ECLI:NL:GHSHE:2026:1462

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/1910
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Belastingverdrag Nederland-ItaliëArt. 8 lid 1 Belastingverdrag Nederland-ItaliëArt. 14 lid 3 Belastingverdrag Nederland-Verenigd KoninkrijkArt. 15 lid 1 Belastingverdrag Nederland-ItaliëArt. 15 lid 2 Belastingverdrag Nederland-Italië
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepassing vertrouwensbeginsel bij belastingheffing buitenlandse arbeidsinkomsten

Belanghebbende, een in Nederland wonende verkeersvlieger gestationeerd in Italië, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 vanwege de wijze van toerekening van zijn buitenlandse arbeidsinkomsten. De inspecteur had slechts 62,3% van het inkomen toegerekend aan Italië, gebaseerd op de daadwerkelijke werktijd in of boven Italië, terwijl belanghebbende stelde dat elke dag waarop ook maar een deel in Italië werd gewerkt, volledig aan Italië moest worden toegerekend.

Belanghebbende baseerde zijn vertrouwen op brieven van de inspecteur uit 2018 en 2019, waarin een andere berekeningswijze werd gehanteerd. Het hof oordeelde echter dat deze brieven een ander artikellid van het belastingverdrag betroffen en dat voor 2018 de salary split methode op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het belastingverdrag met Italië van toepassing is. Bovendien bevatte de brief van 2019 een expliciet voorbehoud dat voor toekomstige jaren geen vertrouwen kon worden ontleend aan het standpunt.

Het hof concludeerde dat belanghebbende niet gerechtvaardigd kon vertrouwen op een volledige dagtoerekening aan Italië en dat de inspecteur terecht de aanslag had vastgesteld op basis van de proportionele werktijd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel voor een ruimere toerekening van arbeidsinkomsten aan Italië in 2018.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1910
Uitspraak in het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 november 2024, nummer BRE 23/9007, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woont in Nederland. Sinds 2008 is hij als verkeersvlieger in loondienst bij [vliegtuigmaatschappij] (hierna: [vliegtuigmaatschappij] ). De werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gelegen in het Verenigd Koninkrijk.
2.2.
Belanghebbende is gestationeerd op een luchthaven in [plaats] , Italië.
2.3.
In het jaar 2018 heeft belanghebbende 62,3% van de aan zijn werkzaamheden bestede tijd op of boven het grondgebied van Italië verricht.
2.4.
Belanghebbende is in 2018 geen verzekerde voor de premies volksverzekeringen.
2.5.
Met betrekking tot de aangifte IB voor het eerdere belastingjaar 2016 heeft de inspecteur met dagtekening 4 december 2018 de volgende brief aan belanghebbende gestuurd:
"(…)
Aftrek ter voorkoming van dubbele belasting
Uit de door u toegestuurde stukken blijkt dat u op 138 dagen in of vanuit Italië gewerkt heeft, op 5 dagen ziek bent geweest en op 6 dagen elders heeft gewerkt.
Hierna leest u hoe ik de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op dit punt heb beoordeeld.
Ziektedagen
In totaal bent u op 5 werkdagen ziek geweest. Op grond van het commentaar op het OESO-modelverdrag behoren ziektedagen wel bij de werkdagen indien u normaliter op die dag ook zou werken. Omdat u normaliter in of vanuit Italië uw werkzaamheden zou uitvoeren, zal ik de ziektedagen toerekenen aan de werkdagen in Italië (voor de toepassing van de werkdagen, niet voor toepassing van de verblijfsdagen in het kader van de 183- dagen regeling).
Werkdagen Italië
Op grond van artikel 14 lid 3 van Pro het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting voor de door u gemaakte vluchten toe aan Nederland. Vervolgens kan nog gekeken worden naar het belastingverdrag met Italië, daar aldaar uw homebase gelegen was. Artikel 15 lid 3 van Pro het belastingverdrag met Italië is op u niet van toepassing, daar de werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Om die reden dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 15 lid 1 en Pro 2 van het belastingverdrag met Italië.
Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het belastingverdrag met Italië vindt in beginsel de heffing van inkomstenbelasting in Nederland (het woonland) plaats. Omdat u echter de dienstbetrekking gedeeltelijk in Italië heeft uitgeoefend, mag dit gedeelte van het inkomen toch in Italië worden belast. De heffing van inkomstenbelasting kan weer toekomen aan Nederland indien u cumulatief voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel:
a. Indien u in Italië verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaat of gaan.
b. Indien de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van Italië is.
c. Indien de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting of een vast middelpunt dat uw werkgever in Italië heeft.
Ad a.
Uit uw reactie blijken 138 fysieke werkdagen in Italië. Hiernaast zijn nog 35 andere dagen waarvan aannemelijk is dat u in Italië verbleef. Het gaat om dagen voorafgaand aan dagen waarop uw dienst vóór 12.00 uur aanving en dagen na afloop van dagen waarop uw dienst na 20.00 uur is geëindigd (zie ook bijlage 1).
Hiermee zijn 173 verblijfsdagen in Italië aannemelijk geworden. Hiermee voldoet u aan de eerste voorwaarde van artikel 15 lid 2 van Pro het belastingverdrag met Italië.
(…)
Ad c.
Rechtbank Den Haag heeft op 23 februari 2016 ECLI:NL:RBDHA:2016:3520) uitspraak gedaan waarin onder andere is geoordeeld dat [vliegtuigmaatschappij] een vaste inrichting had op een bepaalde luchthaven, [luchthaven] (Italië).
De Belastingdienst deelt echter het standpunt van Rechtbank Den Haag niet. Een luchtvaartmaatschappij heeft geen vaste inrichting in landen waar basissen op luchthavens zijn ingericht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient gekeken te worden naar de kostenallocatie aan de vaste inrichting. In dat geval komt artikel 15 lid 2 sub c van Pro het belastingverdrag met Italië dus niet in beeld. Op grond van artikel 8 lid 1 van Pro het belastingverdrag met Italië wordt de winst van de onderneming belast in de staat waar de plaats van de werkelijke leiding is gelegen, te weten het Verenigd Koninkrijk. Dit houdt in dat ik ervan uitga dat [vliegtuigmaatschappij] geen vaste inrichting heeft in Italië.
U voldoet hiermee aan alle voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel. Hierdoor komt de heffing van inkomstenbelasting weer toe aan het woonland, Nederland. Om die reden heeft u geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele Belasting. Daarom ben ik voornemens om op dit punt van de aangifte of te wijken en voor 138 + 5 = 143 dagen geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.
Werkdagen elders
Op grond van artikel 14 lid 3 van Pro het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting voor de werkzaamheden toe aan Nederland. Mij is geen reden bekend waardoor aan u voor deze dagen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou toekomen. Ik ben dan ook voornemens om aan u geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de 6 dagen dat u elders heeft gewerkt.
(...) ”
2.6.
Met dagtekening 17 september 2019 heeft de inspecteur belanghebbende over het belastingjaar 2016 de volgende brief gestuurd:
“(...) We hebben afgesproken de behandeling van de aangifte 2016 aan te houden totdat de procedure bij Hof Den Bosch (ECLI:NL:RBZWB:2017:7617) is afgerond. Nu het Hof uitspraak heeft gedaan en geen verdere cassatie is ingesteld, levert de uitspraak nieuwe informatie op, waardoor ik een deel van de voorgenomen afwijkingen zal herzien.
(...)
Werkdagen
Ik verwijs naar mijn brief van 4 december 2018 voor de werkdagen, die zijn aangemerkt als Italiaanse werkdagen. Hierbij is geen rekening gehouden dat alleen het deel van de dag is gewerkt in of boven Italië; een vertrek- of aankomst in Italië telt als een geheel in Italië verrichte werkdag. Ik laat deze werkdagentelling in stand voor het jaar 2016. Dit houdt in dat ik de salary split zoals omschreven in de Hof uitspraak niet toepas voor het jaar 2016, omdat de inspecteur heeft aangegeven dit ook niet te doen in de casus die beoordeeld is door het Hof. Voor toekomstige jaren kan aan dit standpunt echter geen vertrouwen ontleend worden.
Op basis van het bovenstaande beschouw ik 143 aan Italië toe te rekenen werkdagen, inclusief 5 ziektedagen. Uw reactie dat de (drie) trainingsdagen buiten Italië als Italiaanse werkdagen dienen te worden aangemerkt, volg ik niet. Het heffingsrecht over het inkomen gerelateerd aan deze en overige gewerkte dagen buiten Italië komt toe aan Nederland. Het totaal aantal werkdagen is daarom 149 dagen, inclusief 6 werkdagen buiten Italië.
Ik zal uw cliënt daarom aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor het inkomen ontvangen vanuit Italië van € 155.715.
Opgewekt vertrouwen
Het Hof heeft in de uitspraak van 18 januari 2019 bevestigd dat er sprake is van een salary split bij de beoordeling van het heffingsrecht op grond van artikel 15 lid Pro 1. Vanaf 18 januari 2019 is deze uitspraak vaststaande jurisprudentie. Dat betekent dat de Belastingdienst voor aanslagen die nog niet onherroepelijk vaststaan de salary split, zoals omschreven in de uitspraak, zal toepassen bij werknemers in de luchtvaartsector waarbij lid 3 van het arbeidsartikel niet toegepast kan worden.
Voor aanslagen van uw cliënt die, afgezien van het jaar 2016, nog niet onherroepelijk vaststaan, zal de Belastingdienst, bij toepassing van lid 1 van het betreffende verdragsartikel, slechts aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen over het loon dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in of op het grondgebied van het betreffende land. Uw cliënt dient aannemelijk te maken welk deel van de werkzaamheden zijn verricht in of op het grondgebied van een land. (...) ”
2.7.
Belanghebbende heeft op 31 maart 2020 aangifte IB gedaan voor het jaar 2018. In de aangifte heeft belanghebbende de volgende bedragen opgenomen:
- Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 83.842
- Inkomsten uit eigen woning:
-/- € 3.195
- Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 80.647
- Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896
Belanghebbende heeft voor de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 83.842 verzocht om voorkoming van dubbele belasting.
2.8
Met dagtekening 30 mei 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB 2018 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.
2.9.
Bij de aanslag IB 2018 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft de volgende bedragen vastgesteld:
- Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 153.861
- Inkomsten uit eigen woning:
-/- € 3.195
- Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 150.666
- Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896
De inspecteur heeft voor 20% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.
2.10.
In zijn bezwaarschrift van 23 augustus 2021 geeft gemachtigde van belanghebbende aan:
“Zoals genoemd is de aangifte inkomstenbelasting 2018 ingediend door de oude adviseur van belastingplichtige. Wij hebben de aangifte inkomstenbelasting 2018 opnieuw opgesteld en bijgevoegd in deze brief (
BIJLAGE 4). Hierin is het standpunt ingenomen dat belastingplichtige recht heeft op reductie ter voorkoming van dubbele belasting voor het deel van het Italiaanse inkomen dat ziet op alle werkzaamheden verricht, in zijn hoedanigheid als piloot van [vliegtuigmaatschappij] (standplaats Italië) in en boven het grondgebied van Italië.
In deze salaris splitsing zijn we uitgegaan van een totaal Duty time van 742:23 uur, totaal internationaal van 279:88 uur en een totaal domestic time van 462:35 uur. Dit levert een salaris splitsing op van 37,7% internationaal en 62,3 % domestic (BIJLAGE 5). Rekening houdende hiermee hebben wij voor een bedrag van € 93.744 reductie verzocht.”
2.11.
In de uitspraak op bezwaar van 1 juli 2023 schrijft de inspecteur:
“U heeft een berekening verstrekt waarbij u aangeeft dat er 62,3% van de tijd op of boven het grondgebied van Italië is gewerkt. Dit overzicht is door de heer [naam] reeds bekeken en beoordeeld. Daarom heb ik besloten dit percentage te volgen en voorkoming dubbele belasting te verstrekken voor 62,3% van het fiscale inkomen uit Italië.”
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen nader vastgesteld op het volgende:
- Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 142.077
- Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 142.077
- Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896
De inspecteur heeft vervolgens voor 62,3% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op een grotere vermindering wegens dubbele belasting over 2018, en meer specifiek of belanghebbende aan de brieven van 4 december 2018 (zie 2.5) en 17 september 2019 (zie 2.6) het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat iedere dag waarop een deel van de dag in of boven Italië is gewerkt in zijn geheel als Italiaanse werkdag moet worden aangemerkt.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB 2018. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
In het Belastingverdrag Nederland-Italië van 8 mei 1990 [1] (hierna: het Verdrag) is onder andere het volgende bepaald:
“Artikel 3
Algemene begripsbepalingen
1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:
(…)
g. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een van de Staten is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;
(…)
Artikel 15
Niet-zelfstandige arbeid
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.
2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:
a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en
b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en
c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.
3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning genoten door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, slechts in die Staat belastbaar.”
4.2.
De feitelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gelegen in het Verenigd Koninkrijk. Gevolg hiervan is dat op grond van artikel 3, letter g, van het Verdrag, artikel 15, lid 3, van het Verdrag niet van toepassing is. De verdeling van het heffingsrecht moet daarom op basis van artikel 15, lid 1 en lid 2, van het Verdrag worden bepaald.
4.3.
Het hof heeft op 18 januari 2019 geoordeeld dat [vliegtuigmaatschappij] over een vaste inrichting in Italië beschikt. [2] Tussen partijen is niet in geschil dat deze beoordeling ook voor deze procedure geldt. Dit heeft tot gevolg dat de inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid die in of boven Italië worden verricht op grond van artikel 15, lid 1, van het Verdrag voor de belastingheffing aan Italië zijn toegewezen. Op grond van artikel 24 van Pro het Verdrag betrekt Nederland deze inkomsten in de Nederlandse inkomstenbelasting, maar geeft Nederland een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.
4.4.
Tussen partijen is niet geschil dat het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in 2018 moet worden vastgesteld op € 142.077.
4.5.
In het bezwaarschrift heeft belanghebbende een berekening overgelegd waaruit volgt dat hij 62,3% van zijn werkzaamheden op of boven het grondgebied van Italië heeft verricht. Dit percentage heeft belanghebbende berekend door het aantal totaal gewerkte uren in 2018 af te zetten tegen het aantal uren dat in en boven Italië is gewerkt. Gevolg is dat op dagen waarop een werknemer gedeeltelijk in of boven Italië werkte, voor dat gedeelte als Italiaanse werktijd is aangemerkt, maar het gedeelte dat hij op die dag buiten Italië werkte niet als Italiaanse werktijd is aangemerkt. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven de juistheid van de berekening met een steekproef te hebben gecontroleerd. De inspecteur heeft deze berekening geaccepteerd bij het opleggen van de aanslag IB 2018.
4.6.
Belanghebbende betoogt dat hij aan de brieven van 4 december 2018 en van 17 september 2019 van de inspecteur het vertrouwen kan ontlenen dat de dagenbreuk moet worden aangepast, in die zin dat iedere dag waarop een gedeelte in Italië is gewerkt in zijn geheel aan Italië moet worden toegerekend.
4.7.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur een toezegging of andere uitlating is gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [3]
4.8.
Het hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt met betrekking tot het gewekte vertrouwen. In de brief van 17 september 2019 heeft de inspecteur een duidelijk voorbehoud gemaakt. In die brief schrijft de inspecteur:
“Voor toekomstige jaren kan aan dit standpunt echter geen vertrouwen ontleend worden.
(…)
Voor aanslagen van uw cliënt die, afgezien van het jaar 2016, nog niet onherroepelijk vaststaan, zal de Belastingdienst, bij toepassing van lid 1 van het betreffende verdragsartikel, slechts aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen over het loon dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in of op het grondgebied van het betreffende land. Uw cliënt dient aannemelijk te maken welk deel van de werkzaamheden zijn verricht in of op het grondgebied van een land. (...)”
4.9.
De aangifte IB/PVV is gedaan op 31 maart 2020, ruim nadat belanghebbende kennis heeft genomen van deze brief. Het moest belanghebbende bij het doen van de aangifte voldoende duidelijk zijn, dat hij aan de brieven van 4 december 2018 en 17 september 2019 niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat de berekeningswijze die de inspecteur voor 2016 accepteerde ook gevolgd kon worden voor latere jaren waarvoor nog aangifte gedaan moest worden.
4.10.
Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel miskent bovendien dat de brieven van 4 december 2018 en 17 september 2019 zagen op een discussie tussen belanghebbende en de inspecteur over de telling van fysieke verblijfsdagen in het kader van artikel 15, lid 2, letter a, van het Verdrag. Tussen partijen is niet in geschil, dat sprake is van een vaste inrichting van [vliegtuigmaatschappij] in Italië, en dat artikel 15, lid 2, van het Verdrag niet van toepassing is. Daarom moet in dit geval de verdeling van het heffingsrecht worden beoordeeld op grond van artikel 15, lid 1, van het Verdrag, waarbij de toerekening van de werkzaamheden bepalend is (de salary split). De gestelde toezegging zag op een ander artikellid, waarin een andere maatstaf wordt aangelegd.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Rietveld voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J. Rietveld
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Trb. 1990, 86.
3.HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.