ECLI:NL:GHSHE:2025:3686

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
20-000275-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte was eerder vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten, maar het hof heeft de zaak opnieuw beoordeeld. De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waaronder het bereiden en vervaardigen van MDMA, en deelname aan een criminele organisatie. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 betrokken was bij een laboratorium voor de productie van MDMA in Eindhoven. De verdachte had een leidende rol binnen de organisatie en was verantwoordelijk voor de coördinatie van de activiteiten. Het hof heeft geoordeeld dat er voldoende bewijs was voor de betrokkenheid van de verdachte bij de criminele activiteiten, ondanks de verdediging die pleitte voor vrijspraak op basis van onvoldoende bewijs en vormverzuimen. Het hof heeft de eerdere vrijspraak van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. De uitspraak houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000275-19
Uitspraak : 18 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

[geboorteplaats]

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 januari 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-880185-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde, het overige tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D van de Opiumwet gegeven verbod (
feit 1),
in eendaadse samenloop gepleegd met:
  • medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten (
  • als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet (
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Namens de verdachte is bij akte van 1 februari 2019 hoger beroep ingesteld. Bij akte van 17 februari 2022 is namens de verdachte het hoger beroep partieel ingetrokken, namelijk voor zover het appel zich richt tegen het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Daarmee is het namens de verdachte ingestelde hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden met aftrek van het voorarrest.
Door de verdediging is aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek naar de onderhavige feiten sprake was van onherstelbare vormverzuimen. In het kader daarvan is het navolgende bepleit:
  • primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging nu is gebleken dat OVC-gesprekken, camerabeelden en peilbakengegevens niet langer beschikbaar zijn;
  • subsidiair dient dit vormverzuim te leiden tot bewijsuitsluiting van de stukken die betrekking hebben op de kwijtgeraakte data en gegevens, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde,
  • indien het hof compensatiemogelijkheden ziet in het horen van verbalisanten, heeft de verdediging – in de vorm van een voorwaardelijk verzoek – het hof verzocht om alle verbalisanten te horen die betrokken zijn geweest bij het uitluisteren en vastleggen van OVC-gesprekken en bij het uitwerken van camerabeelden en peilbakengegevens.
Meer subsidiair is door de verdediging integrale vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Tot slot is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en bruikbaarheid voor het bewijs
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk?
Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging bepleit. Ter onderbouwing hiervan is – op de gronden zoals nader in de pleitnota vermeld – samengevat het volgende aangevoerd. In hoger beroep zijn de onderzoekswensen van de verdediging gedeeltelijk toegewezen. De toegewezen onderzoekswensen hadden onder andere betrekking op het verstrekken van diverse gegevensdragers met data aan de verdediging. Vervolgens is gebleken dat een deel van de opdrachten van het hof niet uitgevoerd konden worden, nu een deel van de opgevraagde data niet meer voorhanden is. Volgens de verdediging betreffen dit gegevens die van eminent belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van het door de rechtbank gebezigde bewijsmateriaal. De raadsman heeft betoogd dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onherstelbaar is geschonden, nu de inhoud van het dossier niet getoetst kan worden aan het bronmateriaal. Daarnaast kan voornoemd vormverzuim niet gecompenseerd worden door (bijvoorbeeld) de betrokken verbalisanten als getuigen te horen, nu het onwaarschijnlijk is dat deze verbalisanten – door het grote tijdsverloop – zich de zaken precies kunnen herinneren. Het voorgaande dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Bij gelegenheid van de regiezitting van 18 maart 2024 en 8 april 2024, heeft het hof onder andere de opdracht aan het Openbaar Ministerie gegeven om gegevensdragers aan de verdediging te verstrekken met tap- en OVC-gesprekken, peilbakengegevens van twee voertuigen en camerabeelden. Door middel van een e-mailbericht van 5 september 2024, met als bijlage een door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2024, heeft het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt dat een deel van deze opdrachten niet uitgevoerd kon worden, omdat gegevens – die na het inleveren van het einddossier door de politie eerst op gegevensdragers in een ‘digidoos’ werden bewaard bij het parket in ’s-Hertogenbosch die vervolgens na enige tijd ter opslag werd overgedragen aan DocDirect Den Haag –zijn zoekgeraakt. Meer specifiek gaat het om geluidsopnames van OVC-gesprekken (
het hof: vastgelegd met apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie), de peilbakengegevens van de Volkswagen Crafter met het kenteken [kenteken] en de camerabeelden van de locatie aan de [adres 2] .
Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie en de politie deze gegevens had moeten bewaren, zodat deze in de fase van hoger beroep aan de verdediging verstrekt konden worden. De gegevens zijn echter niet meer voorhanden, zodat in zoverre sprake is van een vormverzuim.
Van belang is dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing.
Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek" (tegen de verdachte), sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Een rechtsgevolg kan op zijn plaats zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
Het hof stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, als voorzien in artikel 359a Sv, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking komt.
In zijn arresten van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890) hanteert de Hoge Raad de maatstaf dat slechts in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens –
“the proceedings as a whole were not fair”.
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat de desbetreffende gegevens door de politie of het Openbaar Ministerie opzettelijk zijn kwijtgeraakt. In het proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2024 heeft verbalisant [verbalisant 1] uitgebreid beschreven hoe de digitale stukken werden bewaard na het sluiten van het onderzoek, op welke wijze die digitale stukken aan het onderzoeksteam zijn overgedragen, de reden waarom de stukken van de server van de afdeling Observatie en Techniek zijn verwijderd en hoe uiteindelijke sommige van de verzochte data verloren zijn geraakt.
Naar het oordeel van het hof is de ernst van dit verzuim bovendien niet zodanig, dat in de zaak tegen de verdachte geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. De enkele stelling van de verdediging dat het bronmateriaal niet meer getoetst kan worden door het verloren gaan van die gegevensdragers, kan niet het verstrekkende oordeel dragen dat het strafproces in de onderhavige zaak, in zijn geheel bezien, niet eerlijk is geweest. Het hof verwerpt mitsdien het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden in de vervolging.
Bewijsuitsluiting?
De verdediging heeft subsidiair verzocht alle processen-verbaal die betrekking hebben op de zoekgeraakte gegevensdragers uit te sluiten van het bewijs.
Het hof overweegt in het verlengde van wat hiervoor is overwogen dat er weliswaar sprake is van een vormverzuim doordat onderliggende data verloren zijn geraakt, maar dat in dit geval geen sprake is van gegevens die dóór het vormverzuim zijn verkregen. De onderliggende data – op basis waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt – zijn immers eerst later in de strafrechtelijke procedure zoekgeraakt. Bewijsuitsluiting op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv is reeds daarom niet aan de orde. Het hof ziet ook overigens geen redenen om tot bewijsuitsluiting over te gaan.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, indien het hof compensatiemogelijkheden voor het geconstateerde vormverzuim ziet in de vorm van het horen van verbalisanten, alle verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het uitluisteren en vastleggen van OVC-gesprekken en bij het uitwerken van camerabeelden en peilbakengegevens te horen.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek af en overweegt daarover als volgt.
Ten eerste acht het hof dit verzoek onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft ter terechtzitting geen nadere toelichting gegeven waaruit de noodzaak blijkt tot het horen als getuigen van álle betrokken verbalisanten en evenmin het doel van de beoogde ondervraging. Een genoegzaam op de persoon van ieder van de bedoelde verbalisanten toegesneden onderbouwing van het verzoek ontbreekt. Reeds hierom wordt het verzoek afgewezen.
Ten tweede is het hof van oordeel dat het horen van die verbalisanten onmiskenbaar overbodig is. De apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (
het hof: de OVC-gesprekken) was door de politie geplaatst in de loods aan de [adres 2] . Uit het dossier volgt dat de stem van de verdachte op geen enkel moment op de afgeluisterde OVC-gesprekken door de verbalisanten is gehoord. Ook is het hof niet de relevantie gebleken van het horen van de verbalisanten die de zoekgeraakte camerabeelden hebben bekeken en in de daarbij behorende processen-verbaal hebben uitgewerkt. Immers betreffen dit de camerabeelden die zijn opgenomen binnen en buiten de loods aan de [adres 2] . De verbalisanten hebben de verdachte op de zoekgeraakte camerabeelden niet herkend, noch hebben deze beelden op enigerlei wijze betrekking op handelingen van de verdachte. Het hof overweegt dat de gegevens van het baken aangebracht op de Volkswagen Crafter met het kenteken [kenteken] wel enigermate relevant is voor de aan de verdachte gerichte beschuldigingen. Anders dan de verdediging, acht het hof het nader horen van de verbalisanten die betrokken waren bij het plaatsen en/of uitlezen van de plaatsbepaling-apparatuur als getuigen echter onmiskenbaar overbodig, nu de resultaten van de bakengegevens in belangrijke mate worden ondersteund door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, waaronder de tap-gesprekken en de door de politie gedane observaties. In dat kader wijst het hof tevens op het feit dat de verdediging – gelet op de zwijgende procesopstelling van de verdachte – de door het hof aan die zoekgeraakte bakengegevens ontleende feiten en omstandigheden niet inhoudelijk heeft betwist. Bovendien heeft de verdediging de beschikbare gegevensdragers met betrekking tot de andere onderzoeksresultaten reeds ontvangen en aldus van de inhoud ervan kennis kunnen nemen. De noodzaak om de verbalisanten ook nog als getuigen te horen is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het hof niet gebleken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1.Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer voorwerpen en/of een of meer stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten:
- een laboratoriumopstelling, bestemd en/of geschikt voor de productie van metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA, in elk geval enige synthetische drug, en/of een of meer kuipen en/of een of meer diepvriezers en/of een of meer waterstofgascilinders en/of een of meer schroefdekselvaten,
en/of
- een of meer hoeveelheden (ongeveer 1200 liter) aceton en/of (ongeveer 580 liter) (van een mengsel van) methanol en methylamine en/of (ongeveer 1300 liter) zoutzuur en/of (ongeveer 280 liter) PMK;
5.Hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en/of Helmond en/of Gemert-Bakel, althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en een (of meer) ander(en), (te weten
- [medeverdachte 1] en/of
- [medeverdachte 2] en/of
- [medeverdachte 3] en/of
- [medeverdachte 4] en/of
- [medeverdachte 5] en/of
- [medeverdachte 6] en/of
- [medeverdachte 7] )
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10, vierde lid, en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen,
terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie (mede) leiding heeft gegeven.
Het hof is van oordeel dat in de tenlastelegging van feit 5 sprake is van een kennelijke verschrijving, nu hierin de naam ‘ [medeverdachte 1] ’ is opgenomen, terwijl dit – blijkens de ID-staat (op basis van identificatie met biometrie) van 1 februari 2017 (pagina 827 van het politiedossier) – ‘ [medeverdachte 1] ’ dient te zijn. Het hof beschouwt dit als een kennelijke misslag en zal daarom de tenlastelegging dienovereenkomstig verbeteren en verbeterd lezen. De verdachte is door de verbeterde lezing niet in zijn belangen geschaad.
De overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is ook daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.Hij in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bereid en vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.Hij in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, te weten:
- een laboratoriumopstelling, bestemd en geschikt voor de productie van MDMA en kuipen en diepvriezers en waterstofgascilinders en schroefdekselvaten,
en
- ongeveer 1.200 liter aceton en ongeveer 580 liter van een mengsel van methanol en methylamine en ongeveer 1.300 liter zoutzuur en ongeveer 160 liter PMK;
5.Hij in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en Helmond en Gemert, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, (te weten
- [medeverdachte 1] en
- [medeverdachte 2] en
- [medeverdachte 3] en
- [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 6] )
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10, vierde lid, en 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om feiten als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen,
terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie leiding heeft gegeven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging – op de gronden zoals nader in de pleitnota vermeld – het volgende aangevoerd:
De stemherkenningen van de verdachte op de tap-gesprekken hebben met onvoldoende waarborgen plaatsgevonden, waardoor deze niet als betrouwbaar aangemerkt kunnen worden en uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Daarnaast kunnen de telefoonnummers niet met een voldoende mate van zekerheid aan de verdachte worden gekoppeld;
Indien het hof van oordeel is dat de telefoonnummers wel aan de verdachte toegerekend kunnen worden, heeft de verdediging bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van een voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’;
Niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk MDMA is geproduceerd, gelet op de lage concentratie die is aangetroffen en de omstandigheid dat niet alle daarvoor benodigde middelen aanwezig waren. Evenmin kan worden vastgesteld dat wanneer sprake zou zijn van een restant, dit is geproduceerd in de tenlastegelegde periode;
Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde, volgt uit het dossier niet dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Daarnaast heeft de verdachte geen leidinggevende rol, maar juist een ondergeschikte rol gehad.
Het hof overweegt hierover als volgt en sluit zich daarbij grotendeels aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Waar nodig zijn aanvullingen en verbeteringen in die bewijsoverwegingen aangebracht.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1, 2 en 5.
Telefoongebruik van de verdachte en de medeverdachten.
Veel van het beschikbare bewijsmateriaal bestaat uit tapgesprekken en sms-correspondentie. Het onderzoeksteam heeft van de verdachte en de medeverdachten telkens in op het desbetreffende individu toegesneden processen-verbaal van bevindingen uitgewerkt dat en op grond van welke bevindingen een bepaald 06-nummer of vaste lijn aan deze specifieke verdachte kan worden toegeschreven. De op de verdachte toegesneden processen-verbaal van bevindingen en de relevante onderliggende tapgesprekken zijn opgenomen in de bijgevoegde bewijsbijlage. Uit deze processen-verbaal van bevindingen in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van de tapgesprekken, gegevens van het CIOT en van de Gemeentelijke Basis Administratie de verdachte kan worden geïdentificeerd als gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .
Uit de processen-verbaal van bevindingen over de diverse telefoonnummers van de medeverdachten in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van de tapgesprekken, sms-berichten, OVC-gesprekken, peilbakengegevens en observaties de gebruiker van een bepaald telefoonnummer is geïdentificeerd.
Het hof heeft de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies ten aanzien van alle afzonderlijke telefoonnummers gecontroleerd en is tot het oordeel gekomen dat de getrokken conclusies over welke verdachte de gebruiker van een in de bewijsvoering van belang zijnde telefoonnummer is geweest, valide is en steun vindt in de onderzoeksbevindingen.
Anders dan de verdediging, ziet het hof geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane stemherkenningen van de verdachte te twijfelen. Op 12 december 2024 hebben verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in het verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij maandenlang betrokken waren bij het afluisteren van de tapgesprekken en daardoor in staat waren om de stem van de verdachte gedurende de gesprekken te herkennen. Gelet hierop en op hetgeen zij overigens ter zake hebben gerelateerd is het hof van oordeel dat de stemherkenningen op een adequate wijze zijn uitgevoerd. De door de verdediging gestelde ‘contra-indicaties’ doen naar het oordeel van het hof daar niet aan af. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder dat de door de verdediging in dit verband aangehaalde Handleiding Confrontatie geen rechtsregels bevat en bovendien – net als de en de Richtlijn meervoudige auditieve bewijsconfrontatie - niet voor de hier bedoelde stemherkenning zijn geschreven, zodat het niet naleven hiervan ook geen vormverzuim kan opleveren. Overigens merkt het hof op dat de verdachte zelf de juistheid van die stemherkenningen niet heeft betwist of een alternatieve verklaring daarover naar voren heeft gebracht. Het hof heeft in het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden om aan deze stemherkenningen en de daaraan verbonden conclusies over de gebruiker van de desbetreffende telefoonnummers, voor zover tot bewijs dienend, te twijfelen. Namens de verdachte is voorts aangevoerd dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (
het hof begrijpt: [telefoonnummer 1]) in ieder geval in gebruik was bij [betrokkene] en de verdachte en dat niet uitgesloten kan worden dat die telefoon door nog meer personen is gebruikt. Met de advocaat-generaal constateert het hof dat dit nummer een vaste telefoonlijn betreft en het dus geen bevreemding wekt dat dit nummer zowel door de toenmalige vriendin van de verdachte als de verdachte werd gebruikt. Aanwijzingen voor het gebruik van deze vaste telefoonlijn door andere mannelijke personen dan de verdachte zijn het hof niet gebleken. Evenmin zijn die aanwijzingen het hof gebleken ten aanzien van de aan de verdachte toegeschreven mobiele telefoonnummers. Aan de algemene stelling dat telefoons kunnen zijn uitgeleend zal het hof dan ook voorbijgaan. De verdachte was dus de gebruiker van de drie hiervoor genoemde telefoonnummers.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.
MDMA geproduceerd?
De raadsman heeft - kort gezegd - aangevoerd dat er nog niet geproduceerd was, nu er geen eindproduct is aangetroffen. Het hof begrijpt dat de raadsman daarmee betwist dat sprake is geweest van vervaardigen zoals bij feit 1 aan de verdachte is tenlastegelegd.
Op 31 januari 2017 werd in een loods gelegen aan de [adres 2] een in werking zijnde laboratorium (hierna ook genoemd: ‘lab’) voor het vervaardigen van MDMA aangetroffen. Uit het dossier volgt dat - voorafgaand aan de inval - twee personen in voornoemde loods druk doende waren met het productieproces.
Door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen van de politie (LFO) en het NFI zijn de in de loods aangetroffen chemicaliën bemonsterd en getest. Het hof stelt vast dat uit aanvullend proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdinspecteur van politie tevens senior LFO-expert, van 11 december 2018 in combinatie met het rapport van het NFI van 20 februari 2017 volgt dat er in ruimte L4 twee monsters zijn genomen: één uit een rvs drukreactieketel en één uit een rvs kookketel die onderdeel uitmaakte van een destillatie-opstelling. In beide monsters is een zeer lage concentratie MDMA in methanol aangetroffen. In het aanvullende rapport van het NFI van 18 oktober 2022 wordt bevestigd dat sprake was van een productieproces van MDMA in de loods in Eindhoven, maar dat klaarblijkelijk de reductie van het imine-tussenproduct niet of nauwelijks was gelukt gezien de lage aangetroffen concentratie MDMA in de vloeistoffen.
Het hof neemt de conclusies van de LFO en NFI over. Reeds op basis daarvan komt het hof tot de conclusie dat ook feitelijk sprake is geweest van het bereiden en vervaardigen van MDMA in de door het hof bewezenverklaarde periode. Dat (slechts) een lage concentratie MDMA is aangetroffen, maakt dit niet anders.
De stelling dat dit nog geen gebruiksklaar product betreft, maakt dit evenmin anders. Het middel MDMA, in welke vorm dan ook, is immers vermeld op lijst I bij de Opiumwet en het vervaardigen daarvan is strafbaar gesteld in artikel 2 van de Opiumwet. Het kan - ook gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd - niet anders dan dat de aangetroffen MDMA eerst nadat de vaten zijn verhuisd naar de loods in aan de [adres 2] is bereid en vervaardigd en dus in de bewezenverklaarde pleegperiode. Het hof verwerpt het verweer.
Ten slotte overweegt het hof dat reeds de aanwezigheid van het in werking zijnde laboratorium zoals blijkend uit het proces-verbaal bevindingen (pagina’s 2028-2033) en drugsonderzoek aan materialen (pagina’s 2042-2047) bewezenverklaring van vervaardigen in de hier bedoelde zin draagt. Ook hierom faalt het verweer.
Medeplegen.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van een verdachte moet van voldoende gewicht zijn. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal wel moeten gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het hof stelt vast dat de verdachte zelf niet is waargenomen in of nabij de loods waar de MDMA werd vervaardigd. Verdachte heeft aan deze productie echter wel een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Gelet op de inhoud van de tapgesprekken en observaties zoals in de bewijsbijlage vermeld en in onderlinge samenhang beschouwd, kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Al deze verdachten hadden een belangrijke en onmisbare rol bij de vervaardiging van MDMA in de loods aan de [adres 2] . Voor de verdachte geldt dat er weliswaar geen bewijs is dat hij uitvoeringshandelingen heeft verricht, maar op basis van het dossier staat – zoals hierna ook bij de beoordeling van feit 5 nog nader wordt toegelicht – wel voldoende vast dat de verdachte een sturende en leidende rol had bij de totstandkoming van het laboratorium. Hij zorgde er, door inschakeling van de diverse medeverdachten, uiteindelijk voor dat er MDMA kon worden vervaardigd in de loods. De verdachte heeft hiermee een dermate grote en cruciale rol in de voorbereiding gehad dat daarmee zijn bijdrage aan de productie van voldoende gewicht is.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Pleegperiode.
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte tezamen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en vervaardigen van MDMA in in ieder geval de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2.
Medeplegen.
In aanvulling op hetgeen het hof heeft overwogen over het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van het vervaardigen van MDMA in de loods aan de [adres 2] , overweegt het hof ten aanzien van feit 2 nog als volgt.
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Uit de aangehaalde tapgesprekken en observaties blijkt dat de verdachten onmiskenbaar intensief hebben samengewerkt en allen nauw betrokken waren bij de voorbereidingshandelingen van het vervaardigen van MDMA. De medeverdachten hadden veelvuldig (telefonisch) contact met de verdachte en elkaar, waarbij - onder meer - werd besproken dat er spullen van de ene locatie naar de andere moesten worden vervoerd, bakwagens moesten worden gehuurd, diepvriezers geregeld, et cetera.
Alle verdachten hadden een belangrijke en onmisbare rol bij de totstandkoming van het laboratorium aan de [adres 2] . Dat de verdachte zelf niet in voornoemd laboratorium is geweest of met spullen heeft gesjouwd, doet niet af aan zijn rol en betrokkenheid. De verdachte heeft een sturende rol gehad in het geheel en heeft opdrachten gegeven aan de medeverdachten teneinde de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen te realiseren. Zo werd de verdachte op 15 december 2016 gewaarschuwd over spullen die “
uit de loods moesten waar de ketel stond” (bedoeld wordt het verhuurbedrijf voor opslagboxen aan [adres 3] ), waarna hij op allerlei manieren direct een bakwagen probeerde te regelen. Een dag later stuurde de verdachte de verhuizing van spullen vanaf [adres 3] naar de loods aan de [adres 2] aan. De verdachte had die dag (16 december 2016) veelvuldig contact met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die de verhuizing verrichtten. Anders dan de verdediging ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de herkenningen van de verbalisanten tijdens de observaties van de verdachte op 15 december 2016 als bijrijder in de Mercedes met kenteken [kenteken 2] en op 16 december 2016 als bijrijder in de Astra met kenteken [kenteken 3] . Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 28 juni 2022, volgt dat het onderzoeksteam een informatieset had opgemaakt voor het observatieteam, met daarin een foto van de verdachte, afkomstig van de hem betreffende Informatiestaat SKDB van 5 februari 2015. Uit voornoemd proces-verbaal volgt dat de herkenningen van de verdachte door het observatieteam werden gedaan aan de hand van die foto en dat de verdachte bovendien al jaren een subject is geweest in meerdere onderzoeken, waardoor de verdachte al goed bekend was bij de leden van de observatieteams. Nu de verbalisanten ambtshalve bekend waren met de verdachte en de door hun gedane herkenningen berusten op een vergelijking met een duidelijke foto van de verdachte, concludeert het hof dat de positieve herkenningen van de verdachte voldoende betrouwbaar zijn te achten om voor het bewijs te worden gebruikt. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat de verdachte als gevolg van een dwarslaesie in een rolstoel zit en ook is herkend tijdens een observatie terwijl hij door medeverdachte [medeverdachte 1] in een rolstoel werd getild waarna zij gezamenlijk hun weg vervolgden.
Verder vroeg de verdachte op 9 januari 2017 aan [medeverdachte 4] , die op dat moment in de loods aan de [adres 2] was, hoe lang hij nog bezig was en werd de verdachte regelmatig door een van de medeverdachten gebeld zodra deze klaar waren in de loods, bijvoorbeeld op 18 en 24 januari 2017. Het hof leidt dit alles af uit tapgesprekken en observatieverslagen en al hetgeen blijkens deze gesprekken en verslagen op de genoemde data is beluisterd en waargenomen.
De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, op zichzelf en in hun onderlinge samenhang bezien, vragen om een verklaring van de zijde van de verdachte. De verdachte heeft zich echter steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Bij het uitblijven van een de redengevendheid van deze feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring van de verdachte houdt het hof het er voor dat de verdachte een belangrijke, sturende rol heeft gespeeld bij de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Versluierd taalgebruik.
In de opgenomen tapgesprekken werd veelvuldig gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik.
Het dossier bevat vanaf 8 januari 2017 bijvoorbeeld gesprekken waarin wordt gesproken van tv’s/televisies. Het onderzoeksteam relateert dat uit onderzoek is gebleken dat hiermee zeer waarschijnlijk diepvriezers bedoeld werden. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat met tv’s/televisies inderdaad diepvriezers bedoeld werden. De juistheid van deze uitleg wordt bevestigd door de in dit vonnis gebezigde bewijsmiddelen, immers:
- wordt er gesproken over afmetingen van de tv’s, “
iets van 160”;
- heeft [medeverdachte 6] de afmetingen aan zijn broer doorgegeven, die is gaan meten en “
het kon
wel”;
- worden een aantal dagen later vanuit de [adres 4] , waar de vriendin van
de broer van [medeverdachte 6] woont, vijf diepvriezers in een vrachtwagen geladen die uiteindelijk
de loods aan de [adres 2] binnen gaat;
- zijn in voornoemde loods vier diepvriezers aangetroffen.
De verdachten ten slotte hebben geen enkele andere uitleg gegeven voor de tapgesprekken over de tv’s/televisies.
Pleegperiode.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte aantoonbaar vanaf 11 november 2016 met medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bezig is geweest met voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van MDMA in de loods aan de [adres 2] . Het hof verwijst hiervoor naar de bewijsbijlage en met name naar de verklaring van [getuige] , die aangeeft dat hij de loods vanaf begin oktober 2016 heeft onderverhuurd aan een man die zich [roepnaam] noemde (
de roepnaam van medeverdachte [medeverdachte 4] is [roepnaam] : toevoeging hof) en naar tapgesprekken van 11 november 2016 over “
zout” dat op is.
Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in de woning van de verdachte een briefje is aangetroffen met daarop, zo is het hof in de gegeven omstandigheden van oordeel, een overzicht over hoeveelheden en kosten voor onder andere “
zout” en dat dat gelet op de prijs vermoedelijk zoutzuur betreft. Zoutzuur is ook aangetroffen in de loods aan de [adres 2] en komt in beeld bij de kristallisatie van MDMA. Op grond hiervan en bij gebreke van een verklaring van de verdachte over deze onderzoeksbevindingen, neemt het hof aan dat het gesprek van 11 november 2016 over zoutzuur ging en dat de verdachte op dat moment al bezig was met het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van MDMA.
Het hof acht ten aanzien van de verdachte de gehele tenlastegelegde periode bewezen.
Voorhanden voorwerpen en stoffen.
Het hof is van oordeel dat uit het dossier, meer specifiek de bevindingen van het LFO, niet blijkt dat de laboratoriumopstelling ook geschikt was voor de productie van methamfetamine en/of amfetamine. De verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.
Daarnaast zal de verdachte partieel worden vrijgesproken voor wat betreft de tenlastegelegde hoeveelheid PMK. Het hof is van oordeel dat enkel de 160 liter PMK in de loods aan de [adres 2] (mede) aan de verdachte kan worden toegerekend. De 120 liter PMK die in de garagebox achter de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] in Helmond is aangetroffen kan niet, ook niet in de medepleegvariant, aan de verdachte worden toegerekend. Enige directe link naar de verdachte ontbreekt immers en er is ook geen verband vast te stellen tussen de PMK die in deze garagebox is aangetroffen en de PMK die in deze loods is aangetroffen.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5.
Criminele organisatie.
De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan – kort gezegd – een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet.
Juridisch kader.
Onder een organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet (dat aanhaakt bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet vereist dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te zijn/blijven. Toepassing van geweld of dreiging met geweld is voor het bewijs geen factor van doorslaggevend belang. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en onder een gemeenschappelijke naam of gemeenschappelijk optreden tegenover derden zijn ook niet vereist. Niettemin kunnen gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gemeenschappelijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen c.q. handhaving van die hiërarchie door middel van geweld of dreiging met geweld wel sterke aanwijzingen opleveren voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.
Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet, zoals is tenlastegelegd. Het moet dus gaan om (de voorbereiding van) productie van Opiumwetmiddelen.
Van het oogmerk van de organisatie moet worden onderscheiden het oogmerk van de deelnemer. Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf. Niet is nodig enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde, laat staan gepleegde, concrete misdrijven, ook niet als het gaat om misdrijven van verschillende aard. Voor deelnemen is bovendien nodig dat men behoort tot de organisatie en dat de deelnemer betrokken is geweest (een aandeel hebben in dan wel ondersteunen) bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en evenmin dat deze persoon in structurele zin gedragingen als hiervoor bedoeld heeft gepleegd c.q. daarbij betrokken is geweest.
De verdachten en hun onderlinge verhoudingen c.q. samenwerking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich bezig hielden met criminele activiteiten met betrekking tot (de opbouw en inrichting van) het MDMA-laboratorium in de loods aan de [adres 2] . Het hof baseert zijn oordeel met name op observaties, OVC-gesprekken en analyses van afgeluisterd telefoon- en sms-verkeer.
Gebleken is dat de desbetreffende loods aan de [adres 2] per oktober 2016 is onderverhuurd aan een persoon die zich heeft voorgesteld als “
[roepnaam]”. Op 16 december 2016 zijn spullen overgebracht vanaf het adres van het verhuurbedrijf voor opslagboxen, [adres 3] , naar de loods aan de [adres 2] . Het overbrengen van spullen vond plaats nadat de politie bij de eigenaar van het verhuurbedrijf had geïnformeerd naar de huurders van de opslagboxen. Uit de sms-gesprekken komt naar voren dat de verdachte zodra hij van [betrokkene 2] hierover verneemt direct actie onderneemt en vervoer gaat regelen om de spullen zo snel mogelijk uit de opslagboxen te laten ophalen. De verdachte belt hierover onder andere met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] en schakelt [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in voor het huren van automaterieel om de spullen zo snel mogelijk te vervoeren naar de loods aan de [adres 2] . In deze loods wordt op 31 januari 2017 een in werking zijnde laboratorium voor het vervaardigen van MDMA aangetroffen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte meerdere keren contact heeft met andere betrokkenen. De verdachte heeft veelvuldig contact met [medeverdachte 4] . Op 11 november 2016 belt [medeverdachte 4] met de verdachte over het ontbreken van zout. In de context bezien met de overige bewijsmiddelen wordt hiermee kennelijk gedoeld op zoutzuur, een middel dat gebruikt wordt bij het vervaardigingsproces van synthetische drugs. [medeverdachte 4] raadpleegt het internet voor informatie over het vervaardigen van synthetische drugs. [medeverdachte 4] is betrokken bij het regelen van diepvriezers. Een viertal diepvriezers (merk Zanussi) is later in de desbetreffende loods aan de [adres 2] aangetroffen. Bij het vervoer van diepvriezers wordt later opnieuw [medeverdachte 1] ingeschakeld. [medeverdachte 4] kwam meerdere keren in de loods en hij beschikte over een sleutel tot de loods. In de garagebox die in gebruik is bij [medeverdachte 4] is op 31 januari 2017 belastend materiaal aangetroffen verband houdende met synthetische drugs.
De verdachte heeft contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] is betrokken bij het vervoer van ‘de tv’s’, waarmee diepvriezers worden bedoeld. [medeverdachte 6] is betrokken bij het vervoer van de rode gasflessen, waarvan gelijke exemplaren worden aangetroffen in de loods aan de [adres 2] , terwijl de aanwezigheid van deze gasflessen in de loods ook past bij het gebruik ten behoeve van het vervaardigingsproces van MDMA.
Verder heeft de verdachte meerdere malen contact met [medeverdachte 2] , die veelvuldig auto’s heeft gehuurd en daarmee ook bij de woning van de verdachte en bij de loods aan de [adres 2] is gesignaleerd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachte 3] vanaf 8 januari 2017 betrokken is bij de activiteiten in de loods aan de [adres 2] . [medeverdachte 3] is in de loods aan de [adres 2] aanwezig als de politie op 31 januari 2017 binnenvalt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij dan al urenlang in de loods aanwezig is en actief is.
Leidende rol van verdachte.
Uit met name de tapgesprekken en het sms-verkeer volgt dat de verdachte vanaf 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 een sturende en leidende rol vervulde in het samenwerkingsverband. De verdachte was de persoon die bepaalde dat de spullen moesten worden verhuisd van Gemert naar de loods in Eindhoven. De verdachte beschikte over een netwerk aan personen dat werd ingeschakeld om zorg te dragen voor dit transport en vervoer. Aan die opdracht werd uitvoering gegeven. Bij het ophalen van de rode gasflessen heeft de verdachte evenzeer een bepalende stem gehad. De verdachte heeft op meerdere momenten instructies gegeven over hoe te handelen en aan de instructies werd gevolg gegeven. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aantoonbaar op verschillende momenten essentiële, ondersteunende werkzaamheden verricht bij de opbouw van het laboratorium. [medeverdachte 3] is op 31 januari 2017 aangetroffen als laborant in het draaiend laboratorium. De verdachte is daarom aan te merken als de leidinggevende en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als de overige deelnemers van de organisatie. Tegenover de bevindingen en vaststellingen omtrent ieders betrokkenheid zoals hiervoor aangegeven heeft geen van de verdachten een (inhoudelijke) verklaring gesteld die aannemelijk maakt dat ieders betrokkenheid in een ander perspectief moet worden geplaatst, dan dat van een samenwerking bij de opbouw, de inrichting en het daadwerkelijk functioneren van een laboratorium om MDMA te vervaardigen.
Organisatie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur bestaande uit meerdere personen, dat dit samenwerkingsverband het laboratorium aan de [adres 2] heeft opgebouwd en ingericht om synthetische drugs (MDMA) te kunnen vervaardigen, terwijl dat laboratorium ook daadwerkelijk in bedrijf is geweest. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, blijkt dat het hier een goed functionerende organisatie betrof, waarbij de samenwerking, hoewel niet telkens tussen alle verdachten onderling, niet incidenteel is geweest.
Oogmerk organisatie.
Uit de bewijsmiddelen kan tevens worden opgemaakt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het produceren van synthetische drugs in het laboratorium en de voorbereiding daarvan. Er is sprake van een professioneel ingericht laboratorium dat een productiefaciliteit betreft. Het is een feit van algemene bekendheid dat een laboratorium de mogelijkheid in het leven roept om meerdere keren synthetische drugs te vervaardigen; dat is het wezen van een productiefaciliteit. De inrichting van het laboratorium met vier grote diepvriezers en een zeer grote hoeveelheid grondstoffen levert een onmiskenbare aanwijzing op dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het meermalen produceren van synthetische drugs.
Deelneming.
Ten aanzien van elk van de voornoemde verdachten kan worden vastgesteld dat hij behoorde tot de organisatie, dat hij betrokken is geweest bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie door daar een direct aandeel in te hebben en dat hij wist dat hij deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat voornoemd oogmerk had.
Conclusie.
Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige duurzaamheid en structuur, dat sprake was van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Pleegperiode.
Voor wat betreft de aanvangsdatum van de pleegperiode sluit het hof aan bij hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de aanvangsdatum van de voorbereidingshandelingen. Het hof is van oordeel dat de verdachte aantoonbaar vanaf 11 november 2016 betrokken is geweest bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie.
Voor het overige vinden de gevoerde bewijsverweren reeds hun weerlegging in de bewijsmiddelen. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid daarvan te twijfelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod

in eendaadse samenloop gepleegd met het onder feit 2 bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht. Daartoe heeft de raadsman aan het hof verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de schending van artikel 6 EVRM en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, nu de verdachte wegens zijn gezondheidssituatie niet detentiegeschikt is. De verdachte zit al geruime tijd uit anderen hoofde gedetineerd en zijn medische toestand is dermate verslechterd door die detentieperiode. Volgens de verdediging zijn er onvoldoende mogelijkheden in detentie om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft. Daarnaast dient het hof rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Strafvermindering wegens vormverzuim?
Voor zover door de verdediging een beroep is gedaan op strafvermindering vanwege het kwijtraken van camerabeelden, OVC-gesprekken en peilbakengegevens heeft te gelden dat strafvermindering slechts in aanmerking komt, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het hof van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, waardoor geen uitvoering gegeven kon worden aan de opdracht van het hof om gegevensdragers aan de verdediging te verstrekken. Het hof is echter – gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen met betrekking tot de verweren strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en bewijsuitsluiting – van oordeel dat sprake is van een vormverzuim van geringe ernst. Daarbij weegt het hof mee dat de zoekgeraakte gegevensdragers zeer beperkt betrekking hebben op de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en dat de gegevens overigens in voldoende mate worden ondersteund door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, waaronder de tapgesprekken en de door de politie gedane observaties. Het hof is onvoldoende gebleken dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft geleden door dit vormverzuim. Evenmin is het hof gebleken dat dit vormverzuim het voeren van de verdediging ernstig heeft bemoeilijkt. Immers zijn de gegevens, voordat zij door de politie en het Openbaar Ministerie zijn zoekgeraakt, door de verbalisanten uitgewerkt in de daarop toegesneden processen-verbaal.
Het hof volstaat derhalve met de constatering van een vormverzuim en verwerpt het verweer.
Op te leggen straf
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij gedurende een periode van ongeveer tweeëneenhalve maand heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetdelicten. De verdachte trad op als de leider van de organisatie en verrichtte de coördinatie van de uitvoeringshandelingen. Daarbij onderhield de verdachte veelvuldig contact met de andere mededaders en was de verdachte de persoon die beschikte over een netwerk aan personen dat werd ingeschakeld om zorg te dragen voor de opbouw van de drugslab in Eindhoven en het vervaardigen van MDMA. De verdachte heeft op meerdere momenten instructies gegeven over hoe te handelen en aan de instructies werd gevolg gegeven. Zelfs het feit dat de verdachte gedurende voornoemde tweeënhalve maand enige tijd in het ziekenhuis lag, weerhield hem er niet van door te gaan met zijn criminele activiteiten. Op 31 januari 2017 werd in die loods door de politie een in werking zijnde laboratorium voor het vervaardigen van MDMA aangetroffen. Met zijn gedragingen heeft de verdachte bijgedragen aan de voorbereidingen van deze productielocatie en was hij een essentiële schakel in het geheel. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De uiteindelijke vervaardiging van synthetische drugs brengt ernstige gevaren met zich. Zo bestaat er gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Bovendien is algemeen bekend dat de productie en handel van drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit, milieuschade en nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor drugsgebruikers. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan. Het hof merkt op dat het voorgaande ook de reden is dat er op deelname aan een criminele organisatie en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs strenge straffen staan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het langer geleden (2009 en 2003), onherroepelijk is veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meermaals van toepassing is.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies van 25 november 2025 omtrent de persoon van de verdachte. Daarin is gerapporteerd dat de verdachte bij een auto-ongeval in 2000 een dwarslaesie heeft opgelopen als gevolg waarvan hij nog steeds veel medische complicaties ondervindt. Het hof heeft in een eerder stadium aan de Reclassering de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden voor elektronisch arrest. Volgens de Reclassering is huisarrest wettelijk (nog) niet geregeld waardoor elektronische monitoring in de vorm van thuisdetentie niet mogelijk is. De Reclassering kan hier ook geen toezicht op houden. Daarnaast is geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen, nu de reclassering in dit stadium – gelet op de huidige medische gesteldheid van de verdachte – geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Het hof acht zich met dit reclasseringsadvies voldoende voorgelicht. Voor zover reeds zou moeten worden geoordeeld dat met dit reclasseringsadvies niet of niet geheel is voldaan aan de door het hof gegeven opdracht tot rapportage, trekt het hof die opdracht daarom in.
Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij in een rolstoel zit wegens een dwarslaesie en momenteel niet de benodigde zorg krijgt in detentie. De verdachte heeft na zijn eerste detentie in Scheveningen al een operatie gehad waarbij zijn eigen huid is gebruikt om de doorligplekken te verhelpen, die door de detentie te groot waren geworden. Inmiddels is er zich een nieuwe doorligplek aan het ontwikkelen, maar de verdachte heeft geen huid meer over om nog een operatie uit te voeren. Daarnaast was hij recentelijk met spoed opgenomen in het ziekenhuis met hoge koorts en andere medische klachten, alwaar hij te horen had gekregen dat zijn benen mogelijk geamputeerd moesten worden indien de antibiotica niet zou aanslaan. Volgens de verdachte is zijn detentie de oorzaak van zijn verslechterde medische gesteldheid.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op andere stukken omtrent de persoonlijke en medische situatie van de verdachte, waaronder:
Een door “Forensisch Maatschappelijk werk” opgestelde voorlichtingsrapport d.d. 10 mei 2017, opgemaakt door A.A.M. Koot;
Een rapport opgemaakt door de aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (
hierna: DJI) verbonden arts en medisch adviseur M. Westra d.d. 18 oktober 2024;
De door de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep ingebrachte medische stukken van de verdachte;
Aanvullende rapporten ter beoordeling van de detentie(on)geschiktheid van de verdachte, opgemaakt door de aan de DJI verbonden arts en medisch adviseur D.D. van Adrichem d.d. 10 oktober 2025 en 26 november 2025.
De verdachte is al geruime tijd uit hoofde van een andere strafzaak van zijn vrijheid beroofd. Ondertussen is op verschillende momenten de detentiegeschiktheid van de verdachte beoordeeld. In een rapport van de DJI d.d. 18 oktober 2024 heeft de medische adviseur M. Westra de verdachte detentiegeschikt geacht. Op 10 oktober 2025 heeft arts en medisch adviseur DJI, D.D. van Adrichem, gerapporteerd over de situatie van de verdachte op dat moment. Ook Van Adrichem acht de verdachte detentiegeschikt. Hierna heeft de verdediging diverse medische stukken in het geding gebracht, waaruit zou volgen dat de medische situatie van de verdachte in korte tijd aanzienlijk is verslechterd Voornoemde D.D. van Adrichem, heeft vervolgens op 26 november 2025 aanvullend gerapporteerd en gereageerd op deze door de verdediging verstrekte medische stukken. In het meest recente rapport concludeert Van Adrichem dat er bij de verdachte nog altijd sprake is van een complexe gezondheidssituatie en dat de medische dienst van JC Schiphol uitgebreid betrokken is bij de behandeling en in nauw contact staat met de ziekenhuisspecialisten. Er speelt er op dit moment geen zorgvraag welke niet in- of vanuit detentie geboden kan worden. Om die reden acht de medisch adviseur betrokkene detentiegeschikt. Indien er in de toekomst zorgen zijn over de geboden zorg, kan overplaatsing naar het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg worden overwogen. Ook kan er laagdrempelig worden overlegd met de medisch adviseur indien er vragen zijn over de te regelen zorg, of bijvoorbeeld een strafonderbreking indien zorg niet vanuit detentie geboden kan worden.
Het hof acht zich op basis van de thans voorhanden stukken volledig ingelicht over de gezondheidstoestand van de verdachte en de zorg die binnen in detentie aan hem geboden kan worden. Anders dan de verdediging, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de door de DJI opgestelde rapporten omtrent de detentiegeschiktheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof zijn deze op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en zijn de conclusies van de rapporten voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Het hof merkt daarbij op dat de medische adviseur in het meest recente rapport van 26 november 2025 ook de door de verdediging naar voren gebrachte gewijzigde medische situatie in zijn conclusie heeft meegewogen. Het hof neemt deze conclusies over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd leidt het hof niet tot een ander oordeel.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Uit een oogpunt van afschrikking en vergelding acht het hof dan ook een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats. Het hof ziet daarbij geen grond om te volstaan met door de verdediging bepleite strafafdoeningen, omdat een dergelijke strafoplegging – voor zover al mogelijk – onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Het hof ziet wel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de verdachte, gelet op zijn medische situatie als zwaarder zal worden ervaren dan door een gemiddelde andere verdachte. Het hof houdt ten gunste van de verdachte met die omstandigheid rekening bij de strafoplegging.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Namens de verdachte is op 1 februari 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op
18 december 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 4 jaren en 10 maanden overschreden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdediging is te wijten. In eerste aanleg is overigens geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Zoals hiervoor is overwogen zou zonder overschrijding van de redelijke termijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden zijn geweest. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Voor een grotere matiging zoals door de verdediging bepleit ziet het hof geen grond.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 18 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.