ECLI:NL:GHSHE:2025:3737

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
20-003203-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging door verdachte en andere supporters tegen leden van de Mobiele Eenheid en politieagenten voorafgaand aan een voetbalwedstrijd

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte, geboren in 1985, werd beschuldigd van openlijke geweldpleging tegen politieambtenaren tijdens een voetbalwedstrijd tussen NAC Breda en PSV op 9 november 2024. De politierechter had de verdachte vrijgesproken, maar de officier van justitie ging in hoger beroep. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die vroeg om vernietiging van het vonnis en veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De verdediging pleitte voor vrijspraak, maar het hof oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de tenlastegelegde feiten. Het hof achtte bewezen dat de verdachte openlijk geweld had gepleegd in vereniging met anderen, door een blikje bier naar een politieambtenaar te gooien. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en legde een gevangenisstraf op van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het hof benadrukte de ernst van het geweld tegen politieambtenaren en de impact van dergelijk gedrag op de samenleving.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003203-24
Uitspraak : 30 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-358042-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde en het tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal veroordelen tot en gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Breda, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Haagdijk en/of de Lunetstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer politieambtenaren en/of een of meer schilden van (ME-)politieambtenaren, door
- een of meer blikjes/flesjes drinken/drank te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of tegen een of meer schilden van (ME-)politieambtenaren en/of
- een of meer stenen/harde voorwerpen te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of
- door vuurwerk af te steken en/of te gooien naar een of meer politieambtenaren en/of door een of meer fakkels aan te steken en/of met fakkels te zwaaien en/of
- een of meer politieambtenaren tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te schoppen en/of te trappen en/of/althans slaande en/of schoppende bewegingen te maken naar een of meer politieambtenaren en/of
- een politieambtenaar tegen het lichaam te duwen en/of de bosjes in te trekken en/of (daarbij) ten val te brengen en/of
- op een of meer politieambtenaren af te rennen en/of (vervolgens) een gevechtshouding aan te nemen en/of
- ( aldus) zich dreigend op te dringen naar/in de richting van een of meer politieambtenaren.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 november 2024 te Breda openlijk, te weten op of aan de Lunetstraat, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren en schilden van ME-politieambtenaren, door:
- een blikje drinken te gooien naar een of meer politieambtenaren en
- stenen te gooien naar politieambtenaren en
- door vuurwerk af te steken en te gooien naar politieambtenaren en door fakkels aan te steken en met fakkels te zwaaien en
- politieambtenaren tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te schoppen en/of te trappen en/of slaande en schoppende bewegingen te maken naar een of meer politieambtenaren en
- een politieambtenaar tegen het lichaam te duwen en/of de bosjes in te trekken en/of daarbij ten val te brengen en
- zich dreigend op te dringen in de richting van politieambtenaren.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024289213, gesloten d.d. 11 november 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-43 en overige geschriften. Alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2024 (p. 14-15), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zaterdag 9 november 2024. omstreeks 19.00 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , lid en deel uitmakend van de aanhoudingseenheid belast met het handhaven van de openbare orde rondom de voetbalwedstrijd NAC tegen PSV.
Wij volgden de supporters van NAC ongeveer een kwartier te voet. Tijdens dit volgen werd er veelvuldig zwaar vuurwerk afgestoken en leuzen geroepen.
Wij liepen over de weg in de richting van de Mobiele eenheid. Wij hoorden een van de supporters schreeuwen en keken naar deze supporter. Wij zagen dat de supporter een geopend blik richting de collega van de Mobiele eenheid gooide. Wij zagen dat hij een vol blikje met vloeistof boven zijn hoofd tilde en met een snelle en krachtige beweging in de richting van het hoofd van de collega van de mobiele eenheid gooide. Wij zagen dat de collega van de mobiele eenheid zijn schild omhoog bracht, waardoor de vloeistof werd afgeweerd. Wij zagen dat de vloeistof uit het blikje over het schild spatte en deels over het schild en over de collega van de mobiele eenheid heen kwam. Wij zagen dat het blikje op de grond viel. Wij hoorden dat de overige aanwezigen in de groep naar aanleiding van deze actie joelgeluiden maakten. Wij zagen dat de supporter na het gooien, wilde zwaaiende en opruiende bewegingen maakte richting de mobiele eenheid. Wij zagen dat de man over de railing van het fietspad hing, dat hij een agressieve gezichtsuitdrukking had en dat hij met zijn beide handen druk gebaarde in de richting van de collega van de mobiele eenheid. Wij zagen dat de man schreeuwde naar de betreffende collega.
Wij zagen dat de man een groene pet droeg en een zwarte jas met witte opdruk "Breda". Wij hielden de man voortdurend in zicht. Op zaterdag 9 november 2024, te 18.27 uur, de verdachte op heterdaad aan inzake overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht

Verdachte

Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1985
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2024 (p. 7-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op zaterdag 9 november 2024 werd in het Rat Verlegh stadion aan de Stadionstraat te Breda de wedstrijd NAC Breda - PSV gespeeld in het kader van het KNVB Eredivisie voetbal.
Ik, verbalisant zag dat de groep vervolgens massaal doorliep in de richting van de Nieuwe Haagdijk. Ik, verbalisant zag dat er in de groep een groot aantal fakkels werd ontstoken, welke een rood licht uitstraalde. Tevens zag ik, verbalisant dat er massaal sier- en ander vuurwerk werd ontstoken vanuit de groep.
Ik, verbalisant hoorde van de Bravo 8-2.00 dat zij de groep supporters onder controle aan het brengen waren op de Lunetstraat. Ik, verbalisant hoorde omstreeks 18:23 uur van de Bravo 8-2.00 dat er vanuit de groep supporters met stenen naar politie wordt gegooid en dat zij extra eenheden ter ondersteuning wensten.
Ik, verbalisant hoorde omstreeks 18:25 uur dat de supporters riepen dat zij door de politieafzetting heen wilden breken. Ik, verbalisant hoor van de Bravo 8-2.00 dat er een confrontatie plaats vind tussen een groep van ongeveer 25-30 supporter en de mobiele eenheid. Deze confrontatie gaat gepaard met het gebruik van veel fysiek geweld, kennelijk met opzet en met kracht door de supporters. Ook wordt er kennelijk met opzet (zwaar) vuurwerk gegooid in de richting van politiemensen.
Ik, verbalisant krijg omstreeks 18:27 uur door van de Bravo 8-2.00 dat de verdachte [verdachte] op de Lunetstraat wordt aangehouden ter zake het plegen van openlijk geweld. Door de verdachte is een blik met vloeistof kennelijk met opzet en geweld naar een lid van de mobiele eenheid gegooid. Ook maakte de verdachte opruiende bewegingen gemaakt en was hij in het bezit van een fakkel.
Ik, verbalisant krijg omstreeks 18:28 uur door van de Bravo 8-2.00 dat de verdachte [medeverdachte 1] op de Spoorbaanstraat wordt aangehouden ter zake het plegen van openlijk geweld. Door de verdachte is meerdere keren een lid van de mobiele eenheid kennelijk met opzet en geweld geschopt en geslagen. Ook werd door de verdachte een lid van de mobiele eenheid de bossages in geduwd.
Ik, verbalisant krijg door van de Bravo 8-2.00 dat er in een steegje tussen Lunetstraat en de Spoorbaanstraat een confrontatie is geweest tussen mobiele eenheid en een groep supporters welke met fysiek geweld door de ME linie heen wilde breken.
Ik, verbalisant krijg omstreeks 18:48 uur door van de Bravo 8-2.00 dat de verdachte [medeverdachte 2] op de Lunetstraat wordt aangehouden ter zake het plegen van openlijk geweld. Door de verdachte is voorzien van een bivakmuts een fakkel tot ontbranding gebracht in de voorste linie van supporters.
Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 22:11 uur werd de verdachte [medeverdachte 3] op de Lunetstraat buiten heterdaad aangehouden ter zake het plegen van openlijk geweld. Door de verdachte [medeverdachte 3] werd kennelijk met opzet en met kracht een steen gegooid in de richting van politiepersoneel.
Door mij, verbalisant werd op camerabeelden waargenomen dat er door leden uit de groep kennelijk met opzet en kracht werd gegooid met stenen, dakpannen en overige voorwerpen. Verder zag ik, verbalisant op de beelden dat er kennelijk met opzet en met kracht door leden uit de groep op politiepersoneel is geslagen en geschopt. Ook werd op beelden waargenomen dat vanuit de groep erg veel (zwaar) vuurwerk en fakkels werden ontstoken.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2024 (p 12-13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op vrijdag 09 november 2024, omstreeks 14.00 uur, was ik verbalisant belast met de aansturing en bevelvoering bij de voetbalwedstrijd NAC - PSV als Sectie Commandant van de Mobiele Eenheid van de sectie met roepnummer B8201. Ik had met de sectie de opdracht om bij de brug over de Singel met de Lunetstraat en de Tramsingel een blok te vormen wanneer er een Corteo zou gaan lopen vanaf het cafe [naam café] te Breda.
Ik zag dat er inmiddels al door een grote groep supporters werd gelopen in een Corteo en dat er fakkels afgestoken waren door deze doelgroep supporters die in de Corteo meeliepen. Tevens zag ik dat er vanuit het Corteo een fakkel richting onze ME voertuigen werd gegooid. Deze geraakte tussen de aldaar geparkeerd staande personenauto's en belanden tegen een voertuig die daar geparkeerd stond.
Hierop hebben we in overleg besloten met de pelotonscommandant een blok te gaan vormen op de Lunetstraat net voor de tunnelbak van het spoor en de Slingerweg te Breda.
Inmiddels was het Corteo lopend via de wijk Tuinzigt bij onze locatie aan de Lunetstraat gearriveerd waar wij ze samen met de andere sectie hebben ingesloten. De supporters in het Corteo waren op dat moment het niet eens met de staandehouding. In de groep werd geweld gebruikt tegen onze medewerkers van de Mobiele eenheid (Slaan, schoppen trappen, bier gooien en fakkels afsteken in het Corteo) en dit heeft ons doen besluiten eveneens gepast geweld tegen de groep te moeten gebruiken.
4.
Het aanvullend proces-verbaal d.d. 7 januari 2025 (los opgenomen in het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] :
Op zaterdag 9 november 2024, te 18.27 uur, werd verdachte [verdachte] op heterdaad
aangehouden door de aanhoudingseenheid van de politie. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en
[verbalisant 2] , relateerden onze bevindingen destijds een proces-verbaal.
Op het moment dat wij zagen dat verdachte [verdachte] een blik bier gooide naar collega's van de mobiele eenheid, bevonden wij ons op circa 40 meter afstand van verdachte. Wij stonden op dat moment achter de linie van de mobiele eenheid en hadden goed zicht op de groep supporters.
Wij hielden als groep de verdachte voortdurend in zicht. Tijdens de aanhouding had de verdachte geen blik bier in zijn handen.
5.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 december 2025, voor zover inhoudende:
Op 9 november 2024 droeg ik een zwarte jas met witte opdruk ‘Breda’ en een groene pet.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde geweldshandelingen schuldig heeft gemaakt. Op basis van het proces-verbaal van verbalisanten onder nummers [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kan niet worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die het blikje heeft gegooid, en door de verbalisanten is gevolgd. Dit volgt, aldus de verdediging, simpelweg niet uit het zojuist genoemde proces-verbaal. De verbalisanten geven pas op het einde, vlak voor de aanhouding, aan dat zij de man voortdurend in de gaten hebben gehouden. Het is echter onduidelijk of de verbalisanten de man in de gaten hebben gehouden vanaf het moment dat hij over de railing hing, of vanaf het moment dat zij de man hebben zien gooien, aldus de raadsman.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen zoals tenlastegelegd, in het bijzonder ook of de verdachte geweldshandelingen richting de politie heeft verricht en hij met zijn gedragingen een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. Het hof stelt in dat verband het volgende voorop.
Blijkens bestendige jurisprudentie vereist de uitleg van het ‘in vereniging’ plegen van geweld de vervulling van twee onderling nauw samenhangende voorwaarden, namelijk dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd en dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Van de laatstgenoemde voorwaarde is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de wet van 25 april 2000, Stb 2000, 173 (
Kamerstukken II,1998-1999, 26519, nr. 3, pg. 1 en 4) volgt in dit verband voorts dat de bijdrage – onder omstandigheden – tevens kan bestaan in het verwerven van deelnemers aan de openlijke geweldpleging. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt – het getalsmatig versterken – is evenwel niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen, is bijvoorbeeld meer dan het slechts getalsmatig versterken van een groep (vgl. Hoge Raad 8 februari 2011,
NJ2011/82).
Naar bestendige jurisprudentie dient voor de aansprakelijkheid voor de voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld tevens de met de eerste voorwaarde samenhangende eis te worden gesteld, dat de door de verdachte geleverde bijdrage aan het geweld in bewuste en nauwe samenwerking met de ander of anderen heeft plaatsgevonden, waarbij deze – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is (vgl. Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en Hoge Raad 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093). In dezen is nog van belang dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het openlijk plegen van geweld tegen goederen de openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen (vgl. Hoge Raad 2 december 2014,
NJ2015/390 en Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320).
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien, en het vorenoverwogene komt ten aanzien van de bijdrage van verdachte aan het delict naar het oordeel van het hof het volgende naar voren.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] (relaterend onder [verbalisant 3] ) en [verbalisant 2] (relaterend onder [verbalisant 2] ) volgt dat de aandacht van de verbalisanten werd getrokken door een schreeuwende supporter. Op het moment zij naar deze supporter keken, zagen zij dat de supporter een geopend blik richting een collega van de ME gooide. De supporter tilde een vol blikje met vloeistof boven zijn hoofd en gooide dit met een snelle en krachtige beweging richting het hoofd van een collega van de ME. De vloeistof uit het blikje spatte gedeeltelijk over het schild en gedeeltelijk over de collega van de ME heen, waarna het blikje op de grond viel. Als gevolg van deze actie klonken er vanuit de overige supporters joelgeluiden. De verbalisanten zagen dat de supporter, na het gooien van het blikje, wilde zwaaiende en opruiende bewegingen maakte richting de ME. Deze supporter droeg een groene pet en een zwarte jas met witte opdruk ‘Breda’. De verbalisanten hielden de man voortdurend in het zicht. Om 18:27 uur werd de man, zonder blikje bier in zijn handen, op heterdaad aangehouden. De aangehouden man blijkt de verdachte [verdachte] te zijn. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat zij, op het moment dat het blikje werd gegooid, zich op 40 meter afstand van de verdachte bevonden. Zij hielden hem voortdurend in de gaten en hadden goed zicht op de groep supporters. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 9 november 2024 inderdaad een zwarte jas met witte opdruk ‘Breda’ en een groene pet droeg.
Anders dan de verdediging, ziet het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de hierboven beschreven inhoud van de op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, waaruit volgt dat de verdachte degene is geweest die een blikje bier richting de ME heeft gegooid. De verbalisanten hadden immers goed zicht op de verdachte, en hielden de groep supporters voortdurend in de gaten. De verbalisanten hebben de verdachte dan ook op basis van de door hen opgestelde onderscheidende kenmerken herkend. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting biedt voorts behoudens de ontkennende verklaring van de verdachte - die belang kan hebben bij het in de gegeven omstandigheden in strijd met de waarheid verklaren - geen relevante aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de beide onder nummer rapporterende verbalisanten. Daarbij komt dat de kleding die door de verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen wordt omschreven, overeenkomt met de kleding die de verdachte destijds droeg.
Op grond van alle bovenstaande bewijsmiddelen oordeelt het hof dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en anderen met betrekking tot het in groepsverband plegen van openlijk geweld, aan welk geweld de verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd door een (gevuld) blikje bier naar een politie-ambtenaar te gooien.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de omstandigheid dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, bepleit dat de door de advocaat-generaal geëiste straf niet passend is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzondere het navolgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen en goederen. Voorafgaand aan de voetbalwedstrijd NAC-PSV heeft de verdachte zich met een aantal andere supporters op gewelddadige wijze tegen leden van de Mobiele Eenheid en politieagenten van de aanhoudingseenheid gekeerd. De politie oefent haar taken in het algemeen belang uit. Dergelijk voetbalgerelateerd geweld dat door een groep wordt gepleegd, maakt de massale inzet van politie tijdens voetbalwedstrijden noodzakelijk, terwijl de samenleving als geheel met de kosten hiervan wordt geconfronteerd. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat feiten als deze, die zich in het openbaar afspelen, leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als onderdeel van de groep een bijdrage heeft geleverd aan dit geweld.
Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake is van voetbalgerelateerd geweld en dat (mede) sprake is van geweld gepleegd tegen politiemensen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 15 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal, verbindt het hof aldus aan de voorwaardelijke gevangenisstraf niet een proeftijd van twee jaren, maar van drie jaren. Het hof beoogt hiermee de verdachte een sterke prikkel te geven zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers en mr. K. Holleman, griffiers,
en op 30 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J. Henzen, mr. T. van de Woestijne en mr. K. Holleman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.