ECLI:NL:GHSHE:2025:3736

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
20-003205-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging door verdachte en andere supporters tegen leden van de Mobiele Eenheid en politieagenten voorafgaand aan een voetbalwedstrijd

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte, geboren in 2000, was aangeklaagd voor openlijke geweldpleging in vereniging tegen politieambtenaren tijdens een voetbalwedstrijd tussen NAC Breda en PSV op 9 november 2024. De politierechter had de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde, maar de officier van justitie ging in hoger beroep. Het hof heeft de zaak opnieuw beoordeeld, waarbij het hof de vordering van de advocaat-generaal om het vonnis van de politierechter te vernietigen en de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, heeft overwogen. De verdediging pleitte voor vrijspraak, maar het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk betrokken was bij het geweld tegen de politie. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd en heeft hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partijen, die ook slachtoffer waren van het geweld.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003205-24
Uitspraak : 30 december 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-358046-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde en het tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 1] zijn in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 1] tot een bedrag van € 400,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 1] heeft de raadsman zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Breda, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Haagdijk en/of de Lunetstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer politieambtenaren en/of een of meer schilden van (ME-)politieambtenaren, door
- een of meer blikjes/flesjes drinken/drank te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of tegen een of meer schilden van (ME-)politieambtenaren en/of
- een of meer stenen/harde voorwerpen te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of
- door vuurwerk af te steken en/of te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of door een of meer fakkels aan te steken en/of met fakkels te zwaaien en/of
- een of meer politieambtenaren tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te schoppen en/of te trappen en/of/althans slaande en/of schoppende bewegingen te maken naar een of meer politieambtenaren en/of
- een politieambtenaar tegen het lichaam te duwen en/of de bosjes in te trekken en/of (daarbij) ten val te brengen en/of
- op een of meer politieambtenaren af te rennen en/of (vervolgens) een gevechtshouding aan te nemen en/of
- ( aldus) zich dreigend op te dringen naar/in de richting van een of meer politieambtenaren;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 november 2024 te Breda openlijk, te weten op of aan de Lunetstraat op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren en schilden van ME-politieambtenaren, door:
- stenen te gooien naar politieambtenaren en
- door vuurwerk af te steken en te gooien naar politieambtenaren en door fakkels aan te steken en met fakkels te zwaaien en
- politieambtenaren tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te schoppen en/of te trappen en/of slaande en schoppende bewegingen te maken naar een of meer politieambtenaren en/of
- een politieambtenaar tegen het lichaam te duwen en/of de bosjes in te trekken en/of daarbij ten val te brengen en
- op politieambtenaren af te rennen en vervolgens een gevechtshouding aan te nemen en
- zich dreigend op te dringen in de richting van politieambtenaren.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2024289228, gesloten d.d. 12 november 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie en overige geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-60. Alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 november 2024 (p. 9-10), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1] :
Op 9 november 2024, omstreeks 18.30 uur, was ik belast met toezicht op de voetbalwedstrijd NAC Breda tegen PSV vanuit de functie politieambtenaar in de rol als lid van de Mobiele Eenheid. Tijdens de inzet zag ik dat collega [aangever 2] in de bossage werd geduwd door meerdere personen. Toen ik hem wilde helpen voelde ik dat ik vastgepakt werd en zag een persoon voor mij staan. Ik zag dat deze persoon een zwarte trui met capuchon aan had. Ik zag dat er een wit logo op de trui stond aan de linkerkant van de borst stond. Ik zag dat deze persoon een aantal slaande bewegingen richting mij maakte ter hoogte van mijn bovenlichaam.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 november 2024 (p. 12-13), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2] :
Op 9 november 2024, omstreeks 18.30 uur, was ik belast met toezicht op de voetbalwedstrijd NAC Breda tegen PSV. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend kon voor letsel zorgen. Een manspersoon hield mijn schild vast.
Tegelijkertijd liep er iemand tegen mij en of hield mij vast, waardoor ik achterover in de bosschages viel.
Ook werd ik belaagd met grote dakpannen waarvan er één minstens 15 kilogram woog.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2024 (p. 15-17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [aangever 2] en [aangever 1] :
Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 18:30 waren wij verbalisanten [aangever 2] en [aangever 1] , belast met toezicht op de voetbalwedstrijd NAC Breda tegen PSV.
In het kader van deze wedstrijd waren wij op genoemde dag, datum en tijdstip, doende om een groep NAC-supporters in te boxen op de Lunetstraat in Breda.
Net nadat wij dit doorgegeven hadden, zagen wij, [aangever 1] en [aangever 2] , dat tientallen personen in de groep hen gezicht naar ons keerde en een gevechtshouding aannamen.
Wij zagen dat tientallen personen in de groep om hem heen stonden in gevechtshouding richting ons.
Wij zagen dat de groep op enig moment op ons afgerend kwam en viel ons direct aan. Ik verbalisant [aangever 2] , zag dat de eerder genoemde persoon welke het bier flesje vast had. Mijn schild met twee handen vastpakte en eraan begon te trekken.
Ik probeerde hem vervolgens te slaan met de lange wapenstok zodat hij het schild los zou laten, echter merkte ik dat ik vervolgens ook tegen mijn rechterschouder werd geduwd of vastgepakt en werd zo de bossage in geduwd welke aan links van de trap gelegen was (zijde tunnel). Ik verbalisant [aangever 2] , viel vervolgens achterover de bossage in en had hierdoor geen zicht meer op collega [aangever 1] .
Ik, [aangever 1] , zag dat verbalisant [aangever 2] in de bossage werd geduwd door meerdere personen. Toen ik hem wilde helpen voelde ik dat ik vastgepakt werd en zag een persoon voor mij staan. Ik zag dat deze persoon een zwarte trui met capuchon aan had. Ik zag dat er een wit logo op de trui stond aan de linkerkant van de borst. Ik voelde dat deze persoon mij richting de bossage duwde, waar wij vervolgens samen invielen. Ik zag dat deze persoon een aantal slaande bewegingen richting mij maakte ter hoogte van mijn bovenlichaam.
Wij zagen dat de personen weer terug op ons afgerend kwamen en een gevechtshouding aannamen.
Wij zagen vervolgens dat deze personen dakpannen van de Spoorbaanstraat pakte, die daar opgeslagen lagen. Wij zagen dat deze personen hiermee in onze richting gooide. Ik verbalisant [aangever 2] , heb meerdere stukken van dakpannen dan wel stenen tegen mijn schild en helm gegooid gekregen. Ik verbalisant [aangever 1] , kreeg minstens één grote steen tegen mijn schild gegooid. De afstand tussen ons en de groep aanvallers was ongeveer 5 tot 10 meter. De groep kwam nog enkele keren terug in gevechtshouding en waren uit op de confrontatie.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2024 (p. 19-20), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 18.15 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met [verbalisant 2] , belast met een dienst als lid van de aanhoudingseenheid in District de Baronie.
Wij zagen dat er een groep van ongeveer 200 man, over de Lunetstraat, in de richting van het NAC stadion liep. Wij hoorden over de ether dat de Mobiele Eenheid de supporters in de tunnelbak aldaar wilden inboxen.
Wij zagen dat er meerdere supporters, welke in het zwart gekleed waren, zich tegen deze leden van de Mobiele Eenheid keerden. Wij zagen dat er meerdere mannen in het zwart gekleed door de linie van de Mobiele Eenheid braken en de trap op rende.
Wij zagen dat er een man, in het zwart gekleed, met zwarte capuchon, meerdere keren een lid van de Mobiele Eenheid sloeg en schopte. Tevens zagen wij dat hij een lid van de Mobiele Eenheid omver, de bossen in duwde. Wij stonden op ongeveer 2 meter van deze man.

Verdachte

Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] .
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2024 (p. 21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Ik nam contact op met de collega van de aanhoudingseenheid [verbalisant 2] . Ik hoorde dat de collega mij het volgende kon verduidelijken:
- De aanhoudingseenheid kwam ter plaatse na de eerste doorbraak welke op beeld te zien is
- Op het moment van aankomst van de doorbraak ziet [verbalisant 2] dat verdachte [verdachte] een lid van de mobiele eenheid een duw of slag geeft. Hierdoor kwam het lid van de mobiele eenheid ten val in de bossen.
- Hierna zag [verbalisant 2] dat verdachte [verdachte] meerdere keren slaat en schopt richting een ander lid van de mobiele eenheid. [verbalisant 2] ziet dat de klappen en trappen met kracht en raak zijn.
- Hierop wordt verdachte [verdachte] direct uit de groep getrokken en aangehouden
- Verdachte [verdachte] is de gehele tijd vanaf de mishandelingen/geweldpleging in het zicht gehouden
Er is met [verbalisant 2] gecontroleerd dat er wordt gesproken over dezelfde verdachte als te zien op beeld.

Verdachte

Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] .
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2024 (p. 23-24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 18:30 uur, was ik verbalisant [verbalisant 4] werkzaam als lid van de Mobiele Eenheid.
Ik zag dat de NAC-supporters mij en de collega's opzochten waarop de lange wapenstok werd ingezet. Ik zag vervolgens dat een grote groep NAC-supporters mij, collega [aangever 1] en collega [aangever 2] aanvielen. Ik zag dat er een groep (vijftien of meer) door de linie braken.
Ik zag dat een man een grote steen (lijmblok) naar mij gooide. Ik zag dat hij deze van 15 tot 20 meter naar mij gooide. Ik kon deze steen afweren met mijn schild.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2024 (p. 26-27), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op zaterdag 9 november 2024 was ik verbalisant [verbalisant 5] belast met het toezicht houden op de openbare orde binnen de gemeente Breda, vanwege de voetbalwedstrijd NAC- PSV.
Tijdens de briefing werd ons medegedeeld dat er minimaal 25-30 supporters waren
aangesloten uit Polen. Dit zou volgens de informatie de harde kern vecht hooligans zijn
en deze zouden een confrontatie niet uit de weg gaan.
Omstreeks 17:30 uur hoorden wij dat er vuurwerk werd afgestoken, nabij het supporters
café genaamd [naam café] . Wij hoorden dat er bij café [naam café] werd aangezegd dat zij dicht moesten gaan in verband met het afsteken van vuurwerk. Wij hoorden over
de portofoon dat een grote groep vertrok vanuit café [naam café] in de richting van
het stadion. Wij zagen dat er vuurwerk en fakkels werden afgestoken in de groep.
Met beschermde maatregelen hebben wij vervolgens positie ingenomen op de Lunettenlaan (het hof leest: de Lunetstraat) te Breda, voor de tunnel aan de zijde Spoorbaanstraat te Breda.
Ik zag dat de groep mannen met versnelde pas richting onze linie kwamen en daar met geweld doorheen braken, door politiemensen weg te duwen.
Ik zag dat politieagenten van mijn groep werden overlopen en volledig omcirkeld waren door agressieve mensen. Ik zag mensen gevechtshouding aannemen, agressief uit hun ogen kijken en opzettelijk naar ons toe lopen.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2024 (p. 31- 33), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Op zondag 10 november 2024 kreeg ik, verbalisant, het verzoek om camerabeelden te bekijken welke met een mobiele telefoon waren gefilmd tijdens een incident op en nabij de stenen trap die tussen de Spoorbaanstraat en het fietspad langs de Lunetstraat te Breda ligt.
Bij het bevriezen van het beeld is een ME-lid te zien. Tegenover dit ME-lid stond een man. Ik zag dat deze man was gekleed in een gewatteerde bodywarmer. Onder deze bodywarmer zag ik dat de man een shirt of vest droeg. Ik zag dat er op de linkermouw van het shirt van de man een afbeelding van een schedel stond. Midden over de schedel liep een verticale witte streep. Later zag ik een foto die tijdens de insluiting van de verdachte [verdachte] is gemaakt.
Op deze foto is te zien dat [verdachte] een vest droeg met op de linkermouw exact de zelfde afbeelding van een schedel.
Ik zag dat de man tegenover het ME-lid omdraaide zodat nu de rechtermouw van de man te zien is. Op deze rechtermouw is in het wit een letter of een teken te zien. Op de genoemde foto van de verdachte [verdachte] zag ik exact zo'n zelfde letter of teken op zijn rechtermouw.
Tevens is er een ontstoken vuurwerk fakkel in beeld te zien
Ik zag dat de ME-leden door de groep 'supporters' aan de voorzijde belaagd werden.
Ik zag dat er een brandende vuurwerkfakkel vanuit de groep supporters aan de zijde van de Lunetstraat naar een ME-lid gegooid werd. Ik zag dat deze fakkel een ME-lid raakte op zijn rechterheup.
9.
Het proces-verbaal van aanhouding (p. 36-37), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op zaterdag 9 november 2024 om 18:20 uur, werd door ons op de locatie Spoorbaanstraat, 4814 AS Breda, aangehouden als verdachte:

Verdachte

Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] .
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een duidelijke en voldoende specifieke herkenning van de verdachte. De verdachte is immers enkel herkend aan zijn kleding, terwijl meerdere aanwezige in de groep soortgelijke kleding droegen. Nu de verdachte pas om 19:20 uur door de aanhoudingseenheid werd aangehouden, zat er bovendien een geruime tijd tussen de herkenning en de aanhouding van de verdachte, hetgeen mogelijk maakt dat de verdachte niet degene is geweest die de verbalisanten destijds herkend hebben. Al met al zijn er twijfels blijven bestaan omtrent de (juiste) herkenning van de verdachte als de persoon die de geweldshandelingen zou hebben gepleegd, aldus de raadsman.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen zoals tenlastegelegd, in het bijzonder ook of de verdachte degene is geweest die geweldshandelingen richting de politie heeft verricht, en hij met zijn gedragingen een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. Het hof stelt in dat verband het volgende voorop.
Blijkens bestendige jurisprudentie vereist de uitleg van het ‘in vereniging’ plegen van geweld de vervulling van twee onderling nauw samenhangende voorwaarden, namelijk dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd en dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Van de laatstgenoemde voorwaarde is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de wet van 25 april 2000, Stb 2000, 173 (
Kamerstukken II,1998-1999, 26519, nr. 3, pg. 1 en 4) volgt in dit verband voorts dat de bijdrage – onder omstandigheden – tevens kan bestaan in het verwerven van deelnemers aan de openlijke geweldpleging. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt – het getalsmatig versterken – is evenwel niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen, is meer dan het slechts getalsmatig versterken van een groep (vgl. Hoge Raad 8 februari 2011,
NJ2011/82).
Naar bestendige jurisprudentie dient voor de aansprakelijkheid voor de voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld tevens de met de eerste voorwaarde samenhangende eis te worden gesteld, dat de door de verdachte geleverde bijdrage aan het geweld in bewuste en nauwe samenwerking met de ander of anderen heeft plaatsgevonden, waarbij deze – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is (vgl. Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en Hoge Raad 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093). In dezen is nog van belang dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het openlijk plegen van geweld tegen goederen de openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen (vgl. Hoge Raad 2 december 2014,
NJ2015/390 en Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320).
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien, en het vorenoverwogene komt ten aanzien van de bijdrage van de verdachte aan het delict naar het oordeel van het hof het volgende naar voren.
Bij de vaststelling van de feitelijke gang van zaken stelt het hof voorop dat blijkens het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 18 december 2024, de vermelding van het tijdstip van aanhouding van de verdachte van 19.20 uur in het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 9 november 2024 (p. 19 en 20 van het politiedossier) onjuist is en dient te worden gelezen als 18.20 uur. De overige tijdstippen zoals vermeld in het dossier geven te meer reden om aan te nemen dat het vermelde tijdstip van 19.20 uur onjuist is. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de vermelding van 18.20 uur als tijdstip van aanhouding op p. 2 en op p. 36 van het politiedossier. Het vermelde tijdstip van aanhouding van 19.20 uur leidt reeds hierom niet tot twijfel over de betrouwbaarheid aan de inhoud van een of meer van de desbetreffende processen-verbaal zoals door de verdediging bepleit.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van [aangever 2] en [aangever 1] , leden van de Mobiele Eenheid, volgt voorts dat toen [aangever 1] een collega wilde helpen, hij werd vastgepakt door een man gekleed in een zwarte capuchontrui met op de linkerborst een wit logo. Deze persoon maakte een aantal slaande bewegingen richting [aangever 1] , waarna hij [aangever 1] in de bosjes duwde. Dit proces-verbaal vindt steun in het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Zij hebben gerelateerd dat een man, gekleed in een zwarte capuchontrui, een ME-lid meerdere malen sloeg en schopte en deze medewerker vervolgens in de bosjes duwde. De man werd als gevolg hiervan aangemerkt als verdachte en door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aangehouden. De aangehouden man blijkt de verdachte te zijn. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] volgt dat de verdachte de gehele tijd vanaf de geweldpleging in zicht is gehouden en direct na de geweldplegingen uit de groep werd getrokken. De verdachte werd vervolgens om 18:20 uur aangehouden.
Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten, besloot verbalisant [verbalisant 6] de aanwezige camerabeelden te bekijken. Tijdens het uitkijken van de beelden heeft de verbalisant een signalement vastgesteld van de man die slaags raakte met een ME-lid. De verbalisant zag dat deze man een gewatteerde bodywarmer droeg, met hieronder een vest of shirt met op de linkermouw een afbeelding van een schedel. Toen de man zich omdraaide, zag de verbalisant op de rechtermouw een letter of teken in het wit. De verbalisant heeft de beelden vergeleken met de foto die van de verdachte tijdens de insluiting is gemaakt. Verbalisant [verbalisant 6] concludeerde dat de verdachte op de insluitingsfoto een vest droeg met op de linkermouw exact eenzelfde afbeelding van een schedel, en op de rechtermouw exact eenzelfde letter of teken als de man die op de beelden te zien was.
Anders dan de raadsman, ziet het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de hierboven zakelijk weergegeven inhoud van de op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, waaruit volgt dat de verdachte degene is geweest die geweldhandelingen (duwen, slaan en schoppen) richting een verbalisant heeft gepleegd. De verdachte werd immers direct daarna uit de groep supporters getrokken en aangehouden door verbalisanten die hem de gehele tijd in het zicht hadden, en zich bovendien slechts op korte afstand (te weten twee meter) van de verdachte bevonden. Daarbij komt dat de kleding van de verdachte ten tijde van de insluiting overeenkomt met de kleding die door verbalisant [verbalisant 6] op de beelden is waargenomen.
Uit al bovenstaande verklaringen leidt het hof af dat de verdachte wel degelijk zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals bewezen te verklaren.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen en goederen. Voorafgaand aan de voetbalwedstrijd NAC-PSV heeft de verdachte zich met een aantal andere supporters op gewelddadige wijze tegen leden van de Mobiele Eenheid en politieagenten van de aanhoudingseenheid gekeerd. De politie oefent haar taken in het algemeen belang uit. Dergelijk voetbalgerelateerd geweld dat door een groep wordt gepleegd, maakt de massale inzet van politie tijdens voetbalwedstrijden noodzakelijk, terwijl de samenleving als geheel met de kosten hiervan wordt geconfronteerd. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat feiten als deze, die zich in het openbaar afspelen, leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als onderdeel van de groep een bijdrage heeft geleverd aan dit geweld.
Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake is van voetbalgerelateerd geweld en dat (mede) sprake is van geweld gepleegd tegen politiemensen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 15 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal, verbindt het hof aldus aan de voorwaardelijke gevangenisstraf niet een proeftijd van twee jaren, maar van drie jaren. Het hof beoogt hiermee de verdachte een sterke prikkel te geven zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] . heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 800,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b, van het BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt.
Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij in dit geval zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de aard en intensiteit van het bewezenverklaarde, waarbij onder meer sprake is van door meerdere personen tegen politiemensen, waaronder de benadeelde partij, uitgeoefend fysiek geweld. Voorts heeft het hof in dit verband acht geslagen op de namens benadeelde partij gegeven onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding, op grond waarvan onder meer aannemelijk is dat er bij de benadeelde partij sprake is van moeite met slapen, het niet toekomen aan dagelijkse werkzaamheden vanwege de gevoelde noodzaak om meerdere keren zijn verhaal te doen en toegenomen gespannenheid bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als politieagent.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 600,00. De verdachte is tot vergoeding van voorgenoemde schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade, groot € 200,00, af.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskostenveroordeling
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten. Deze kostenposten worden aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever 1] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 800,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b, van het BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt.
Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij in dit geval zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de aard en intensiteit van het bewezenverklaarde, waarbij onder meer sprake is van door meerdere personen tegen politiemensen, waaronder de benadeelde partij, uitgeoefend fysiek geweld. Voorts heeft het hof in dit verband acht geslagen op de namens benadeelde partij gegeven onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding, op grond waarvan onder meer aannemelijk is dat er bij de benadeelde partij sprake is van moeite met slapen, regelmatig terugkerende angstgevoelens en een voortdurende verhoogde waakzaamheid gedurende de uitvoering van zijn werkzaamheden als politieagent.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 600,00. De verdachte is tot vergoeding van voorgenoemde schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade, groot € 200,00, af.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskostenveroordeling
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten. Deze kostenposten worden aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever 2] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 november 2024.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 november 2024.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers en mr. K. Holleman, griffiers,
en op 30 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J. Henzen, mr. T. van de Woestijne en mr. K. Holleman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.