Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1250

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
20-002909-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 231b SrArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak nadeelvereiste en taakstraf voor gebruik identiteitsbewijs ander bij verkeerscontrole

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander, namelijk het tonen van een rijbewijs op naam van een derde tijdens een verkeerscontrole.

In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis omdat de politierechter niet voldeed aan het motiveringsvoorschrift. Het hof oordeelt dat niet bewezen is dat door het gebruik van het rijbewijs enig nadeel is ontstaan, zoals vereist in artikel 231b Sr. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit nadeelbestanddeel.

Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als overtreding van artikel 231, tweede lid, Sr, het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. Gelet op de omstandigheden en het ontbreken van een strafblad legt het hof een taakstraf van 100 uur op, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De straf weerspiegelt de ernst van het feit en dient tevens het voorkomen van herhaling. De verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het ontstaan van enig nadeel voor de ander.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van nadeelvereiste en veroordeeld tot taakstraf wegens opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van identiteitsbewijs ander.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002909-25
Uitspraak : 6 mei 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 15 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-142091-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte bij verstek ter zake van ‘opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten [betrokkene] / [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 2] /BSN-nummer: [BSN-nummer] , heeft gebruikt door zich bij de politie-eenheid Oost-Brabant te identificeren met een geldig rijbewijs van die [betrokkene] met het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Deelvrijspraak
De advocaat-generaal heeft integrale bevestiging van het bewezenverklaarde gevorderd. De raadsman daarentegen heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat niet bewezen kan worden dat louter door het gebruik van het onderhavige rijbewijs door de verdachte is voldaan aan het nadeelvereiste als bedoeld in de delictsomschrijving.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat door het gebruik van verdachte van het op naam van [betrokkene] gestelde rijbewijs ter gelegenheid van een politiecontrole, voor hem enig nadeel kon ontstaan in de zin van artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Anders dan de raadsman verbindt het hof hieraan evenwel niet het rechtsgevolg dat integrale vrijspraak moet volgen. De enkele omstandigheid dat als gevolg van dit gebruik [betrokkene] mogelijk ten onrechte in de politiesystemen zou worden opgenomen, is daarvoor niet voldoende (vergelijk HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1698). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het door de advocaat-generaal geopperde potentiële nadeel voor [betrokkene] , gelegen in de omstandigheid dat hij mogelijk ten onrechte een verkeersboete zou ontvangen voor een niet door hem maar door de verdachte gepleegde verkeersovertreding, naar het oordeel van het hof weliswaar nadeel zou kunnen opleveren in de zin van artikel 231b Sr, maar die situatie zich hier niet voordoet nu verdachte niet gecontroleerd werd naar aanleiding van een door hem gepleegde verkeersovertreding. Er was immers slechts sprake van een algemene controle op de juiste naleving van de Wegenverkeerswet 1994 en niet blijkt uit het dossier van enige (potentiële) overtreding gepleegd door de verdachte. Om die reden zal het hof de verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel ‘met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan’.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 mei 2025 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten [betrokkene] / [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 2] , heeft gebruikt door zich bij de politie-eenheid Oost-Brabant te identificeren met een geldig rijbewijs van die [betrokkene] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het hof stelt vast dat de verdachte op 9 mei 2025 bestuurder was van een motorfiets en dat de controlerende verbalisanten van de verdachte inzage in het rij- en kentekenbewijs hebben gevorderd. De verdachte heeft daarbij het rijbewijs van [betrokkene] overhandigd evenals het kentekenbewijs behorende bij de motorfiets op naam van die [betrokkene] . Verbalisant [verbalisant 1] twijfelde aan de identiteit van de bestuurder en heeft dat medegedeeld. De verdachte moest daarop lachen en heeft geantwoord dat de verbalisant raar deed. Verbalisant [verbalisant 1] deelde zijn twijfels met verbalisant [verbalisant 2] . Verbalisant [verbalisant 2] kreeg ook twijfels omtrent de identiteit van de bestuurder. Hij heeft aan de verdachte zijn twijfels medegedeeld en gevraagd of hij de persoon op het rijbewijs was. De verdachte heeft daarop nogmaals aangegeven dat hij de persoon was die op het rijbewijs stond. Nadat hij desgevraagd niet het juiste geboortejaar noemde, behorend bij [betrokkene] , is de verdachte aangehouden en is zijn identiteit vastgesteld middels vingerafdrukken. Daaruit is naar voren gekomen dat de verdachte [verdachte] is en niet [betrokkene] .
Het hof is van oordeel dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de identificerende persoonsgegevens van [betrokkene] heeft gebruikt, door als bestuurder van een motorvoertuig het rijbewijs van die [betrokkene] te tonen aan de controlerend politieambtenaren nadat hem gevorderd was inzage te geven in zijn eigen rijbewijs. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het zonder toestemming tonen van een identiteitsbewijs op naam van een ander als ware het van jouzelf, overeenkomstig het onderhavige geval, zich tevens kwalificeert als het opzettelijk en wederrechtelijk gebruikmaken identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander (vergelijk HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:808).
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen
– in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Hoewel de tenlastelegging primair gericht lijkt op overtreding van artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht, bevat de tenlastelegging naar het oordeel van het hof impliciet tevens alle delictsbestanddelen van artikel 231, tweede lid, Sr, te weten het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs, zijnde een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Zo bezien kan de tenlastelegging tevens worden gezien als een impliciet cumulatief/alternatieve tenlastelegging. Blijkens het dossier is ook evident dat de feitelijke gedraging waarvan de verdachte wordt verdacht, betreft het bij een verkeerscontrole aan de politie desgevorderd ter inzage tonen van het op naam van [betrokkene] gestelde rijbewijs, zijnde een identiteitsbewijs als hiervoor bedoeld, terwijl [betrokkene] hem toestemming voor dat gebruik ontbrak.
Voorts geldt dat het onderdeel van de tenlastelegging waarvan de verdachte wordt vrijgesproken, het mogelijke nadeel als gevolg van deze gedraging door de verdachte bij [betrokkene] , niet als een essentieel of onmisbaar bestanddeel van de tenlastelegging kan worden beschouwd (zie HR 13 juni 1972, NJ 1972, 416, HR NJ 19 december 1972, NJ 1973, 90 en de conclusie van B.F. Keulen onder HR 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:348).
Naar het oordeel van het hof betreft overtreding van artikel 231, tweede lid, Sr ook geen wezenlijk ander strafrechtelijk verwijt dan de tenlastelegging uitdrukte ( B.F. Keulen en G. Knigge , Strafprocesrecht, 13e druk, 2016, p. 429 en de conclusie van B.F. Keulen onder HR 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:348).
Tot slot geldt dat de verdachte ook niet door kwalificatie van het bewezenverklaarde als overtreding van artikel 231, tweede lid, Sr kan zijn verrast, nu zoals gezegd de feitelijke gedraging die de kern vormt van het strafrechtelijke verwijt dat verdachte in het dossier en de tenlastelegging wordt gemaakt, het opzettelijk en wederrechtelijk tonen van een op naam van [betrokkene] gesteld identiteitsbewijs betreft zoals bewezenverklaard.
Het bewezenverklaarde wordt derhalve gekwalificeerd als:
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
De verdachte heeft bij een verkeerscontrole, nadat hij als bestuurder van een motorfiets optrad, op vordering van de politie van zijn rijbewijs opzettelijk en wederrechtelijk gebruik gemaakt van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs, zijnde een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte het vertrouwen dat eenieder in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van identiteitsbewijzen moet kunnen stellen, geschaad. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit komt naar voren dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze door de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De raadsman heeft aan het hof te kennen gegeven dat de verdachte werkzaam is bij een uitzendbureau en dat hij vader is.
Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal ziet het hof ruimte voor een andersoortige straf dan een vrijheidsstraf, nu het hier een eenmalige look-a-like situatie betreft tijdens een reguliere verkeerscontrole en niet de verdenking van een verkeersovertreding in combinatie met een vervalst of vals rijbewijs. Alles afwegende kan naar ’s hofs oordeel daarom worden volstaan met een taakstraf. Het hof acht oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.