Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 een aftrekpost voor premies inkomensvoorzieningen opgevoerd. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat niet aannemelijk was gemaakt dat in 2018 daadwerkelijk lijfrentepremies waren betaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Belanghebbende sloot in 1995 een lijfrenteverzekering af die in 2018 geëxpireerd is. Het opgebouwde lijfrentekapitaal werd in 2018 overgedragen aan ABN AMRO Bank N.V. Het hof oordeelde dat deze waardeoverdracht geen recht geeft op aftrek van premies in 2018, omdat het geen nieuwe premiebetaling betreft maar een voortzetting van de bestaande lijfrenteverzekering. Belanghebbende heeft geen nieuwe feiten of gronden aangevoerd in hoger beroep.
De zitting vond plaats zonder aanwezigheid van belanghebbende of haar gemachtigde, die wel tijdig was uitgenodigd. Het hof wees het verzoek tot terugwijzing af en zag geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.