AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing ontnemingsvordering wegens voordeel bij ultimate beneficial owners
In deze strafzaak stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigde en opnieuw recht deed. De rechtbank had een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokken rechtspersoon voor een geschat bedrag van ruim 11 miljoen euro, maar het hof oordeelde anders.
De verdediging voerde primair aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was wegens artikel 74 AlgemenePro wet inzake rijksbelastingen, dat ontnemingsmaatregelen uitsluit voor belastingfraude. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat artikel 74 AWRPro niet belet dat ontneming wordt opgelegd voor voordeel dat op andere wijze samenhangt met het strafbare feit, zoals vermogensbestanddelen die aan belastingheffing zijn onttrokken.
Het hof stelde vast dat het voordeel in beginsel is genoten door de ultimate beneficial owners van de rechtspersoon, die volledige zeggenschap hadden en de rechtspersoon slechts als instrument gebruikten. Daarom werd het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtspersoon zelf op nihil gesteld en de ontnemingsvordering afgewezen.
Het arrest werd gewezen door mr. J.T.F.M. van Krieken, mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling en op 16 april 2026 uitgesproken.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat het voordeel is genoten door de ultimate beneficial owners en niet door de rechtspersoon.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002004-23 (OWV)
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 juli 2023 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997518-16 OWV tegen:
[betrokkene] ,
zonder bekende vestigingsplaats in Nederland,
doch gevestigd te [adres] ,
vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 11.307.400,-, aan de betrokken rechtspersoon een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 6.154.951,-en de vordering voor het overige afgewezen.
Namens de betrokken rechtspersoon is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokken rechtspersoon naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Namens de betrokken rechtspersoon is primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering voor zover deze betrekking heeft op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat correspondeert met het belastingnadeel. Subsidiair is namens de betrokken rechtspersoon bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Meer subsidiair is matiging van de ontnemingsvordering bepleit.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering
De vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon heeft primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering op grond van artikel 74 AlgemenePro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitaantekeningen verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
Artikel 74 AWRPro bepaalt dat artikel 36e Wetboek van Strafrecht geen toepassing vindt ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon leidt uit de wetsgeschiedenis af dat deze uit artikel 74 AWRPro voortvloeiende beperking ermee verband houdt dat de overheid beschikt over een eigen instrumentarium om uit de belastingwet voortvloeiende schulden in te vorderen, om zo het nadeel dat de overheid lijdt als gevolg van het bij de belastingwet strafbaar gestelde feit ongedaan te maken. [1] Gelet hierop staat artikel 74 AWRPro in de weg aan oplegging van een ontnemingsmaatregel voor zover deze betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel dat correspondeert met het belastingnadeel, dat wil zeggen de belastingschuld die met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit is ontweken. [2] Nu het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat sprake is van belastingfraude en de rechtbank gelijkluidend heeft geoordeeld, staat artikel 74 AWRPro in de weg aan het opleggen van de ontnemingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
De betrokken rechtspersoon is in de met deze ontnemingszaak verband houdende strafzaak veroordeeld voor onder meer medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en witwassen, begaan door een rechtspersoon (feit 1). De door de vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon benoemde uitgangspunten zoals afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2021 [3] , zijn juist. Echter, artikel 74 AWRPro vormt geen belemmering voor de oplegging van een ontnemingsmaatregel als het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel dat op een andere wijze samenhangt met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. Het kan dan onder meer gaan om het voordeel dat is behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als witwasgedragingen worden verricht met betrekking tot een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel en die gedragingen tot een vermogensvermeerdering hebben geleid. [4] Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vormt dat nu juist het uitgangspunt van de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie. Het tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie strekkende verweer van de vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon wordt derhalve door het hof verworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich daarmee niet kan verenigen.
Afwijzing van de ontnemingsvordering
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht, uitgegaan te worden van het voordeel dat de betrokken rechtspersoon in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. [5]
Het hof is van oordeel dat, als er voordeel is genoten, dat voordeel in beginsel is genoten door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zijnde de ultimate beneficial owners van de betrokken rechtspersoon. Ondanks dat de betrokken rechtspersoon over een eigen, afgescheiden vermogen beschikte, acht het hof aannemelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] desalniettemin zonder meer en tot het volledige bedrag hebben kunnen beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de betrokken rechtspersoon is gevloeid. [6] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden immers gezamenlijk de volledige zeggenschap over de betrokken rechtspersoon en de gehele bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersoon was erop gericht dat het voordeel uiteindelijk bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terecht kwam. De betrokken rechtspersoon is door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] slechts als instrument en tussenschakel gebruikt om dat te bewerkstelligen.
Op grond van het voorgaande schat het hof het door de betrokken rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil (al het voordeel is terecht gekomen bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en wijst de vordering af.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.