Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Aan de beoordeling van het middel voorafgaande opmerkingen
4.Beoordeling van het middel
5.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.Slotsom
7.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het openlijk in vereniging plegen van geweld op 7 april 2013 te Dordrecht. Het geweld bestond uit meerdere krachtige stampen en trappen met geschoeide voeten op het hoofd en lichaam van het slachtoffer. De bewezenverklaring berustte op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en politieambtenaren die het incident observeerden en vastlegden.
De verdachte erkende aanwezig te zijn geweest en betrokken te zijn geraakt bij een ruzie, maar ontkende specifieke geweldshandelingen te hebben verricht. Het hof oordeelde echter dat de verdachte nauw en bewust met anderen samenwerkte, wat voldoende was om hem medeplegen van het geweld te verwijten.
In cassatie stelde de verdachte een middel in dat het bewijs van het 'in vereniging' plegen van geweld betrof. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk had gegrond op de bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen die de verdachte aanwezen.
De Hoge Raad constateerde wel dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, waardoor de opgelegde jeugddetentie van negen maanden werd verminderd tot acht maanden en twee weken. De rest van het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: Veroordeling voor openlijk in vereniging gepleegd geweld met vermindering van de jeugddetentie tot acht maanden en twee weken.