Appellante heeft in eerste aanleg verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), maar de rechtbank Limburg wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat zij in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was geweest en dat zij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
In hoger beroep heeft appellante betoogd dat zij wel te goeder trouw was en zich maximaal inspant om te werken, waarbij zij tevens toelichtte dat haar schulden grotendeels voortkomen uit een webshop die zij tijdens de coronacrisis dreigde te verliezen vanwege persoonlijke omstandigheden. De beschermingsbewindvoerder voerde aan dat zij niet alle relevante informatie had ontvangen, onder meer over samenwoning met een partner.
Het hof overweegt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw was, mede omdat zij geen administratie bijhield van haar onderneming en de webshop nog actief is terwijl de schulden voortduren. Ook is twijfel over de nakoming van haar verplichtingen, omdat zij belangrijke informatie niet heeft gedeeld met de beschermingsbewindvoerder. De hardheidsclausule wordt niet toegepast.
Gelet op deze omstandigheden bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de WSNP af.