ECLI:NL:GHSHE:2025:3568

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
20-001029-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in hoger beroep tegen eerdere veroordeling voor oplichting

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van oplichting, maar de officier van justitie had hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij, die in eerste aanleg niet-ontvankelijk was verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, was inmiddels overleden. De nabestaande had aangegeven de vordering in hoger beroep te willen handhaven. Het hof oordeelde dat, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde was, omdat de nabestaanden zich niet konden voegen in het geding. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde oplichting, omdat niet was komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de oplichtingshandelingen zoals ten laste gelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf werd eveneens afgewezen, nu de verdachte werd vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en sprak de verdachte vrij.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001029-24
Uitspraak : 12 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 5 april 2024 met parketnummer 02-336129-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 20-002974-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde oplichting. De benadeelde partij [benadeelde] is door de rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De vordering tot tenuitvoerlegging is afgewezen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 26.090,30 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is in eerste aanleg
niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering.
De benadeelde partij [benadeelde] is op [datum] 2024 overleden. Op 16 augustus 2025 is door een nabestaande van de benadeelde partij een wensenformulier ingevuld en kenbaar gemaakt dat de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep wordt gehandhaafd.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van een overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge artikel 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op de betreffende vordering. [1]
Als voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij (slechts) voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, in een geval als hier bedoeld op grond van artikel 421, tweede lid, Sv van rechtswege voort in hoger beroep. [2]
De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde] in eerste aanleg
niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Nu de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] in eerste aanleg niet is toegewezen en de nabestaanden van de benadeelde partij zich in hoger beroep niet kunnen voegen, is de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde – zoals dat luidt na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen. Tot slot heeft de
advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten aanzien van de benadeelde partij
[benadeelde] de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen voor een bedrag van
€ 26.090,30.
Door de raadsvrouw van de verdachte is vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2023 tot en met 5 november 2023 te Middelburg, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag ter hoogte van in totaal ongeveer € 31.335,30, althans een geldbedrag van € 26.090,30, althans enig geldbedrag, door
  • zich voor te doen als bonafide tuinman, en/of
  • met voornoemde [benadeelde] werkzaamheden overeen te komen inhoudende onderhoud van de tuin van voornoemde [benadeelde] en/of het plaatsen van een schutting in de tuin van voornoemde [benadeelde] , en/of
  • (vervolgens) voor genoemde overeengekomen werkzaamheden onevenredig hoge bedragen in rekening te brengen, en/of
  • die [benadeelde] veelvuldig te benaderen/bellen, en/of
  • door zijn, verdachtes, houding en/of wijze van optreden jegens die [benadeelde] , bij die [benadeelde] het vertrouwen te wekken en/of de indruk te wekken dat hij, verdachte, de/het geldbedrag(en) zou terugbetalen, en/of
  • die [benadeelde] onder druk te zetten om geld aan hem, verdachte, te geven, en/of
  • zich voor te doen als bonafide geldlener, en/of
  • listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan die [benadeelde] (telkens) aan te geven geld te willen lenen voor problemen waarin hij, verdachte, zou zitten, en/of
  • vervolgens contant geld in ontvangst te nemen en/of tikkies (betaalverzoeken) aan die [benadeelde] te sturen naar rekeningen van verdachte en/of derden, en/of
  • die [benadeelde] geld te laten overmaken naar rekeningnummers van derden, en/of
  • cashopnames te laten doen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van de voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij [benadeelde] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag ter hoogte van in totaal ongeveer € 31.335,30, althans een geldbedrag van
€ 26.090,30, althans enig geldbedrag, door gebruik te maken van de in de tenlastelegging onder de verschillende gedachtestreepjes opgenomen oplichtingsmiddelen.
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de onder de eerste drie gedachtestreepjes tenlastegelegde oplichtingshandelingen zien op de overeenkomst tussen [benadeelde] en de verdachte over het opknappen van de tuin van [benadeelde] , terwijl de verdachte ook daadwerkelijk werkzaamheden in die tuin heeft verricht. De verdachte was dus, zeker in het begin, wel degelijk een bonafide tuinman.
De verdachte heeft verklaard dat hij – naast een vergoeding voor verrichte tuinwerkzaamheden – ook leningen van [benadeelde] heeft ontvangen.
Voor zover de verdachte, los van de gelden die betrekking hebben op de werkzaamheden in de tuin, nog meer gelden heeft ontvangen van [benadeelde] – hetgeen het Openbaar Ministerie tot uitdrukking heeft willen brengen in de, in de overige gedachtestreepjes, tenlastegelegde oplichtingshandelingen – is naar het oordeel van het hof uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet komen vast te staan dat de verdachte die gelden heeft ontvangen middels een van de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de aan hem tenlastegelegde oplichting.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van
11 april 2022 onder parketnummer 20-002974-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 297 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
wijst af de vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket
Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 april 2022 onder parketnummer
20-002974-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 297 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 12 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917.
2.HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:498.