Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het gerechtshof 's-Hertogenbosch die betrokken waren bij een complexe pensioenzaak. Zij stelde dat de raadsheren vooringenomen waren, onjuiste feiten hadden aangevuld, en het beginsel van hoor en wederhoor hadden geschonden. Tevens betoogde zij dat het proces-verbaal onvolledig was en dat sprake was van obstructie en rechtsweigering.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend en dat het verzoek vooral gericht was tegen de inhoud en motivering van een tussenbeschikking, waartegen wraking niet mogelijk is. De kamer stelde dat de motivering van de beschikking niet anders kan worden uitgelegd dan als een blijk van vooringenomenheid. De zware negatieve kwalificaties van verzoekster waren onvoldoende onderbouwd.
Verder werd het proces-verbaal als een correcte weergave van de zitting beschouwd, zonder aanwijzingen voor schending van hoor en wederhoor of andere procesprincipes. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestond en wees het verzoek af. Verzoekster kreeg geen verwijzing naar een ander gerechtshof.