Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
23 november 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 23 november 2021 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2020. De zaak betrof het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener, zoals bedoeld in artikel 2:3a lid 1 Wft, in samenhang met de Wet op de economische delicten.
Het hof had vastgesteld dat verdachte in de periode van 28 april 2015 tot en met 22 april 2016 via 162 stortingen een totaalbedrag van €895.000 op een bankrekening had bijgeschreven en kort daarna geld overmaakte naar verschillende bedrijven. Daarnaast werden in september 2015 contante bedragen gestort en via overboekingen doorbetaald. Verdachte verklaarde deze transacties te verrichten voor bedrijven die vanuit Soedan geen banktransacties naar Nederland kunnen doen.
De Hoge Raad bevestigde dat voor het bewijs van het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener vereist is dat de betaaldiensten niet slechts incidenteel worden verleend. Het hof had voldoende gemotiveerd geoordeeld dat verdachte gelet op het aantal transacties, het tijdsbestek en de frequentie een gewoonte had gemaakt van het betaaldienstverlenerschap zonder vergunning. Het cassatieberoep faalde, ook op overige punten, en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het zonder vergunning bedrijfsmatig verrichten van betaaldiensten en verwerpt het cassatieberoep.