Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
25 juni 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander door zich te identificeren met diens paspoort. De verdachte toonde tijdens een politiecontrole een paspoort dat op naam stond van een ander, met het oogmerk zijn eigen identiteit te verhullen.
Het hof baseerde zijn oordeel op proces-verbalen en verklaringen van politieambtenaren die constateerden dat het paspoort gestolen of verloren was opgegeven en dat de foto niet overeenkwam met de verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat het gebruik van een paspoort niet als gebruik van identificerende persoonsgegevens in de zin van art. 231b Sr kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het gebruik van een paspoort van een ander wel degelijk valt onder het gebruik van identificerende persoonsgegevens zoals bedoeld in art. 231b Sr. De wetsgeschiedenis en bewoordingen van de wet ondersteunen geen beperking van art. 231b Sr tot gevallen zonder gebruikmaking van officiële documenten. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor misbruik van identificerende persoonsgegevens door gebruik van het paspoort van een ander.