Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1520

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
20-002282-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens meervoudige diefstallen en witwassen met babbeltrucs op hoogbejaarden

In hoger beroep is bewezenverklaard dat de verdachte zich in anderhalve maand samen met anderen schuldig maakte aan meerdere diefstallen met een gestolen pinpas, pogingen daartoe, tweemaal diefstal in vereniging met babbeltrucs en witwassen van €2.411,70.

De slachtoffers waren voornamelijk hoogbejaarde vrouwen die door de babbeltrucs ernstig werden benadeeld. De verdachte en mededaders maakten bewust misbruik van hun kwetsbaarheid, wat het hof zwaar aanrekent. De rechtbank had eerder een straf opgelegd, maar het hof vernietigde de opgelegde gevangenisstraf en legde een nieuwe straf op.

Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte, mede vanwege gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, leidden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof bevestigde de overige beslissingen van de rechtbank, waaronder schadevergoedingen aan benadeelde partijen, en achtte de straf passend binnen het kader van de procesafspraken en de ernst van de feiten.

De uitspraak werd op 26 mei 2026 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd en 240 uur taakstraf wegens meervoudige diefstallen en witwassen via babbeltrucs op hoogbejaarden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002282-23
Uitspraak : 26 mei 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-196325-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder 7 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van:
- ‘ ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te
nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’ (het onder 1, 4 en 6 tenlastegelegde);
- ‘ ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige
het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’ (het onder 2 tenlastegelegde);
  • ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ (het onder 3 en 5 tenlastegelegde) en
  • ‘opzetwitwassen’ (het onder 7 subsidiair tenlastegelegde)
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn door de rechtbank geheel toegewezen, respectievelijk tot bedragen van € 1.245,75 en € 1.165,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de verdachte is door de rechtbank veroordeeld in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Namens de op [overlijdensdatum] overleden benadeelde partij [benadeelde 1] is door nabestaande [benadeelde 4] op 23 januari 2024 een wensenformulier ingevuld waarop kenbaar is gemaakt dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep wordt gehandhaafd. Het strafgeding voorziet echter niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook als de persoon die zich op grond van artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter op grond van artikel 361 lid 4 Sv Pro moet beslissen op de betreffende vordering. Als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, op grond van artikel 421 lid 2 Sv Pro van rechtswege voort in hoger beroep (HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:498). Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] door de rechtbank tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, is toegewezen, is de vordering in hoger beroep slechts in zoverre opnieuw aan de orde.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft, met het oog op de hierna te bespreken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen procesafspraken, gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, inclusief de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, met uitzondering van de in dat vonnis opgelegde straf, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft in het verlengde van de hierna te bespreken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen procesafspraken geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring, de kwalificaties, de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van de verdachte en zich geconformeerd aan de door de advocaat-generaal gevorderde straf.
Procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben als partijen onderling een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken alsmede een voorstel tot afdoening van de zaak zijn opgenomen. Deze overeenkomst is door de advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie, door de verdachte en door de raadsman van de verdachte op 12 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling ondertekend.
De voornaamste overwegingen die, zo blijkt uit de overeenkomst, aan het maken van procesafspraken ten grondslag liggen, betreffen de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De in voornoemde overeenkomst opgenomen procesafspraken luiden als volgt:
Het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch op 12 mei 2026 requireren tot bevestiging van het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring.
Het Openbaar Ministerie zal ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] telkens een standpunt innemen dat gelijk is aan de beslissing van de rechtbank.
Het Openbaar Ministerie zal een taakstraf van 240 uren vorderen met aftrek overeenkomstig art. 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarbij de maatstaf volgens welke de aftrek zal geschieden wordt gesteld op 2 uren per dag.
Het Openbaar Ministerie zal een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren vorderen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht (voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht).
Indien het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch overeenkomstig het voorgaande zal oordelen, zal het Openbaar Ministerie geen cassatieberoep instellen.
Door of namens verdachte zullen geen (nadere) verweren worden gevoerd en geen (nadere) onderzoekswensen worden gedaan.
Verdachte verklaart zich bereid de schade van de genoemde benadeelde partijen te vergoeden, voor zover die schade door het gerechtshof zal worden toegewezen.
Verdachte zal afzien van het instellen van cassatieberoep, indien het gerechtshof overeenkomstig de punten 1 tot en met 4
(het hof begrijpt: de onderdelen a tot en met d)zal oordelen.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 12 mei 2026 zijn door het hof, in aanwezigheid van de advocaat-generaal, de verdachte en haar raadsman de tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte gesloten overeenkomst, de daarin opgenomen procesafspraken en het afdoeningsvoorstel uitvoerig aan de orde gesteld en met de advocaat-generaal en (de raadsman van) de verdachte besproken. Daarbij heeft het hof nadrukkelijk onderzocht of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaarde afstand van verdedigingsrechten. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat dit het geval is.
Naar het oordeel van het hof passen de overeengekomen procesafspraken binnen het door de Hoge Raad geschetste kader voor procesafspraken (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). Het hof heeft de overeengekomen procesafspraken betrokken bij de beantwoording van de vraagpunten op grond van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, inclusief de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, behalve voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Op te leggen straffen
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich in een tijdsbestek van anderhalve maand samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen van geldbedragen door met een gestolen pinpas te pinnen, twee pogingen daartoe, tweemaal diefstal in vereniging waarbij gebruik gemaakt is van een zogenaamde babbeltruc en het opzettelijk witwassen van een bedrag van in totaal € 2.411,70.
Naast de slachtoffers van het witwassen, zijn drie oudere hoogbejaarde dames door deze
feiten ernstig benadeeld. Er zijn grote bedragen buitgemaakt en er is veelvuldig met de pinpassen gepind. De babbeltrucs waren erg doortrapt. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte en haar mededader(s) bewust deze slachtoffers van hoge leeftijd hebben uitgekozen. De verdachte heeft zich bij een van de babbeltrucs samen met een mededader bij een bejaarde vrouw van destijds 85 jaar oud voorgedaan als iemand van de zorg die de woning kwam controleren. Daarbij hebben zij sieraden, geld, een pinpas en pincode weggenomen. Met die pinpas is kort daarna een bedrag van € 2.161,90 weggenomen. Bij de andere babbeltruc heeft zij zich samen met een mededader bij een hoogbejaarde vrouw van destijds 86 jaar oud voorgedaan als leerling van een ROC en werd gevraagd of deze vrouw mee wilde doen aan een interview. Zo hebben zij zich toegang verschaft tot haar woning en haar portemonnee met geld en pinpas meegenomen. Bij een derde slachtoffer werd in totaal een bedrag van € 37.916,70 buitgemaakt door veelvuldig te pinnen. De verdachte kan voor een groot deel van dit geldbedrag verantwoordelijk worden gehouden.
Met deze manier van handelen hebben de verdachte en haar mededaders ernstig misbruik
gemaakt van de kwetsbaarheid van (hoog)bejaarde mensen. Zij hebben uitsluitend uit
eigenbelang en winstbejag gehandeld en een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht en de
persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit getuigt van een verregaand gebrek aan
respect en moreel besef. Het gevoel van veiligheid en het vertrouwen in anderen van de
getroffen ouderen is hierdoor ernstig geschaad. Juist de kwetsbare en afhankelijke positie
van deze doelgroep maakt het plegen van dit soort feiten extra kwalijk. Het hof rekent
dat de verdachte dan ook zwaar aan.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de veelvoud aan feiten is het hof van
oordeel dat in beginsel enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie is.
Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Hieruit volgt dat de verdachte door de rechtbank Den Haag op 14 april 2026 is veroordeeld in de zaak met parketnummer 09-807942-19 conform de in die strafzaak gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft beslist dat de verdachte in beginsel niet opnieuw in detentie hoeft, in het bijzonder gelet op haar gewijzigde persoonlijke omstandigheden. Zij heeft verantwoordelijkheid genomen en is inmiddels anderhalf jaar moeder van een jong kind. Tevens heeft de rechtbank in die zaak vastgesteld dat zij niet heeft gerecidiveerd, dat zij een normaal leven opgebouwd heeft, mantelzorger is van haar moeder en dat de redelijke termijn zeer ruim is overschreden. De in de onderhavige zaak voorliggende procesafspraken bouwen hierop voort.
Het hof stelt in onderhavige zaak tevens vast dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel is, zo begrijpt het hof nu deze procesafspraken voortbouwen op de eerdere procesafspraken en onderhavige feiten voorafgaand aan de die feiten zijn gepleegd, rekening gehouden met deze termijnoverschrijdingen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen straffen niet kan worden gezegd dat deze thans niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting. Tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde – en door de verdediging bepleite – straffen dan ook passend en geboden. Het hof zal daarom aan de verdachte de straffen opleggen zoals overeengekomen in voormelde procesafspraken, inhoudende de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 26 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.