Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2017 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. Deze verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het hof.
Het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende in haar aangifte Vpb 2017 opgenomen afwaardering van een vordering van € 300.000 op de franchisegever-BV terecht was. Belanghebbende stelde dat zij ultimo 2017 een vordering had van € 360.758 en dat deze vanwege het faillissement van de franchisegever-BV afgewaardeerd mocht worden. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij ultimo 2017 een vordering had en tot welk bedrag. De rechtbank had al overwogen dat de bewijslast hiervoor bij belanghebbende lag en dat zij deze niet had voldaan.
Het hof bevestigde dat de stukken die belanghebbende in hoger beroep overlegd had, waaronder financiële rapportages, facturen en correspondentie, onvoldoende waren om de vordering aannemelijk te maken. Ook het faillissementsverslag van de BV vermeldde geen vordering van belanghebbende. Het hof wees erop dat goed koopmansgebruik vereist dat de waardering van activa op balansdatum plaatsvindt op basis van feiten en omstandigheden op dat moment, waarbij latere kennis slechts beperkt relevant is.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof wees proceskostenveroordeling af en zag geen aanleiding het griffierecht te vergoeden.