.2.
Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerden] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij met [appellanten] een koopovereenkomst heeft gesloten over het paard en dat dit een consumentenkoop betreft. Het paard is verkocht als dressuurpaard. Kort na de levering openbaarden zich veterinaire problemen waardoor het paard niet geschikt was om mee te rijden. Volgens [geïntimeerden] was het paard bij de levering niet een gezond paard dat geschikt was voor het gebruik als dressuurpaard. [geïntimeerden] heeft de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling, althans ontbonden wegens niet-nakoming.
3.3.3.
[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.3.4.
Bij vonnis in incident van 23 februari 2023 heeft de kantonrechter naar aanleiding van de vordering in het incident van [appellanten] geconcludeerd dat de koop van het paard een consumentenkoop is en dat een dergelijke zaak op grond van artikel 93 sub c Rv Pro moet worden beslist door de kantonrechter. De incidentele vordering van [appellanten] tot onbevoegdheidverklaring is afgewezen.
3.3.5.
Bij bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter – kort gezegd – overwogen dat:
- de koopovereenkomst is gesloten met [geïntimeerden] in privé ;
- [geïntimeerden] tijdig heeft geklaagd;
- de onderzoeksplicht niet door [geïntimeerden] is geschonden;
- [appellanten] onvoldoende gesteld en bewezen heeft dat het paard bij aflevering beantwoordde aan de overeenkomst;
- sprake is van wederzijdse dwaling ten gevolge waarvan [geïntimeerden] de koopsom onverschuldigd heeft betaald, en [appellanten] gehouden is het paard terug te nemen
- sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door [appellanten] .
Naar aanleiding hiervan heeft de kantonrechter – samengevat – voor recht verklaard dat de koopovereenkomst van 9 juni 2021 betreffende de aankoop van het paard buitengerechtelijk is vernietigd. [appellanten] is vervolgens veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom ad € 28.465,-, vergoeding van kosten en schade ter hoogte van € 11.593,01 en het weer in bezit nemen van het paard.
Tot slot is [appellanten] (hoofdelijk) veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
3.3.6.
Na het eindvonnis is het paard door [geïntimeerden] teruggegeven, [appellanten] heeft de koopsom en bijkomende kosten aan [geïntimeerden] voldaan en [appellanten] heeft hoger beroep ingesteld.
De vorderingen en procedure bij het gerechtshof
3.4.
[appellanten] heeft in hoger beroep achttien grieven (genummerd I tot en met XVII waar onder twee keer grief XII) aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of wijziging van gronden de vorderingen van [geïntimeerden] af te wijzen alsmede [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een geldsom van € 47.391,28 alsmede de kosten van het geding in beide instanties.
3.5.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot – kort gezegd – niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] in haar vorderingen, en de bestreden vonnissen te bekrachtigen en [appellanten] (hoofdelijk) te veroordelen in de proceskosten in het hoger beroep, waaronder begrepen nasalaris en te vermeerderen met de wettelijke rente.
Grieven tegen het vonnis 23 februari 2023
Wel of geen consumentenkoop (grieven I t/m IV)
3.6.
De grieven I tot en met IV zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in genoemd vonnis in incident dat sprake is van consumentenkoop en dat de kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.
3.7.
Het hof stelt hierbij voorop dat een koop als consumentenkoop kan worden aangemerkt als deze betrekking heeft op een roerende zaak en wordt gesloten tussen een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:5 lid 1 BW Pro).
Hoewel een paard geen zaak is (artikel 3:2a lid 1 BW), zijn op het paard wel de bepalingen met betrekking tot zaken van toepassing (artikel 3:2a lid 2 BW).
Bovendien moet de betekenis van een omstreden mondelinge overeenkomst door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.8.
Vaststaat dat [appellanten] een verkoper is die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De vraag is in deze zaak of [geïntimeerde sub 1] heeft gehandeld als professionele partij dan wel als een consument. [appellanten] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde sub 1] professionele diensten in de paardenbranche levert en dat bij de aankoop zijdens [geïntimeerden] is bedongen om de koopsom te factureren aan de onderneming van [geïntimeerden] . Volgens [appellanten] is dan sprake van een professionele koper die de koopsom laat factureren aan een onderneming. [geïntimeerden] heeft aan [appellanten] kenbaar gemaakt dat [X solutions] de kopende partij is en dat aan deze partij gefactureerd dient te worden, aldus [appellanten]
3.9.
[geïntimeerden] heeft de stellingen van [appellanten] gemotiveerd weersproken en stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde sub 1] het paard als consument heeft gekocht.
3.10.
Het hof overweegt als volgt.
3.10.1.
Vaststaat dat [geïntimeerde sub 1] in mei 2021 naar [appellant sub 2] is gegaan voor het bezichtigen van het paard. Zij heeft vervolgens het paard nog een keer bezichtigd en één keer bereden. Het keuringsrapport van [dierenarts 1] van 4 juni 2021 vermeld “ [geïntimeerde sub 1] ” (hof: [geïntimeerde sub 1] ) als opdrachtgever en dat de opdrachtgever tevens koper is. Vervolgens is het paard op 9 juni 2021 verkocht en is het op diezelfde dag opgehaald.
Hoewel [appellanten] stelt dat [geïntimeerde sub 1] het paard voor bedrijfsmatige doeleinden heeft gekocht is het hof van oordeel dat [appellanten] tegenover de betwisting door [geïntimeerden] dit onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar een website waaruit zou blijken dat [geïntimeerde sub 1] een opleiding tot paardencoach heeft gevolgd is onvoldoende. Verder is gebleken dat alle veterinaire rapporten en facturen aan [geïntimeerde sub 1] in privé zijn gericht.
3.10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur van de aankoop op naam is gezet van [X solutions] , een eenmanszaak van [geïntimeerden] , maar het hof overweegt dat dit het oordeel niet anders maakt. Onder essentialia van een koopovereenkomst worden immers op grond van vaste rechtspraak in ieder geval verstaan: de partijen, het te verkopen object en de prijs. De tenaamstelling op de factuur is slechts een afspraak hoe de betaling moet plaatsvinden en maakt geen onderdeel uit van de zogenaamde essentialia. Daar komt bij dat [geïntimeerden] met onder andere de verklaring van de boekhouder van 6 oktober 2022 heeft onderbouwd dat het paard niet is ingebracht in de eenmanszaak, dat de betaling van de aanschaf is gedaan van een privérekening, en dat de overige facturen met betrekking tot de kosten die na aankoop zijn gemaakt bij [geïntimeerde sub 1] (in privé) in rekening zijn gebracht.
3.10.3.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [geïntimeerde sub 1] het paard als consument heeft gekocht, dat dus sprake is van een consumentenkoop en dat de kantonrechter derhalve bevoegd was kennis te nemen van het geschil. De vordering in het incident is dan ook terecht afgewezen. De grieven I en II en daarmee ook de grieven III en IV falen derhalve.
Grieven tegen het vonnis van 11 april 2024
3.11.
Grief V richt zich tegen overweging 4.3. van het bestreden eindvonnis. [appellanten] stelt dat de overeenkomst weliswaar met [geïntimeerden] gesloten is maar dat geen sprake is van een consumentenkoop en dat de kantonrechter onbevoegd was om van de vordering van [geïntimeerden] kennis te nemen.
3.12.
Omdat het hof hiervoor heeft geoordeeld dat wel sprake is van een consumentenkoop faalt deze grief.
Klachtplicht (grieven VI en VII)
3.13.
[appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerden] de klachtplicht niet heeft geschonden (grief VI). Zij voert hiertoe aan dat [geïntimeerden] in de periode van juli en september 2021 [appellanten] niet op de hoogte heeft gesteld van de veterinaire onderzoeken die zijn uitgevoerd. In november 2021 bleek het paard niets te mankeren en tot februari 2022 heeft [appellanten] niets meer vernomen van [geïntimeerden] , terwijl op 12 januari 2022 het paard door [geïntimeerden] was aangeboden aan Equitom en verschillende maanden een kreupelheid zou hebben. Ook de bevindingen van [dierenarts 3] van 26 augustus 2021 zijn achtergehouden. Gelet op de aard van het vermeende gebrek en het feit dat zij in eerste instantie wel was geraadpleegd en ingelicht door [geïntimeerden] maakt dat [appellanten] in haar belangen is geschaad. [appellanten] is elke mogelijkheid ontnomen om het paard zelf te onderzoeken en verkeerde in de wetenschap dat de peesblessure van tijdelijke aard zou zijn en ook niet meer aan de orde was nu zij niet meer werd geïnformeerd door [geïntimeerden]
Bovendien had [dierenarts 4] het paard op 30 november 2021 opnieuw onderzocht en het paard liep goed na de behandeling (grief VII).
3.14.
[geïntimeerden] voert gemotiveerd verweer en stelt dat zij tijdig heeft geklaagd over de gebreken van het paard.
3.15.
Het hof overweegt als volgt.
3.15.1.
Bij de beoordeling van de vraag of er op tijd is geklaagd, geldt het volgende toetsingskader.
Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW Pro kan de koper er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken op de hoogte stelt. De strekking hiervan is dat de verkoper er belang bij heeft om niet met te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten te worden geconfronteerd dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Daarom mag van de koper worden verlangd dat hij, wanneer hij tekortkomingen constateert, de verkoper daarvan tijdig op de hoogte stelt. Bij een consumentenkoop, zoals hier aan de orde is, moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. De consumentkoper heeft geen onderzoeksplicht naar mogelijke gebreken. Vereist is dat de consumentkoper er met een voldoende mate van waarschijnlijkheid van uit moet gaan dat de geleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt. De beantwoording van de vraag of een kennisgeving van een consumentkoper ná de termijn van twee maanden tijdig is, vergt een afweging van alle betrokken belangen, rekening houdend met alle relevante omstandigheden. In het kader van dit door [appellanten] gevoerde verweer, moet [geïntimeerden] stellen en zo nodig bewijzen dat en wanneer zij heeft geklaagd, terwijl [appellanten] moet stellen en zo nodig bewijzen dat [geïntimeerden] aldus te laat heeft geklaagd.
3.15.2.
Vaststaat dat het paard op 9 juni 2021 is geleverd aan [geïntimeerden] en dat in juli 2021 [geïntimeerden] [appellanten] heeft geïnformeerd over de geconstateerde veterinaire problemen. Op 16 juli 2021 heeft [appellant sub 2] een dressuurles van [geïntimeerde sub 1] en het paard bijgewoond omdat het paard niet helemaal zuiver liep. Dit was al een aanwijzing dat het paard mogelijk problemen had. [geïntimeerden] heeft op 22 juli 2021 [dierenarts 2] onderzoek laten doen en uit dit onderzoek bleek dat het paard problemen had met het rechterachterbeen. Uit een tweede klinisch onderzoek met echografie op 2 augustus 2021 heeft [dierenarts 2] geconstateerd dat het paard problemen had met de tussenpees rechtsachter. Vervolgens is het paard nogmaals op 28 augustus 2021 ter controle onderzocht. [dierenarts 3] heeft toen geconstateerd dat het paard problemen had met het rechtervoorbeen.
Hierop heeft [appellanten] zelf op 2 september 2021 dierenarts [dierenarts 4] ingeschakeld om het paard te laten onderzoeken, bij welk onderzoek [appellant sub 2] aanwezig was.
3.15.3.
Nu [geïntimeerden] in juli 2021 [appellant sub 2] al op de hoogte heeft gebracht van een afwijking van het paard (het niet zuiver lopen) moet ervan worden uitgegaan dat op dat moment de klachttermijn is gaan lopen. Kort daarna heeft [geïntimeerden] het paard twee keer laten onderzoeken door [dierenarts 2] . In september 2021 heeft [appellanten] opdracht gegeven voor een onderzoek door [dierenarts 4] . Hieruit volgt dat geen sprake is van een te laat klagen door [geïntimeerden] Daarom al kan het beroep van [appellanten] op de klachttermijn van artikel 7:23 BW Pro niet slagen. Daar komt bij dat als al sprake zou zijn geweest van enig tijdsverloop tussen de ontdekking van het (gestelde) gebrek en de klacht, niet kan worden gezegd dat daardoor de mogelijkheid tot onderzoek verloren is gegaan en [appellanten] in haar bewijspositie is geschaad. [appellanten] is immers door [geïntimeerden] op de hoogte gesteld en [appellant sub 2] heeft in overleg met [geïntimeerden] in september 2021 zelf opdracht gegeven aan dierenarts [dierenarts 4] om het paard te onderzoeken. Grief VI faalt dus.
3.16.
Ook grief VII, waarin [appellanten] klaagt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het onderzoek door [dierenarts 4] op 26 november 2021 de problemen met het kniegewricht rechtsachter nog niet waren genezen en dat [geïntimeerden] tijdig heeft geklaagd, faalt. [geïntimeerden] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat het paard op 30 november 2021 na onderzoek door [dierenarts 4] goed liep. Het onderzoeksverslag van [dierenarts 4] , waarnaar [appellanten] verwijst (productie 1 bij memorie van grieven), bevestigt ook dat de problemen nog niet waren opgelost. Het advies, op 30 november 2021, zo schrijft [dierenarts 4] op 18 april 2024, van [dierenarts 4] was om het paard verder op te bouwen in training en eventueel een intra-articulaire behandeling in het rechter kniegewricht te overwegen.
Onderzoeksplicht (grief VIII)
3.17.
[appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende heeft gesteld om zich op schending van de onderzoeksplicht te kunnen beroepen. Zij heeft bij de verkoop geen enkele garantie verstrekt en [geïntimeerden] heeft het paard gekocht zonder het deugdelijk (bijvoorbeeld door röntgenologisch onderzoek) te laten keuren. Dat [geïntimeerden] hiervan heeft afgezien maakt dat in geen geval sprake kan zijn van non-conformiteit respectievelijk dwaling. Voorafgaande aan en ten tijde van de koop was het paard niet behept met enig uiterlijk waarneembaar gebrek.
3.18.
[geïntimeerden] voert gemotiveerd verweer en stelt dat [appellanten] als professionele paardenhandelaar [geïntimeerden] had moeten informeren over de pre-existente gebreken.
3.19.
Het hof is van oordeel dat deze grief faalt. Ook in hoger beroep heeft [appellanten] onvoldoende gesteld dat [geïntimeerden] haar onderzoeksplicht heeft geschonden. [geïntimeerden] heeft voorafgaand aan de koop het paard klinisch laten keuren door [dierenarts 1] , waarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Daarnaast had [appellanten] aan [geïntimeerde sub 1] röntgenfoto’s verstrekt en verzekerd dat het paard volledig gezond was.
Gelet op de aard van de mededelingen en mede gelet op de ervaring van [appellanten] als professionele paardenhandelaar mocht [geïntimeerden] afgaan op de juistheid van de door [appellanten] gedane mededelingen. Het hof ziet niet in waarom [geïntimeerden] onder deze omstandigheden nog nader onderzoek zou moeten doen. Het doen van nader röntgenologisch onderzoek van het paard hoefde dan ook niet van [geïntimeerden] te worden verwacht. Bovendien heeft [appellanten] ter zitting erkend dat bij een röntgenonderzoek geen problemen aan pezen waarneembaar zijn zodat niet voldoende is onderbouwd dat het aan de orde zijnde gebrek was ontdekt met het uitvoeren van een zodanig onderzoek. Verder geldt dat [appellanten] zelf aanvoert dat het paard voorafgaande aan en ten tijde van de koop niet behept was met enig uiterlijk waarneembaar gebrek. Ook daarom valt niet in te zien waarom [geïntimeerden] nader onderzoek had moeten verrichten.
Wettelijk bewijsvermoeden (grieven IX, X en XI)
3.20.
[appellanten] stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van consumentenkoop ten gevolge waarvan [geïntimeerden] had moeten bewijzen dat het paard voorafgaande aan de koop behept was met een gebrek, waardoor het niet aan de overeenkomst beantwoordde (grieven IX en X).
Verder stelt [appellanten] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat het paard bij aflevering beantwoordde aan de overeenkomst (grief XI).
3.21.
[geïntimeerden] voert gemotiveerd verweer en stelt dat wel sprake is van consumentenkoop ten gevolge waarvan het wettelijk bewijsvermoeden op grond van artikel 7:18 lid 2 BW Pro (oud) van toepassing is.
3.22.
Gezien de onderlinge samenhang tussen deze grieven zal het hof deze gezamenlijk behandelen.
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat sprake is van een consumentenkoop. Omdat de koop is overeengekomen op 9 juni 2021 is artikel 7:18 lid 2 BW Pro (oud) van toepassing. Dit artikel bepaalt dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
3.23.
Bij de beantwoording van de vraag of het paard aan de overeenkomst beantwoordt geldt als uitgangspunt dat het paard bij aflevering de eigenschappen moet bezitten die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. De koper mag verwachten dat het paard de eigenschappen bezit die nodig zijn voor het overeengekomen gebruik (vgl. artikel 7:17 lid 2 BW Pro). Tussen partijen is niet in geschil dat het paard is verkocht als dressuurpaard.
Op grond hiervan en op grond van de door [appellanten] gedane mededelingen over de gezondheidstoestand van het paard mocht [geïntimeerden] verwachten dat het paard daar ook voor geschikt was.
3.24.
[appellanten] heeft geen grief aangevoerd tegen de vaststelling door de kantonrechter dat zich binnen zes maanden na levering meerdere veterinaire gebreken hebben geopenbaard, met uitzondering van de peesblessure en de daaraan verbonden kreupelheid. Dit heeft tot gevolg dat wordt vermoed dat het paard bij de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. [appellanten] moet tegen dit wettelijk vermoeden tegendeelbewijs leveren Artikel 7:18 lid Pro 2 (oud) BW vormt de implementatie van art. 5 lid 3 Richtlijn Pro consumentenkoop (hof: Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumentengoederen, PbEG 1999, L 171/12) en moet dan ook richtlijnconform worden uitgelegd. Art. 5 lid 3 Richtlijn Pro consumentenkoop bepaalt dat het daar bedoelde vermoeden geldt “tot bewijs van het tegendeel”. Voor de toepassing van art. 7:18 lid 2 BW Pro betekent dit dat van de kant van de verkoper tegendeelbewijs vereist is. Dit vindt bevestiging in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Faber/Hazet Ochten (HvJEU 4 juni 2015, zaak C-497/13, ECLI:EU:C:2015:357). Hierin is overwogen dat wanneer het vermoeden van art. 5 lid 3 Richtlijn Pro consumentenkoop geldt, de verkoper moet “bewijzen dat het gebrek (…) niet bestond bij de aflevering van de goederen”. Uit het voorgaande volgt dat de verkoper niet kan volstaan met het ontzenuwen van het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW Pro (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666, r.o. 3.2).
Het is dan dus aan [appellanten] om te stellen en te bewijzen dat de zaak bij aflevering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord. Dit brengt mee dat in de stellingen van [appellanten] voldoende geconcretiseerd dient te zijn dat de aan het paard geconstateerde gebreken pas zijn ontstaan
nade aflevering van het paard.
3.25.
[appellanten] stelt hiertoe dat het paard ten tijde van de verkoop gezond was en dat de peesblessure bij het paard is ontstaan door overbelasting en mismanagement aan de zijde van [geïntimeerden] [appellant sub 2] heeft geconstateerd dat [geïntimeerden] het paard had blootgesteld aan aanzienlijke risico’s op een peesblessure door het zonder voorbereiding en deugdelijke beenbeschermers in de weide te zetten, waardoor het paard zich heeft kunnen blesseren. Daarnaast voert zij aan dat [dierenarts 4] het paard (na teruglevering) op 21 mei 2024 opnieuw heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat de letsels die voorheen zichtbaar waren vermoedelijk het gevolg waren van een slecht management of het onvoldoende opvolgen van revalidatie. Op 3 mei 2024 is het paard door [dierenarts 1] onderzocht en [dierenarts 1] heeft geconstateerd dat het paard is terug geleverd met schrammen, haken op kiezen, witte haren en enkele scheurtjes in de hoeven, welke beschadigingen waarschijnlijk zijn veroorzaakt in een kudde. Tevens heeft [dierenarts 1] geconstateerd dat het paard niet kreupel of zelfs onregelmatig was en dat het paard kon worden bereden.
Vervolgens is het paard op 13 juni 2024 door [dierenarts 5] echografisch onderzocht en is geconstateerd dat het paard echografische normale pezen heeft en dat tijdens het klinisch onderzoek het paard geen kreupelheid vertoonde.
[appellanten] concludeert dat uit het voorgaande voortvloeit dat zij kan bewijzen dat het paard volledig geschikt is als sportpaard en hierbij geen klachten heeft en radiologisch past binnen normale grenzen. De door [geïntimeerden] ondervonden klachten blijken van tijdelijke aard en er is nimmer sprake geweest van blijvende ongeschiktheid. De omstandigheid dat voorafgaande aan de koop en na de teruglevering het paard in prima staat verkeert en verkeerde, rechtvaardigt volgens [appellanten] dat het geheel aan mismanagement zijdens [geïntimeerden] te wijten is dat het paard na de koop is behept geraakt met een tijdelijke blessure.
3.26.
[geïntimeerden] betwist gemotiveerd dat de veterinaire gebreken aan het paard het gevolg zouden zijn van nalatig handelen of slecht management door haar.
3.27.
Het hof overweegt als volgt.
Nadat het paard aan [geïntimeerden] op 9 juni 2021 geleverd was, zijn binnen twee maanden na de levering veterinaire problemen geconstateerd; het paard liep niet zuiver. Dit is ook door [appellant sub 2] zelf geconstateerd.
Hierop hebben in de periode 22 juli 2021 tot en met 18 januari 2022 diverse dierenartsen het paard onderzocht. De eigen dierenarts van [appellanten] heeft in die periode ook onderkend dat het paard niet goed liep en heeft maatregelen overwogen. Immers, in het onderzoeksverslag van 30 november 2021 staat dat het paard na één dag rust weer klachten vertoonde en werden er nog steeds afwijkingen geconstateerd aan beide kniegewrichten, waaronder een “
matige opzetting van het femoropatellaire gewicht” links en een “
lichte tot matige opzetting van het femoropatelliare gewricht” rechts. Het advies van [dierenarts 4] was om het paard opnieuw op te bouwen in training en om een “
intra-articulaire behandeling in het rechter kniegewricht te overwegen”. Hieruit volgt dat het paard op dat moment, anders dan [appellanten] stelt, nog niet volledig hersteld was. Het paard voldeed dan ook op dat moment niet aan de daaraan te stellen conformiteitseisen.
Ook de stelling van [appellanten] dat het paard maar een tijdelijk gebrek had, acht het hof gezien de rapportages van verschillende dierenartsen in de periode juli 2021-januari 2022, onvoldoende onderbouwd. Uit deze rapporten blijkt immers dat het paard diverse aandoeningen had waardoor onderzoek door verschillende dierenartsen noodzakelijk was, die allen (nadere) gebreken hebben geconstateerd.
Ondanks het treffen van de door de dierenartsen geadviseerde maatregelen, bleef het paard gedurende maanden gebreken vertonen, die ten tijde van de ontbinding nog niet waren hersteld. Dat de geconstateerde gebreken slechts van tijdelijke aard zouden zijn zoals [appellanten] stelt, is daarmee niet goed te rijmen.
3.28.
Het hof constateert dat [appellanten] geen grief heeft aangevoerd tegen de laatste zin van overweging 4.13 in het bestreden vonnis van 11 april 2024 waarin staat dat mr. Wensing tijdens de mondelinge behandeling gezegd heeft dat de datering van de kreupelheid niet achterhaald kan worden. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft mr. Wensing op de vraag van het hof of met terugwerkende kracht bewezen kan worden dat het paard ten tijde van de levering gezond was, aangegeven dat een veterinair rapport dit zou kunnen uitwijzen. Nu dit enkel een blote stelling betreft die pas tijdens de mondelinge behandeling, desgevraagd, is opgeworpen, gaat het hof aan die stelling (gezien de twee-conclusieregel) voorbij.
3.29.
Na de teruglevering van het paard heeft [appellanten] het paard opnieuw door drie dierenartsen laten onderzoeken en zij hebben geconstateerd dat het paard op dat moment, dus in 2024, geen gebreken had. Het hof overweegt dat met deze onderzoeken niet, dan wel onvoldoende, onderbouwd is dat het paard ten tijde van de aflevering in juni 2021 gezond was en geschikt was als dressuurpaard, aangezien deze onderzoeken alleen zien op de situatie rondom het moment van de teruglevering in 2024.
3.30.
Het hof is verder van oordeel dat [appellanten] onvoldoende heeft onderbouwd dat de problemen bij het paard zijn ontstaan door overbelasting en mismanagement aan de zijde van [geïntimeerden] Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [appellanten] naar de verklaring van [dierenarts 4] van 21 mei 2024. Hij verklaart dat de letsels die voorheen zichtbaar waren
vermoedelijk(onderstreping hof) zijn ontstaan door slecht management of het onvoldoende opvolgen van de aanbevelingen voor revalidatie. Dit acht het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat het aan [geïntimeerden] te wijten is dat het paard na de levering gebreken vertoonde en niet geschikt was als dressuurpaard. Hierbij speelt mee dat deze dierenarts door [appellant sub 2] is ingeschakeld en hij alleen concludeert dat de gebreken vermoedelijk zijn ontstaan door mismanagement dan wel overbelasting, zonder dit nader te onderbouwen.
Ook de verklaringen van de drie dierenartsen na teruglevering van het paard acht het hof onvoldoende nu hierin geen duidelijkheid over het ontstaan van het letsel wordt gegeven.
[appellant sub 2] zelf heeft ter zitting eveneens het vermoeden geuit dat de gebreken zouden zijn ontstaan als gevolg van een val van het paard. Dit vermoeden is evenmin onderbouwd. Dat de gebreken op die wijze zijn ontstaan is niet gedocumenteerd en blijkt niet uit de door partijen in het geding gebrachte rapporten.
Daar komt bij dat het gelet op de op [appellanten] rustende bewijslast niet voldoende is om twijfel te zaaien over het ontstaan van het gebrek. Op [appellanten] rust de last te bewijzen dat de gebreken zijn ontstaan ná de levering, daartoe zijn voormelde verklaringen niet voldoende.
Voor zover het betoog van [appellanten] inhoudt dat de aard van de zaak of de gebreken zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzetten in de zin van artikel 7:18 lid Pro 2 (oud) BW, gaat het hof daaraan voorbij. Dat dat zo zou zijn is door [appellanten] niet voldoende onderbouwd. Het hof wijst hierbij op de ratio van het bewijsvermoeden in het licht van artikel 5 lid 3 Richtlijn Pro consumentenkoop.
3.31.
In de eerste grief XII stelt [appellanten] primair dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten] tegenover het wettelijke vermoeden dat het paard niet volledig gezond was ten tijde van de levering onvoldoende heeft gesteld. Volgens [appellanten] had in dit geval geen sprake kunnen zijn van een wettelijk bewijsvermoeden. Subsidiair houdt haar betoog in dat zij wel degelijk heeft kunnen aantonen dat het paard ten tijde van de aankoop geschikt was en niet behept was met enig peesletsel. De aard van dit gebrek (dat vaak voorkomt bij paarden en is te wijten aan overbelasting of zoals in dit geval door risico’s in de weide) verzet zich tegen toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.32.
Het hof overweegt dat het primaire standpunt van [appellanten] niet opgaat. Het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat in dit geval toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden weldegelijk aan de orde is, en de bezwaren van [appellanten] tegen toepassing daarvan – ook voor zover deze betrekking hebben op de aard van de aan de orde zijnde gebreken – niet opgaan. Ook is reeds overwogen dat tegenover het wettelijk vermoeden, onvoldoende concreet door [appellanten] is onderbouwd dat de gebreken aan het paard pas ná de levering zijn ontstaan.
Ook de subsidiaire stelling van [appellanten] , inhoudende dat de aard van het gebrek (peesletsel) vaak voorkomt bij paarden en te wijten is aan overbelasting dan wel, zoals hier het geval is, door risico’s in de weide, gaat niet op. Het hof heeft hiervoor overwogen dat niet is komen vast te staan dat de gebreken aan het paard het gevolg zijn van mismanagement of in de weide opgelopen letsel.
3.33.
In de tweede grief XII stelt [appellanten] dat de gebreken aan het paard zijn veroorzaakt door slecht management door [geïntimeerden] , wat door [geïntimeerden] gemotiveerd is betwist.
3.34.
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat het door [appellanten] gestelde slecht management door [geïntimeerden] niet, althans onvoldoende, is onderbouwd.
Beide grieven XII slagen dan ook niet.
3.35.
[appellanten] stelt vervolgens dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] , zij haar stellingen dat de peesblessures zijn ontstaan na levering van het paard en/of toedoen van [geïntimeerden] niet verder heeft onderbouwd (grief XIII). [appellanten] verwijst hierbij naar de voorgaande grieven en stelt dat zij heeft aangetoond dat peesblessures te pas en te onpas kunnen optreden en dat [geïntimeerden] ten tijde van de koop geen enkele blessure of kreupelheid heeft kunnen vaststellen.
[geïntimeerden] heeft dit gemotiveerd betwist.
3.36.
Het is aan [appellanten] haar stelling dat van mismanagement sprake is nader te onderbouwen. Dat heeft zij, ook in hoger beroep, niet gedaan. Ze herhaalt het vermoeden dat omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de weide hebben geleid tot de ontstane gebreken, zonder dit nader te onderbouwen. Zoals het hof reeds heeft overwogen, bieden ook de rapporten van de door [appellant sub 2] geconsulteerde deskundigen, die nadere (feitelijke) onderbouwing niet. Het hof is van oordeel dat deze grief eraan voorbij gaat dat de bewijslast op grond van artikel 7:18 lid 2 BW Pro (oud) niet op [geïntimeerden] rust maar op [appellanten] Op [appellanten] rust immers de last tegendeelbewijs te leveren nu het bewijsvermoeden van 7:18 lid 2 BW (oud) aan de orde is. [appellanten] moet dan ook bewijzen dat het paard ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde. Het hof heeft hiervoor al overwogen dat [appellanten] niet het tegendeel heeft bewezen dat het paard ten tijde van de aflevering gezond was.
Deze grief wordt dan ook verworpen.
3.37.
In grief XIV stelt [appellanten] dat de kantonrechter ten onrechte voorbijgegaan is aan haar bewijsaanbod, aangezien een deskundigenbericht en/of nadere bewijslevering had kunnen aantonen dat het paard volledig geschikt is en nimmer sprake is geweest van een blessure van blijvende aard.
[geïntimeerden] voert verweer.
3.38.
Het hof oordeelt dat nadere bewijslevering niet aan de orde is. [appellanten] heeft ook in hoger beroep niet voldoende concreet haar stelling onderbouwd dat de aan het paard geconstateerde gebreken pas zijn ontstaan
nade aflevering van het paard, om tot nader bewijs te worden toegelaten.
Deze grief faalt.
3.39.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [appellanten] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] onvoldoende heeft onderbouwd dat het paard ten tijde van de levering gezond was en geschikt was als dressuurpaard, dan wel dat het ontstaan van de geconstateerde gebreken aan het paard na de levering aan [geïntimeerden] te wijten was. Daarmee komt vast te staan dat het paard niet de eigenschappen had die [geïntimeerden] op basis van de overeenkomst mocht verwachten en dat het dus non-conform was.
Bezwaar [geïntimeerden] tegen nagekomen producties 6 en 7 [appellanten]
3.40.
[appellanten] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat er geen bewijs is dat het paard sinds de aankoop kreupel is aan de kogel in het rechter voorbeen en er geen significante afwijkingen zijn op 25 augustus 2025 ten behoeve van de mondelinge behandeling op 2 september 2025 nog een expertiserapport (productie 6) overgelegd alsmede een brief waarin aan de wederpartij beeldmateriaal wordt opgevraagd (productie 7), tegen welke producties [geïntimeerden] bij e-mailbericht van 26 augustus 2025 bezwaar heeft gemaakt. Ter zitting heeft [geïntimeerden] nog zijn bezwaar beperkt tot productie 6. Het hof heeft vervolgens aangegeven dat bij arrest op dit bezwaar zal worden beslist.
3.41.
Het hof is van oordeel dat genoemde producties op grond van artikel 87 lid 6 Rv Pro in beginsel te laat zijn, aangezien deze producties niet tot uiterlijk tien dagen (maar negen dagen) voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht. Echter, in het kader van de bewijslast die op [appellanten] rust ziet het hof voldoende grond om deze producties toe te laten. Het hof is echter van oordeel dat uit deze stukken niet is gebleken dat het paard ten tijde van de aflevering gezond was.
Omdat [appellanten] deze bevindingen ook al ter zitting heeft medegedeeld en [geïntimeerden] daarop heeft gereageerd, zal het hof [geïntimeerden] niet alsnog in de gelegenheid stellen om op deze producties te reageren.
Wederzijdse dwaling (grief XV) en ongerechtvaardigde verrijking (grief XVI)
3.42.
Het hof merkt eerst op dat de onderbouwing van deze grieven zeer summier is en te wensen over laat. Het hof begrijpt de grieven aldus dat [appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat aan de vereisten van wederzijdse dwaling is voldaan, dat [geïntimeerden] de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd en dat zij recht heeft op terugbetaling van de koopsom (grief XV). [appellanten] voert hiertoe aan dat nu niet vaststaat dat het paard ten tijde van de levering met enige blessure behept was, ook niet van wederzijdse dwaling sprake kan zijn. De koop is dan ook niet op terechte gronden vernietigd.
3.43.
Het hof is van oordeel dat de enkele stelling van [appellanten] dat niet vaststaat dat het paard ten tijde van de koop met enige blessure behept was, onvoldoende is om gemotiveerd te betwisten dat sprake zou zijn van wederzijdse dwaling. Immers, naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat het paard achteraf gebleken niet aan de overeenkomst voldoet en dat beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan van een onjuiste veronderstelling dat het paard op dat moment gezond en geschikt was voor het gebruik als dressuurpaard. In hoger beroep is ook niet betwist dat [geïntimeerden] de overeenkomst niet zou hebben gesloten bij een juiste voorstelling van zaken.
Deze grief slaagt niet.
3.44.
[appellanten] stelt verder dat zij ten onrechte in de vergoeding van kosten en schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking is veroordeeld, nu van wederzijdse dwaling geen sprake is (grief XVI).
3.45.
Het hof is van oordeel dat deze grief niet slaagt, aangezien hiervoor is overwogen dat sprake is van wederzijdse dwaling. [appellanten] hebben geen inhoudelijke grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en ook tegen de door [geïntimeerden] opgevoerde posten zijn geen grieven opgeworpen.
Conclusie
3.46.
Nu de grieven I tot en met XVI van [appellanten] niet slagen, zal het hof de bestreden vonnissen bekrachtigen.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten (grief XVII)
3.47.
Deze grief, waarin [appellanten] stelt dat zij ten onrechte in de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten, stallingskosten en wettelijke rente is veroordeeld omdat de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen hadden moeten worden, faalt nu het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen.
3.48.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:
  • Griffierechten € 798,-
  • Salaris advocaat € 4.426,- (2 punten x tarief IV)
  • Nakosten
Totaal € 5.402,-
3.49.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt de bestreden vonnissen;
veroordeelt [appellanten] (hoofdelijk) in de proceskosten van het hoger beroep van € 5.402,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.
griffier rolraadsheer