ECLI:NL:GHSHE:2026:1542

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
20-001262-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 416 SrArt. 417 SrArt. 417bis SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelneming criminele organisatie, veroordeling medeplegen opzetheling en poging zware mishandeling

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en in hoger beroep de verdachte vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van gewoonteheling. Wel is hij veroordeeld voor medeplegen van opzetheling van drie gestolen auto's, poging tot zware mishandeling door met hoge snelheid op een voetganger in te rijden, overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 door gevaarlijk rijgedrag, en het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III.

De verdachte reed in juni 2021 drie gestolen Peugeots naar een terrein waar ze werden opgeslagen voor verscheping. Hij wist willens en wetens dat de auto's gestolen waren. Op 26 juni 2021 reed hij met hoge snelheid op een voetganger in Amstenrade, die ternauwernood kon ontsnappen. Ook reed hij door rood licht en veroorzaakte gevaar op de weg. In zijn woning werd een gaspistool aangetroffen.

De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid, maar het hof legde een gevangenisstraf van 9 maanden op, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast kreeg hij een geldboete van €250 voor de verkeersovertreding. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en een eerder voorwaardelijke straf werd omgezet in een taakstraf.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade niet rechtstreeks aan de verdachte kon worden toegerekend of onvoldoende onderbouwd was. Een verzoek tot straat- en contactverbod werd afgewezen.

Het hof oordeelde dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep was overschreden, wat leidde tot een strafvermindering. De verdachte heeft een strafblad met eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en verkeersovertredingen, en liep ten tijde van de feiten in proeftijd voor schuldheling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf deels voorwaardelijk, taakstraf en geldboete, vrijgesproken van deelneming aan criminele organisatie.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001262-23
Uitspraak : 10 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 april 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-176090-21, 03-167002-21 en 03-276951-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummers 03-264418-19, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder feit 1 primair tenlastegelegde.
De rechtbank heeft het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde, het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
- ‘medeplegen van: van het plegen van opzetheling een gewoonte maken’
(parketnummer 03-176090-21 feit 1 subsidiair);
  • ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ (parketnummer 03-176090-21 feit 2);
  • ‘poging tot zware mishandeling’ (parketnummer 03-167002-21 feit 1 primair);
  • ‘overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994’ (parketnummer 03-167002-21 feit 2);
  • ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ (parketnummer 03-276951-21),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem voor de bewezenverklaarde feiten met uitzondering van feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest voor feit 1 primair in de zaak met parketnummer
03-167002-21. Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 heeft de rechtbank toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel).
De rechtbank heeft de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding en hen veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen deze vorderingen gemaakt en deze kosten begroot op nihil.
Verder heeft de rechtbank het onder de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen onttrokken aan het verkeer.
De rechtbank heeft daarnaast de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 03-264418-19 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Het hof heeft van de benadeelde partij geen handhavingsformulier ontvangen. De vordering is in hoger beroep dan ook niet meer aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van hetgeen in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 primair is tenlastegelegd en zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair en 2, in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 03-276951-21 en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 03-264418-19. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde alsmede van het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Namens de verdachte is geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring door de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 03-264418-19 om te zetten in een taakstraf. Ten slotte heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 03-176090-21:1. primairhij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 15 juni 2021 in de gemeente Voerendaal en/of Sittard en/of Brunssum en/of Landgraaf, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op na te melden tijdstippen, na te melden goed/goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:

- in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 4 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 1] ), welke toebehoorde aan [benadeelde 4] en/of
- in of omstreeks de periode van 6 juni 2021 tot en met 7 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 2] ), welke toebehoorde aan [benadeelde 5] en/of
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 7 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 3] ), welke toebehoorde aan [benadeelde 6] ,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel, door gebruik te maken van een of meer blanco sleutels;
1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 15 juni 2021 in de gemeente Voerendaal en/of Sittard en/of Brunssum en/of Landgraaf, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland en/of Ghana, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte op na te melden tijdstippen, na te melden goed/goederen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed/goederen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed/goederen betrof, te weten:
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 1] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 2] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 3] );
1. meer subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 in de gemeente Voerendaal en/of Sittard en/of Brunssum en/of Landgraaf, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland en/of Ghana, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) op na te melden tijdstippen, na te melden goed/goederen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed/goederen (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goed/goederen betrof, te weten:
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 1] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 2] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 3] );
2.
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 15 juni 2021 in de gemeente Voerendaal en/of Sittard en/of Brunssum en/of Landgraaf, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland en/of Ghana, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het overtreden van artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling) en/of artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht (diefstal) en/of artikel 311 Wetboek Pro van Strafrecht (gekwalificeerde diefstal) en/of (gewoonte)witwassen (artikel 420bis en artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) en/of een of meer andere misdrijven, welke misdrijven in Nederland en/of België en/of Duitsland en/of Ghana werden gepleegd.

Zaak met parketnummer 03-167002-21:1. primairhij op of omstreeks 26 juni 2021 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een personenauto meermalen, althans eenmaal, met aanmerkelijke, althans enige, snelheid op die [benadeelde 3] is ingereden, waardoor die [benadeelde 3] (meermalen) opzij moest springen om een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 26 juni 2021 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door als bestuurder van een personenauto meermalen, althans eenmaal, met aanmerkelijke, althans enige, snelheid op die [benadeelde 3] in te rijden;
2.
hij op of omstreeks 26 juni 2021 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hoofdstraat, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of (vervolgens) met hoge snelheid, althans hogere snelheid dan voor veilig verkeer ter plaatse was toegestaan, naar een voetgangersoversteekplaats is gereden en/of die voetgangersoversteekplaats heeft gekruist, waar [benadeelde 3] op dat moment bezig was om over te steken, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Zaak met parketnummer 03-276951-21:hij op of omstreeks 3 juli 2021 te Brunssum, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Umarex, type Walther P88-9, kaliber 9 millimeter P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 1 primair en feit 2 in de zaak met parketnummer 03-176090-21
Feit 1 primair in de zaak met parketnummer 03-176090-21: (medeplegen van) (gekwalificeerde) diefstal
In de zaak met parketnummer 03-176090-21 is onder 1 aan de verdachte primair tenlastegelegd (medeplegen van) (gekwalificeerde) diefstal van (een of meer van) de in de tenlastelegging genoemde auto’s.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep -op de gronden als verwoord in de pleitnota- vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde (gekwalificeerde) diefstal.
Het hof is, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 primair is tenlastegelegd.
Feit 2 in de zaak met parketnummer 03-176090-21: deelneming aan een organisatie ex artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht
In de zaak met parketnummer 03-176090-21 is onder 2 aan de verdachte -kort gezegd- tenlastegelegd dat hij, tezamen met (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het overtreden van artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling) en/of artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht (diefstal) en/of artikel 311 Wetboek Pro van Strafrecht (gekwalificeerde diefstal) en/of (gewoonte)witwassen (artikel 420bis en artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) en/of een of meer andere misdrijven.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep -op de gronden als verwoord in de pleitnota- vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 2 tenlastegelegde. Deze gronden komen -kort gezegd- op het volgende neer. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de eventuele structuur, rolverdeling en werkwijze van de organisatie om het bestaan van een criminele organisatie bewezen te achten. Voorts is er geen sprake geweest van (opzet op) deelneming aan een criminele organisatie door de verdachte.
Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Het hof acht genoegzaam komen vast te staan dat te dezen sprake was van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het overtreden van artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling). Het hof verwijst daarvoor naar de overwegingen dienaangaande in het arrest van heden in de zaak met parketnummer 20-001190-23 tegen medeverdachte [medeverdachte 2] .
De vraag die resteert is dan of ook bewezen kan worden verklaard dat de verdachte aan die organisatie heeft ‘deelgenomen’. In dat verband stelt het hof voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het voornoemde oogmerk. Op zich heeft de verdachte deelgenomen door de handelingen die hij heeft verricht met het verplaatsen van gestolen auto’s.
Maar daarbij dient de verdachte opzettelijk deel te nemen in zoverre dat hij ‘in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’. Daarbij wordt het opzet ingevuld in de zin van onvoorwaardelijk opzet. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. Wetenschap van alle andere (rechts)personen die deel uitmaken van de organisatie is evenmin vereist. Elke bijdrage aan een criminele organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.
De criminele organisatie in het onderzoek Dianthus (voorheen: onderzoek Vliet) hield zich bezig met de heling van gestolen auto’s. Wat betreft de beweerdelijke rol van de verdachte daarin, kan op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet méér worden vastgesteld dan dat hij op verzoek van een derde op twee dagen in de periode van 5 juni 2021 tot en met 7 juni 2021 in totaal drie gestolen auto’s naar het terrein aan [adres 2] heeft gereden. Deze gestolen auto’s zijn daar
-buiten aanwezigheid van de verdachte- door medeverdachte [medeverdachte 2] in een container geplaatst die is verscheept naar Ghana.
Op grond van het voorgaande kan hoogstens worden vastgesteld dat de verdachte mogelijk hand- en spandiensten heeft verricht voor deelnemers aan de criminele organisatie doch uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van het bestaan van een criminele organisatie, laat staan dat daaruit kan worden afgeleid dat hij handelde in de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van de in artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling) bedoelde feiten. Daarmee staat dan ook niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. De ten laste van de verdachte bewijsbare bijdrage is daarvoor van onvoldoende duur en intensiteit. Daarbij komt dat de verdachte zeer beperkte contacten heeft gehad, onvoldoende om daaruit te kunnen concluderen dat er wetenschap was van het bestaan van de organisatie waardoor het bewijs voor deelnemen daaraan niet voorhanden is.
Het hof acht daarmee het voor een bewezenverklaring vereiste opzet van de verdachte op de deelname aan de criminele organisatie alsmede het opzet op het oogmerk van de organisatie niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 2 is tenlastegelegd.
Partiële vrijspraak feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 03-176090-21
In de zaak met parketnummer 03-176090-21 is onder 1 subsidiair aan de verdachte tenlastegelegd (medeplegen van) gewoonteheling van (een of meer van) de in de tenlastelegging genoemde auto’s.
Het hof is met de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld (HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701).
Het hof is van oordeel dat het op twee dagen wegbrengen van in totaal drie gestolen auto’s in deze zaak niet kan worden gekwalificeerd als een gewoonte maken van het plegen van opzetheling. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair, het in de zaak met parketnummer
03-167002-21 onder 1 primair en 2 en het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 03-176090-21:

1. subsidiair
hij in de periode van 3 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met anderen, op na te melden tijdstippen, na te melden goederen voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten:
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 1] ) en
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 2] ) en een Peugeot 3008 ( [kenteken 3] ).

Zaak met parketnummer 03-167002-21:1. primairhij op 26 juni 2021 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een personenauto met aanmerkelijke snelheid op die [benadeelde 3] is ingereden, waardoor die [benadeelde 3] opzij moest springen om een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 26 juni 2021 te Amstenrade, gemeente Beekdaelen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hoofdstraat, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en (vervolgens) met hoge snelheid, althans hogere snelheid dan voor veilig verkeer ter plaatse was toegestaan, naar een voetgangersoversteekplaats is gereden en die voetgangersoversteekplaats heeft gekruist, waar [benadeelde 3] op dat moment bezig was om over te steken, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Zaak met parketnummer 03-276951-21: hij op 3 juli 2021 te Brunssum een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Umarex, type Walther P88-9, kaliber 9 millimeter P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
In de zaak met parketnummer 03-176090-21Feit 1 subsidiair: (medeplegen van) gewoontehelingIn de zaak met parketnummer 03-176090-21 is onder 1 subsidiair aan de verdachte tenlastegelegd (medeplegen van) gewoonteheling van (een of meer van) de in de tenlastelegging genoemde auto’s en -na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep- meer subsidiair (medeplegen van) schuldheling van (een of meer van) die auto’s.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep -op de gronden als verwoord in de pleitnota- vrijspraak bepleit van de subsidiair tenlastegelegde gewoonteheling alsook van opzetheling. In de visie van de verdediging kan hooguit sprake zijn van de meer subsidiair tenlastegelegde schuldheling, al valt er naar de mening van de verdediging ook over te redetwisten of er bij de verdachte sprake is geweest van de daarvoor vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdediging heeft zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Hiervoor is reeds overwogen dat het hof de verdachte vrijspreekt van het een gewoonte maken van opzetheling. De vraag die resteert is of de verdachte zich aan opzetheling heeft schuldig gemaakt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op twee dagen in de periode van 5 juni 2021 tot en met 7 juni 2021 in totaal drie auto’s naar het perceel aan [adres 2] heeft gereden. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat deze auto’s van diefstal afkomstig waren.
Voor een veroordeling ter zake van opzetheling is ingevolge artikel 416, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze auto’s wist dat dit door misdrijf verkregen goederen betrof. In dit ‘weten’ komt het opzet tot uitdrukking. Voorwaardelijk opzet, de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het goed door misdrijf is verkregen, is daaronder tevens begrepen.
Over de omstandigheden waaronder de verdachte de gestolen auto’s voorhanden heeft gekregen heeft hij (samengevat) het volgende verklaard. Bij het rondhangen op een verkeerde plek in de buurt waar de verdachte destijds woonde -waar naar zijn zeggen alleen maar dieven woonden- kwam hij iemand tegen die hem vroeg om auto’s naar het perceel aan [adres 2] te brengen. Deze persoon zei hem dat hij geen rijbewijs had. De verdachte kreeg naar zijn zeggen van deze persoon twee tientjes per rit. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het niet bepaald ging om sloopauto’s, maar om relatief dure auto’s, namelijk twee Peugeots 3008 en een Peugeot 5008. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat deze relatief nieuw waren. De Peugeot 3008 met kenteken [kenteken 1] heeft als bouwjaar 2017 en toentertijd circa 38.000 km op de teller, de Peugeot 3008 met kenteken [kenteken 3] heeft als bouwjaar 2017 en de Peugeot 5008 met kenteken [kenteken 2] heeft als bouwjaar 2019 en toentertijd circa 50.500 km op de teller. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel in de gaten had dat ‘het’ niet helemaal klopte maar hij heeft de auto’s toch naar de [adres 2] gereden.
Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze drie auto’s verspreid over twee dagen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de auto’s van diefstal afkomstig waren.
Indien de verdachte niet meer dan één keer een gestolen auto naar het perceel aan [adres 2] had gereden zou naar het oordeel van het hof wellicht nog wat te zeggen zijn geweest voor de stelling van de raadsman dat er aan de zijde van de verdachte slechts sprake is geweest van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Maar nu de verdachte na de eerste keer nog twee keer een relatief nieuwe, dure auto voor twee tientjes heeft weggebracht op verzoek van een persoon die zegt geen rijbewijs te hebben, kan mede gelet op de hierboven vermelde omstandigheden waaronder de verdachte deze auto’s voorhanden heeft gekregen, naar het oordeel van het hof geen sprake meer zijn van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van de verdachte.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de betreffende auto’s.
In de zaak met parketnummer 03-167002-21Feit 1: primair: poging tot zware mishandeling
In de zaak met parketnummer 03-167002-21 is aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegd poging tot zware mishandeling van aangever [benadeelde 3] en subsidiair bedreiging van die [benadeelde 3] met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep -op de gronden als verwoord in de pleitnota- vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Deze gronden komen -kort gezegd- op het volgende neer. Ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling was er ofwel geen sprake van opzet zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op het moment dat de verdachte met zijn auto richting aangever aan kwam rijden ofwel kan niet worden vastgesteld dat zich een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft voorgedaan. Verdachte ontkent - al dan niet in de achteruit - terug te zijn gereden om aangever aan te rijden. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde bedreiging valt uit de gedragingen van de verdachte niet zonder meer op te maken dat hij opzet had op het bedreigen van aangever [benadeelde 3] , aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[benadeelde 3] heeft aangifte gedaan van (onder meer) een poging tot zware mishandeling. [getuige] , de vriendin van aangever, in wiens gezelschap hij zich ten tijde van het gebeurde bevond, is door de politie als getuige gehoord en nadien door de politie nog aanvullend als getuige gehoord.
Het hof stelt voorop dat het geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige] . Aangever en [getuige] hebben immers direct na het gebeurde een verklaring afgelegd bij de politie, welke verklaringen elkaar ondersteunen en steun vinden in onafhankelijk onderzoek dat diezelfde nacht heeft plaatsgevonden
Het hof stelt op grond van de verklaringen van aangever en getuige [getuige] allereerst de volgende feiten vast. Op 26 juni 2021, omstreeks 00.30 uur, is aangever [benadeelde 3] samen met zijn vriendin [getuige] , de Hoofdstraat te Amstenrade overgestoken. Zij deden dit bij een oversteekplaats voor voetgangers die was voorzien van verkeerslichten, terwijl er groen licht in hun richting brandde. Aangever liep wat langzamer dan zijn vriendin. Terwijl aangever bezig was met oversteken, waarbij hij nog steeds groen licht had en zijn vriendin zich reeds aan de overzijde van de oversteekplaats op het trottoir bevond, kwam een witte Volkswagen Polo met hoge snelheid, althans hogere snelheid dan voor veilig verkeer ter plaatse in de rede lag aangereden. De auto naderde immers een verkeerslicht en er waren twee personen aan het oversteken. De auto kwam op dan wel in ieder geval richting de aangever af gereden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij de bestuurder was van de witte Volkswagen Polo waarover aangever en getuige [getuige] verklaren.
Het hof overweegt dat als een voetganger door een (te hard) rijdende auto wordt aangereden de kans aanmerkelijk is te achten dat hij daarbij zwaar lichamelijk letsel bekomt, waarbij gedacht kan worden aan ernstige botbreuken en hoofd- en hersenletsel.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat de verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 3] . Het hof dient dan ook te onderzoeken of er bij de verdachte wel tenminste sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het
-behalve als sprake is van contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat de verdachte de eerste keer dat hij rakelings langs de aangever [benadeelde 3] is gereden niet zonder meer bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Daartoe overweegt het hof dat uit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat de auto van de verdachte de aangever, gezien vanuit de bestuurder, links is gepasseerd. Dit past ook bij het feit dat de politie een veegspoor op het raam rechtsachter van de auto heeft waargenomen en aangever heeft verklaard dat hij ten tijde van het eerste treffen met zijn hand een veeg over een raam heeft gegeven.
Door de linker weghelft te gebruiken bestond kennelijk de bedoeling om de aangever die zich inmiddels midden op de weg bevond te ontwijken. Ware dit anders geweest dan ziet het hof niet goed in waarom de verdachte de aangever links is gepasseerd in plaats van recht in het midden te (blijven) rijden. De looprichting van aangever was naar rechts, richting zijn vriendin, richting het klooster. Iedere stap die aangever in die richting nog zou zetten zou hem verder hebben verwijderd van de linkerhelft van de weg. In dit gegeven ziet het hof dan ook geen steun voor de verdenking dat verdachte toen reeds aangever heeft willen aanrijden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met zijn auto door een rood verkeerslicht is gereden.
Het hof stelt op grond van de verklaringen van aangever [benadeelde 3] en getuige [getuige] verder vast dat de verdachte hierna zijn Volkswagen Polo heeft gestopt en daarmee hard achteruit is gereden richting aangever die zich op dat moment nog steeds op de voetgangersoversteekplaats bevond, in een, gelet op de rijrichting, kennelijke poging aangever met zijn auto te raken. Getuige [getuige] , die zich op dat moment reeds aan de overzijde van de oversteekplaats op het trottoir bevond en vanaf daar naar eigen zeggen goed zicht had op de situatie, verklaart dat de Volkswagen Polo bij het achteruit rijden vol gas gaf en dat zij het toerental van de auto snel omhoog hoorde gaan. De getuige verklaart dat de bestuurder op geen enkele wijze vertraagde toen zijn auto in de buurt van aangever kwam. De getuige zag dat aangever wegsprong voor de auto en verklaart dat als aangever was blijven staan hij zeker door de auto omver was gereden. Uit het feit dat de aangever weg is gesprongen leidt het hof af dat de verdachte in de richting van aangever is gereden.
Het hof is van oordeel dat vorenomschreven gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm -behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken- kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [benadeelde 3] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte -op zijn minst genomen- de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.
Het hof verwerpt aldus de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Feit 2: overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
In de zaak met parketnummer 03-167002-21 is onder 2 aan de verdachte tenlastegelegd overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg, zoals bedoeld in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, er sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt. Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het enkel schenden van een gedragsregel in het verkeer levert niet zonder meer het veroorzaken van gevaar of hinder op als hiervoor bedoeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met zijn auto door een rood verkeerslicht is gereden. Het hof constateert dat de verdachte vervolgens met hoge snelheid, rakelings langs aangever [benadeelde 3] is gereden, die bezig was een oversteekplaats voor voetgangers over te steken. Vast staat dat aangever, nadat de verdachte door het rode licht was gereden, op diens auto heeft geslagen. Dat kan alleen het geval zijn geweest als de verdachte zich met zijn auto vlakbij aangever bevond. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat hier sprake is geweest van gevaar als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet Pro.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij na het passeren van het rode verkeerslicht is gestopt waarbij de achterwielen van zijn auto nog op of net na de stopstreep bij de voor hem geldende verkeerslichten stonden. Volgens de verdachte zou hij zich na het rijden door het rode verkeerslicht met zijn auto nog vóór de voetgangersoversteekplaats hebben bevonden. Het hof acht dit niet geloofwaardig. Immers, niet valt in te zien - nog los van de vraag in hoeverre door rood gereden kan worden terwijl men bij de stopstreep is gestopt - hoe aangever -die bezig was de oversteekplaats voor voetgangers over te steken- de auto van de verdachte in dat geval geraakt kan hebben.
Het hof is van oordeel dat door voornoemde gedragingen van de verdachte onder voornoemde omstandigheden evident gevaar op de weg is veroorzaakt met de reële mogelijkheid van (ernstige) schade voor goed of lijf.
Gelet op het voorgaande is sprake van gevaarlijk rijgedrag van de verdachte als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzetheling meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd -rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep- aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast een (forsere) taakstraf, gelet op het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Voorts heeft de raadsman betoogd dat een cumulatie van straffen zoals in het vonnis waarvan beroep is geschied, niet op zijn plaats is, gelet op de grote samenhang tussen de verschillende tenlastegelegde feiten.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van drie auto’s. Heling bevordert diefstal, zorgt voor het verplaatsen van gestolen goederen in een illegaal circuit en levert veel schade op. De reguliere, eerlijke (detail)handel in goederen wordt hierdoor verstoord. Met zijn handelen heeft de verdachte daaraan een bijdrage geleverd. Bovendien blijkt uit verdachtes handelen een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van een ander.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [benadeelde 3] , door met een personenauto met hoge snelheid op die [benadeelde 3] in te rijden. Voorts heeft de verdachte door zijn rijgedrag gevaar op de weg veroorzaakt.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen van categorie III: een gaspistool van het merk Umarex, type Walther P88-9, kaliber 9 millimeter P.A.K. Dit wapen is aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. Het onbevoegd voorhanden hebben van een wapen is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Een dergelijk wapen kan gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten alsmede voor een overtreding van de Wegenverkeerswet. Ook blijkt daaruit dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in de proeftijd liep van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor onder meer schuldheling. Deze omstandigheden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke strafbare feiten. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Uit het uittreksel volgt verder dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij werkloos is, een bijstandsuitkering ontvangt en een huurwoning heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof voor de bewezenverklaarde feiten met uitzondering van feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden.
Ter zake van feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 acht het hof de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, met 1 jaar en ruim 1 maand is overschreden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een overschrijding van deze duur rechtvaardigen. Er is in hoger beroep dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoel in artikel 6 EVRM Pro.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en ter zake van feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 een geldboete ter hoogte van € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en ter zake van feit 2 in de zaak met parketnummer 03-167002-21 een geldboete ter hoogte van € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis.
Het hof acht het mede gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte niet wenselijk indien hij terug zou moeten naar de gevangenis. Het hof zal de hiervoor vermelde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden daarom deels voorwaardelijk opleggen aldus dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug hoeft naar de gevangenis, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zou maken aan een strafbaar feit. Door naast deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf een onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur op te leggen wil het hof de ernst van de bewezenverklaarde feiten benadrukken. Het hof acht het aangewezen om aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf een proeftijd van 3 jaren te verbinden als stevige stok achter de deur.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank beslist op het onder de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen en heeft dit onttrokken aan het verkeer. Op de overige op de beslaglijst vermelde onder de verdachte inbeslaggenomen goederen, bestaande uit drie mobiele telefoons en een tomtom, is door de rechtbank niet beslist.
Het onder de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen zal aan het verkeer worden onttrokken, omdat dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte uitdrukkelijk afstand gedaan van de overige inbeslaggenomen voorwerpen bestaande uit drie mobiele telefoons en een tomtom. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voor het overige geen beslissing op enig beslag meer is vereist.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1.189,95 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade betreft spullen die in de gestolen auto van de benadeelde partij lagen, zoals zonnebrillen en gereedschap. Ook vordert de benadeelde partij de kosten van een onderhoudsbeurt en APK-keuring die kort voor de diefstal zijn gemaakt en de kosten van een volle tank benzine.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu de diefstal dan wel de heling van de auto van de benadeelde partij niet aan de verdachte ten laste is gelegd en de verdachte alleen al daarom niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de in verband daarmee gevorderde schade. Het hof zal de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht een straat- en contactverbod aan de verdachte op te leggen in verband met mogelijke represailles voor het slaan op de auto van de verdachte door de benadeelde partij.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd en het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij in de gelegenheid wordt gesteld om die onderbouwing alsnog te geven. De benadeelde partij kan daarom zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof zal de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten. Het hof ziet voorts geen aanleiding om een straat- en contactverbod aan de verdachte op te leggen zoals door de benadeelde partij is verzocht zodat dat verzoek zal worden afgewezen.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 januari 2020 onder parketnummer
03-264418-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf op zijn plaats is. Echter op grond van hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, zal het hof bevelen dat in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, zal worden gelast. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van deze taakstraf gelet op de LOVS-tabel ‘omzetting vrijheidsstraf in taakstraf (TUL)’.
Opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij bevel van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 april 2023 met ingang van die datum te 13:30 uur geschorst onder de daarin genoemde voorwaarden.
Het hof acht thans termen aanwezig het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij gebrek aan actuele gronden op te heffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 45, 57, 62, 63, 302 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair, het in de zaak met parketnummer
03-167002-21 onder 1 primair en 2 en het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair, het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair en 2 en het in de zaak met parketnummer 03-276951-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair, in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 03-276951-21 bewezenverklaarde tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
105 (honderdvijf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 03-176090-21 onder 1 subsidiair, in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 03-276951-21 bewezenverklaarde tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 03-167002-21 onder 2 bewezenverklaarde tot een
geldboetevan
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
2 (twee) dagen hechtenis;
beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Wapen (Omschrijving: PL2300-2021093185-G1428075, grijs, merk: met opbergdoos);

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;
wijst af het verzochte straat- en contactverbod;

Vordering tenuitvoerlegging

gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 januari 2020 met parketnummer 03-264418-19, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis;

Voorlopige hechtenis

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. van Campen en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 10 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.M.G. Smit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.