III. De verdediging heeft – onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota – ter terechtzitting in hoger beroep (partiële) vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. In het procesdossier wordt te algemeen en summier geverbaliseerd om te kunnen vaststellen dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere personen op het kruispunt. De verdachte heeft met zijn handelen geen significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan enige vorm van groepsgeweld en heeft geen opzet gehad op de eventuele geweldshandelingen van de andere personen. Het handelen van de verdachte dient te worden bezien als een op zichzelf staande handeling, een eenmansactie, aldus de verdediging. In dat kader heeft de verdediging verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4458). Het hof overweegt als volgt.
Naar bestendige jurisprudentie vereist de uitleg van het ‘in vereniging’ plegen van geweld twee onderling nauw samenhangende voorwaarden, namelijk dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd en dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Van de laatstgenoemde voorwaarde is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt – het getalsmatig versterken – is evenwel niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen, is meer dan het slechts getalsmatig versterken van een groep (vgl. Hoge Raad 8 februari 2011, NJ 2011/82).
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, en het vorenoverwogene blijkt naar het oordeel van het hof het volgende.
De verdachte was op 1 januari 2025 tijdens de jaarwisseling aanwezig in Veen en tijdens nieuwjaarsnacht werden er voertuigen in brand gestoken op de kruising met de Witboomstraat en de Van der Loostraat. In de omgeving daarvan was een grote groep personen aanwezig van naar schatting meer dan 100 personen. Het was van belang dat er een veilige werkruimte voor de brandweer werd gecreëerd, zodat de branden konden worden geblust en de gemeente de voertuigen kon laten afslepen.
[Verbalisant 1] is als sectiecommandant van de Mobiele Eenheid (hierna: ME) naar de kruising gegaan en trof bij aankomst een grote brand aan. [Verbalisant 1] heeft middels de dakmegafoon van de commandowagen tweemaal gevorderd dat eenieder aanwezig op de kruising en aanwezig in de omgeving van de kruising zich onmiddellijk diende te verwijderen, met de mededeling dat als daar geen gevolg aan zou worden gegeven de wapenwerper zou worden ingezet en er door de ME geweld zou kunnen worden toegepast. [Verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat een gedeelte van de groep gevolg gaf aan de vordering en de kruising verliet, maar dat het andere gedeelte van de groep van ongeveer 50 personen bleef staan. Deze personen waren aan het joelen en aan het schreeuwen, hetgeen tevens door een andere verbalisant is waargenomen.
Daaropvolgend namen meerdere verbalisanten waar dat er vuurwerk en flessen vanuit de groep in de richting van de ME werden gegooid. Zo heeft [Verbalisant 1] verklaard dat de flessen op de grond uit elkaar knalden en dat het vuurwerk voor en tussen de leden van de ME ontplofte. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] blijkt dat hij heeft gevoeld dat er voorwerpen tegen zijn schild aankwamen en dat hij bij het afketsen van de voorwerpen op het schild glasgerinkel op de grond hoorde. Tevens hoorde hij op korte afstand harde knallen en voelde hij stukken tegen zijn benen aankomen, waarvan hij het vermoeden had dat dit zwaar vuurwerk betrof. Tot slot blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] dat hij heeft waargenomen dat er door personen voorwerpen werden gegooid in de richting van de collega’s van de ME en dat dit onder andere ontstoken vuurwerk en glazen flessen betroffen.
Vervolgens hebben meerdere verbalisanten gezien dat de verdachte een bierfles in de richting van de ME heeft gegooid. [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij zag dat er rechts van hem personen vanuit de linie naar voren kwamen en dat een persoon (
hof: de later geïdentificeerde verdachte) een gooiende beweging maakte met een bierfles in de hand, die in de richting van de ME werd gegooid. De agent in burger die de verdachte uiteindelijk heeft aangehouden, stond op korte afstand van de verdachte, en ook hij nam waar dat de verdachte een bierfles richting de linie van de ME heeft gegooid.
Het hof is, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel heeft uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd. Daartoe overweegt het hof dat op enig moment tweemaal is gevorderd dat de personen die aanwezig waren op of in de omgeving van de kruising zich onmiddellijk dienden te verwijderen. Een gedeelte van de groep gaf gehoor aan de vordering en heeft de kruising vervolgens verlaten. Een ander gedeelte van de groep, naar schatting ongeveer 50 personen, heeft de vordering genegeerd, waarna er werd gejoeld, geschreeuwd en er flessen en vuurwerk in de richting van de leden van de ME werden gegooid. Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die geen gehoor heeft gegeven aan de vordering tot verwijdering. De verdachte heeft zich dus niet onttrokken van de groep die het geweld pleegde, ondanks dat hij hiertoe wel de mogelijkheid had, temeer nu juist door de ME werd gevorderd dat de personen de kruising moesten verlaten. In dat kader is het niet van belang of door de verdachte wel of geen afspraken zijn gemaakt om deel uit te maken van deze groep en zich daarbij aan te sluiten. Hiermee heeft de verdachte bewust gekozen voor deelname aan de groep die openlijk geweld pleegde en heeft aldus door zijn aanwezigheid in de groep en zijn handelen blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op het plegen van geweld. Zijn aanwezigheid heeft geleid tot een getalsmatige vermeerdering van de groep en daarmee tot een bijdrage aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld jegens leden van de ME heeft geleid. Door een van de betrokken leden van de ME wordt de situatie beschreven als een scène uit een oorlogsfilm, hetgeen treffend weergeeft in hoeverre de situatie was geëscaleerd.
Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging gepleegde openlijk geweld. De verdachte heeft, terwijl vanuit de groep waar de verdachte deel van uitmaakte vuurwerk en flessen in de richting van de ME werden gegooid, zelf een bierfles gegooid in de richting van de ME. Deze handeling is door verscheidene verbalisanten waargenomen en kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ‘eenmansactie’.
Nu verdachte dus naar het oordeel van het hof zowel deel heeft uitgemaakt van het samenwerkingsverband dat het geweld heeft gepleegd als een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, komt het hof tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: