ECLI:NL:GHSHE:2025:3705

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/350
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27a IW 1990Art. 29 IW 1990Art. 31 IW 1990Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingskorting voorlopige aanslag IB/PVV 2020: geen recht op hoger bedrag dan wettelijk vastgesteld

Belanghebbende betaalde de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 ineens en kreeg een betalingskorting van €445 toegekend. Na correctie door de Belastingdienst werd een aanvullende teruggaaf van €443 gedaan, waarmee het totaal overeenkomt met de wettelijk berekende korting.

Belanghebbende stelde dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel recht had op een hogere korting van €1.712,76, mede vanwege onvolledige informatie van de Belastingdienst. Het hof oordeelde dat de betalingskorting correct was berekend volgens artikel 27a Invorderingswet 1990 en dat de communicatie van de Belastingdienst algemene voorlichting betrof, waaruit geen toezegging kon worden afgeleid.

Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en stelde dat belanghebbende zijn standpunt niet in redelijkheid kon bepleiten. Ook werd geoordeeld dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet waren geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere betalingskorting dan de wettelijk berekende €445 en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/350
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2024, nummer BRE 22/5820, in het geding tussen belanghebbende en
de ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De ontvanger heeft aan belanghebbende, bij de betaling van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020 met een te
betalen bedrag van € 42.821, een betalingskorting van in totaal € 445 toegekend (de
betalingskorting).
1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de kennelijk niet-ontvankelijk
verklaring van zijn bezwaar tegen de vaststelling van de betalingskorting.
1.3.
De ontvanger heeft daarna het bezwaar van belanghebbende, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank [1] , alsnog ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Met dagtekening 23 mei 2020 is de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 bekend gemaakt aan belanghebbende. Het op de voorlopige aanslag vermelde te betalen bedrag bedraagt € 42.821. De voorlopige aanslag IB/PVV 2020 is invorderbaar in zeven termijnen. De eerste termijn vervalt op 23 juni 2020. Op de aanslag staat vermeld dat belanghebbende bij betaling ineens een betalingskorting van € 2 krijgt. Belanghebbende kan alsdan volstaan met het overmaken van € 42.819. Dit bedrag is op 3 juni 2020 door belanghebbende betaald.
2.2.
Bij brief van 17 oktober 2020 met als onderwerp ‘Betalingskorting voorlopige aanslag’ is aan belanghebbende medegedeeld dat het bedrag van de betalingskorting onjuist is berekend. In de brief staat het volgende vermeld (voor zover van belang):
“U hebt in mei 2020 van ons een voorlopige aanslag inkomstenbelasting Zorgverzekeringswet of vennootschapsbelasting 2020 ontvangen. Daarin is de betalingskorting onjuist berekend en te laag vastgesteld. Onze excuses voor het ongemak.
Wat betekent dit voor u?
U hebt betalingskorting gekregen, omdat u het bedrag van de voorlopige aanslag in 1 keer hebt betaald en niet in meerdere termijnen. Deze betalingskorting bedraagt 4% van het bedrag op de aanslag. In uw geval was de betalingskorting onterecht berekend met 0,01%. Dit gaan wij binnenkort rechtzetten.
Herstellen van de betalingskorting
Hoe wij het juiste bedrag aan u uitbetalen, is afhankelijk van uw situatie:
U hebt de voorlopige aanslag betaald, minus de betalingskorting van 0,01%
Er is te weinig betalingskorting berekend. Wij zullen dit herstellen. Binnen 2 weken ontvangt u automatisch het verschil.
U hebt de voorlopige aanslag betaald, zonder aftrek van de betalingskorting
U hoeft niets te doen. Binnen 2 weken ontvangt u automatisch het juiste bedrag.
U hebt de voorlopige aanslag betaald, minus de betalingskorting van 4%
U hoeft niets te doen. Wij controleren het bedrag aan betalingskorting. Indien nodig wordt het bedrag binnen 2 weken automatisch gecorrigeerd.
In alle situaties voeren wij de correctie automatisch uit. U hoeft geen contact met ons op te nemen of bezwaar te maken om aanspraak te maken op de betalingskorting van 4%.
Hoe is de fout ontstaan?
Het rentepercentage van de betalingskorting is gekoppeld aan het rentepercentage
van de invorderingsrente. Het verlagen van deze rente naar 0,01% is een tijdelijke
kabinetsmaatregel vanwege de coronacrisis. Per abuis is dit verlaagde percentage
al vóór 1 juni toegepast.”.
2.3.
Op 21 oktober 2020 heeft belanghebbende een teruggaaf van € 443 van de Belastingdienst ontvangen als aanvullende betalingskorting voor de betaling van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020.
2.4.
In reactie op een brief van belanghebbende van 30 november 2020 met betrekking tot de berekening van de hoogte van de betalingskorting heeft de klachtbehandelaar van de Belastingdienst belanghebbende per e-mail van 12 januari 2021 als volgt geïnformeerd (voor zover van belang):
“Bij brief van 17 oktober 2020, betalingskorting voorlopige aanslag, heeft de Belastingdienst u laten weten dat de betalingskorting onjuist is berekend en te laag is vastgesteld. In de brief staat 'Deze betalingskorting bedraagt 4% van het bedrag op de aanslag. In uw geval was de betalingskorting onterecht berekend met 0.01%'. De passage met betrekking tot de 4% is helaas niet correct weergegeven in de brief. Tussen de woorden 'het' en 'bedrag' had 'gemiddeld' moeten staan om op een juiste manier aan te sluiten bij de uitleg op de site van de Belastingdienst.”.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende, op grond van het vertrouwensbeginsel, recht heeft op een hoger bedrag aan betalingskorting dan de reeds door de ontvanger verleende betalingskorting van € 443.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en het vaststellen van de betalingskorting voor het bedrag van € 1.712,76. [2] Verder verzoekt belanghebbende de ontvanger te veroordelen in betaling van de wettelijke rente, samengesteld berekend vanaf 15 december 2020 ten aanzien van het bedrag van € 1.712,76, verminderd met het reeds verrekende bedrag van € 2 en het reeds aan belanghebbende betaalde bedrag van 443. Tot slot verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de kosten voor het bezwaar en het (hoger) beroep. De ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 27a Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) luidt als volgt:
“1. Ingeval op een voorlopige aanslag of voorlopige conserverende aanslag in de inkomstenbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld en die een te innen bedrag behelst en invorderbaar is in meer dan een termijn, op de eerste vervaldag ten minste het bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting is betaald, wordt een betalingskorting verleend over het bedrag van de belastingaanslag. De te verlenen betalingskorting wordt berekend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn.
2. (…)
3. De betalingskorting wordt berekend naar het in artikel 29 bedoelde Pro percentage voor in rekening te brengen invorderingsrente dat geldt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn.”.
4.2.
Het hof stelt vast dat de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld met dagtekening 23 mei 2020 en dat belanghebbende de voorlopige aanslag in een keer heeft betaald voor de eerste vervaldatum van 23 juni 2020, zodat hij recht heeft op de betalingskorting van artikel 27a IW 1990.
4.3.
Voor de berekening van het bedrag van de betalingskorting wordt een jaar gesteld op 360 dagen, waarbij iedere volle maand telt als 30 dagen. [3] Hieruit volgt dat het tijdvak voor de berekening van de betalingskorting voor de voorlopige aanslag bestaat uit de 7 resterende dagen van de maand juni 2020, en de daaropvolgende 6 maanden, derhalve totaal 187 dagen. De betalingskorting wordt berekend over de helft van het hiervoor genoemde tijdvak, [4] onder gebruikmaking van het percentage van 4%. [5] De betalingskorting wordt op grond hiervan als volgt berekend: € 42.821 x 4% x (187/360)/2 = (afgerond) € 445. Dit bedrag komt overeen met het door de ontvanger aan belanghebbende verrekende bedrag van € 2, vermeerderd met het aan belanghebbende terugbetaalde bedrag van € 443.
4.4.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de betalingskorting naar het juiste bedrag is berekend. Wat partijen vervolgens verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op een hoger bedrag aan betalingskorting dan reeds door de ontvanger is vastgesteld. Verder stelt belanghebbende dat de ontvanger heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
Heeft de ontvanger gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?
4.5.
Belanghebbende stelt dat de ontvanger in de informatie omtrent de betaling bij de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 van 23 mei 2020 niet heeft vermeld dat de betalingskorting wordt berekend over
de helftvan het relevante tijdvak (zie 4.3). Ook de brief van 17 oktober 2020 (zie 2.2) vermeldt niet dat de betalingskorting wordt berekend over
de helftvan het relevante tijdvak. Deze brief vermeldt wel expliciet het percentage van 4%, aldus belanghebbende. Ook uit de e-mail van 12 januari 2021 meent belanghebbende te kunnen concluderen dat de Belastingdienst zelf van mening is dat een nader element - een gemiddelde - toegepast behoorde te worden op het bedrag verkregen door 4% toe te passen over de aanslag van € 42.821. Nu dat element niet eerder was gemeld aan belanghebbende, stelt hij dat de ontvanger heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.
4.6.
Het hof dient te beoordelen of de ontvanger met zijn brief van 23 mei 2020 en/of 17 oktober 2020 uitlatingen heeft gedaan dan wel gedragingen heeft verricht, die bij belanghebbende het vertrouwen hebben kunnen en mogen wekken dat hij recht heeft op een betalingskorting ter grootte van € 1.712,76. Het hof stelt bij die beoordeling het volgende voorop.
4.7.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de ontvanger een toezegging of andere uitlating is gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de ontvanger in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [6] Het gaat er niet om wat het bestuursorgaan (in casu: de ontvanger) heeft bedoeld, maar hoe de burger het gedrag van het bestuursorgaan of de bevoegde ambtenaar redelijkerwijs kon begrijpen.
4.8.
Verder is vereist dat (een) toezegging of andere uitlating of gedragingen niet zo duidelijk in strijd is respectievelijk zijn met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. De vraag of (een) toezegging of andere uitlating of gedragingen van een bestuursorgaan zo duidelijk in strijd is respectievelijk zijn met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming ervan redelijkerwijs niet mocht rekenen, moet worden beantwoord naar de situatie op het moment dat de toezegging ter kennis van belanghebbende is gebracht dan wel belanghebbende kennis heeft genomen van de andere uitlating of de gedragingen. Bij de beantwoording van de vraag of een toezegging of andere uitlating of gedragingen van een ontvanger zo duidelijk in strijd is respectievelijk zijn met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming ervan redelijkerwijs niet mocht rekenen, is van belang of belanghebbende zijn standpunt in redelijkheid niet kon bepleiten. [7]
4.9.
Het hof stelt voorop dat informatie die dient ter voorlichting en van algemene aard is, niet kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijke standpuntbepaling van de ontvanger waar vertrouwen aan kan worden ontleend. In het onderhavige geval gaat het om een voor algemeen gebruik opgestelde brief waarin voorlichting wordt gegeven in verband met het herstel van het gebruik van een onjuist percentage bij de berekening van het bedrag van de betalingskorting. De brief van 17 oktober 2020 is weliswaar gericht aan belanghebbende, maar bevat overigens enkel algemene informatie, gericht op een grote groep belastingplichtigen. Met het oog op het belang dat de Belastingdienst zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, moet worden aanvaard dat onjuiste voorlichting door de Belastingdienst in de regel niet voor diens rekening komt. De ontvanger is dan ook in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen. [8]
4.10.
Mocht over het voorgaande anders moeten worden geoordeeld, dan geldt het volgende. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt met betrekking tot het vertrouwensbeginsel. Hoewel het hof in de tekst van de brief van 17 oktober 2020 niet expliciet de berekening van het bedrag van de betalingskorting leest, heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof hieruit redelijkerwijs niet kunnen begrijpen dat hij recht zou hebben op een bedrag aan betalingskorting ter grootte van 4% van het bedrag van de voorlopige aanslag. Het enkel vermelden van het percentage van 4% in combinatie met het bedrag van de voorlopige aanslag behelst geen toezegging of uitlating van de ontvanger hoe deze in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Hierbij neemt het hof voorts in aanmerking dat belanghebbende (die zelf nauwkeurige berekeningen maakt van het bedrag aan korting dat hij verdedigt) had kunnen begrijpen dat de eerder onjuist toegekende betalingskorting ter grootte van € 2 niet het resultaat is van 0,01% van de het bedrag van de voorlopige aangifte IB/PVV 2020. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat belanghebbende zijn standpunt in redelijkheid niet kan bepleiten, zodat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Heeft de ontvanger gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel?
4.11.
Belanghebbende stelt dat de ontvanger het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden door in de brieven van 23 mei 2020 en 17 oktober 2020 niet de volledige berekening van de betalingskorting te vermelden.
4.12.
De rechtbank heeft over dit geschilpunt als volgt geoordeeld:
“4.6. Belanghebbende stelt verder dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zijn geschonden, omdat een specificatie van de betalingskorting zowel in de betaalinformatie bij de voorlopige aanslag als in de brief van 17 oktober 2020 ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de toegepaste betalingskorting en de berekeningswijze overeenkomstig de wettelijke regeling, in aanloop naar de herziene uitspraak op bezwaar en in de bezwaarfase aan belanghebbende heeft toegelicht. Uit de uitspraak op bezwaar volgt in dit geval voldoende duidelijk op grond waarvan de ontvanger tot zijn beslissing is gekomen. Dat belanghebbende zich niet kan vinden in de beslissing van de ontvanger, betekent niet dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd of dat de ontvanger onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel daarom niet geschonden”.
4.13.
Het hof stelt voorop dat een motiveringsgebrek, dan wel een zorgvuldigheidsgebrek in de regel niet kan leiden tot vernietiging van de aanslag. [9] Dit geldt naar het oordeel van het hof ook voor het toekennen van een bedrag aan betalingskorting, hoger dan het bedrag zoals dat voortvloeit uit de wettelijke voorschriften. Voor het overige is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het hof maakt deze beslissing en de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, A.M. van Amsterdam en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.4% van het bedrag van de voorlopige aanslag ter grootte van € 42.821.
3.Artikel 31 Uitvoeringsrekening Pro Invorderingswet 1990.
4.Artikel 27a, lid 1, tweede volzin, IW 1990.
5.Artikel 29 IW Pro 1990 (tekst zoals deze gold van 1 januari 2014 tot 23 juni 2020).
6.Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
7.Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3351.
8.Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1206.
9.Zie voor wat betreft het motiveringsgebrek bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 1954, BNB 1954/248, Hoge Raad 26 maart 1980, BNB 1980/161 en Hoge Raad 4 mei 1994, BNB 1994/195. Zie voor wat betreft het zorgvuldigheidsgebrek bijvoorbeeld Hoge Raad 28 oktober 1992, BNB 1993/36 en Hoge Raad 15 september 1993, BNB 1993/316.