Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1058

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
20-002503-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep smaadschrift ex-partner met onjuiste beschuldigingen plagiaat en fraude

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor smaadschrift jegens zijn ex-partner wegens het verspreiden van beschuldigingen van plagiaat en fraude via e-mail. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte op 5 juli 2024 de eer en goede naam van zijn ex-partner heeft aangetast door een e-mail te sturen naar meerdere ontvangers met onjuiste beschuldigingen van plagiaat en fraude.

Het hof sprak de verdachte vrij van een tweede tenlastelegging omdat niet was voldaan aan het vereiste van ruchtbaarheid; de e-mail was slechts aan twee uitgeverijen gestuurd en het hof achtte het aannemelijk dat deze discreet met de informatie zouden omgaan. De verdachte wist dat de beschuldigingen onjuist waren, aangezien een universitair onderzoek had uitgewezen dat er geen sprake was van plagiaat of fraude.

Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 60 uur op, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar. De straf weerspiegelt de ernst van de aantasting van de reputatie van het slachtoffer, die een professionele functie bekleedt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, en voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met proeftijd; vrijspraak van tweede tenlastelegging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002503-25
Uitspraak : 17 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-395343-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘smaadschrift’ (feit 1 en feit 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde en een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 juli 2024 te Den Haag en/of Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van zijn ex-partner heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een e-mail te sturen naar (de e-mailadressen van) [ontvanger 1] en/of [ontvanger 2] en/of [ontvanger 3] en/of [ontvanger 4] en/of [ontvanger 5] en/of [ontvanger 6] en/of [ontvanger 7] en/of [ontvanger 8] met daarin de tekst(en) dat voornoemde ex-partner zonder toestemming stukken van zijn, verdachtes, proefschrift heeft overgenomen in haar proefschrift en/of plagiaat heeft gepleegd en/of fraude heeft gepleegd althans (een) tekst(en) van die aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Amsterdam en/of Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van zijn ex-partner heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een e-mail te sturen naar de/het e-mailadres(sen) van [uitgeverij 1] en/of [uitgeverij 2] met daarin de tekst(en) dat voornoemde ex-partner zonder toestemming stukken van zijn, verdachtes, proefschrift heeft overgenomen in haar proefschrift en/of stukken heeft gestolen van een andere publicatie althans (een) tekst(en) van die aard en/of strekking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit waarbij hij onder meer heeft betoogd dat niet wordt voldaan aan het ruchtbaarheidsvereiste in de zin van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht, daar het bericht zou zijn verzonden aan een beperkte kring van twee uitgeverijen en de verdachte mocht verwachten dat de uitgeverijen die ontvangen informatie niet aan een bredere kring van willekeurige personen zouden verspreiden.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is onder meer vereist dat vast komt te staan dat de verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan het door hem tenlastegelegde feit ruchtbaarheid te geven. Onder "ruchtbaarheid geven" als bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient te worden verstaan "het ter kennis van het publiek brengen". Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van "het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven" kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.
Het dient dan te gaan om een mededeling waarvan, gelet op het karakter daarvan, voorzienbaar en feitelijk te verwachten is dat de mededeling zal worden doorverteld en zo een breder publiek zal bereiken. Daarbij dienen er geen contra-indicaties te zijn.
Bij de beoordeling van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen kan van belang zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daar vertrouwelijk mee omgaat (vgl. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848.).
Hoewel het hof met de raadsman vaststelt dat het onder 2 tenlastegelegde bedoelde e-mailbericht ontbreekt in het dossier, blijkt uit het dossier en de verklaring van de verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte een e-mailbericht heeft gestuurd naar drie e-mailadressen van twee uitgeverijen met daarin de tekst dat zijn ex-partner zonder zijn toestemming stukken van het proefschrift van de verdachte heeft overgenomen in haar proefschrift.
Het hof overweegt met betrekking tot het verweer dat niet is voldaan aan het ruchtbaarheidsvereiste in de zin van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht dat van een uitgeverij , in het bijzonder gelet op de zakelijke band tussen uitgever en auteur, mag worden verwacht dat zij discreet zal omgaan met informatie die men ontvangt betreffende één van haar auteurs en die informatie vertrouwelijk zal behandelen. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte van beide uitgeverijen mocht verwachten – mede in aanmerking genomen de wijze waarop hij die uitlating heeft medegedeeld – namelijk dat zij daarmee vertrouwelijk zouden omgaan, dat zij aan de uitlating geen ruchtbaarheid zouden gegeven.
Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan het door hem tenlastegelegde feit ruchtbaarheid te geven. Dit betekent dat het onder feit 2 tenlastegelegde als smaadschrift niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 5 juli 2024 te Den Haag en/of te Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en de goede naam van zijn ex-partner heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door een e-mail te sturen naar (de e-mailadressen van) [ontvanger 1] en [ontvanger 2] en [ontvanger 3] en [ontvanger 4] en [ontvanger 5] en [ontvanger 6] en [ontvanger 7] en [ontvanger 8] met daarin de tekst dat voornoemde ex-partner zonder toestemming stukken van zijn, verdachtes, proefschrift heeft overgenomen in haar proefschrift en plagiaat heeft gepleegd en fraude heeft gepleegd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

smaadschrift.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om aan de verdachte een lagere taakstraf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om naast de taakstraf geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. De verdachte heeft een e-mailbericht gestuurd naar [ontvanger 1] , [ontvanger 2] en meerdere [ontvangers] , met de tekst dat zijn ex-partner zonder toestemming stukken van zijn, verdachtes, proefschrift heeft overgenomen in haar proefschrift en plagiaat en fraude heeft gepleegd. Met zijn handelen heeft de verdachte de eer en goede naam van zijn ex-partner aangetast, evenals haar reputatie als [beroep slachtoffer] . De verdachte heeft de beschuldigingen namelijk gestuurd naar de collega’s van het slachtoffer in [werkplek slachtoffer] . Het hof neemt het de verdachte extra kwalijk dat hij de tenlastegelegde beschuldigingen van plagiaat en fraude heeft verstuurd, terwijl hij wist dat deze niet juist waren. De universiteit had namelijk, al enige tijd voordat de verdachte onderhavig feit heeft begaan, een onderzoek ingesteld naar de vraag of sprake was van plagiaat dan wel fraude in het proefschrift van het slachtoffer. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het slachtoffer géén plagiaat dan wel fraude had gepleegd. De resultaten van dit onderzoek waren ook bij de verdachte bekend. Desondanks heeft de verdachte de eer en goede naam van het slachtoffer aangetast door dezelfde onjuiste beschuldigingen kenbaar te maken aan derden. De verdachte moet hebben geweten dat deze beschuldigingen het slachtoffer zouden schaden, zeker gelet op de [functie] die zij bekleedt. De verdachte heeft daarbij het kennelijke doel gehad om ruchtbaarheid te geven aan deze beschuldigingen van plagiaat en fraude en wilde enkel de reputatie van het slachtoffer beschadigen. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij [beroep verdachte] en dat hij drie kinderen heeft.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren – als stok achter de deur zodat de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van dergelijke strafbare feiten – passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 261 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Ellens-Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.