ECLI:NL:GHSHE:2026:1561

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
20-001190-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 140 SrArt. 416 SrArt. 417 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen gewoonteheling en deelneming aan criminele organisatie

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 10 juni 2026 het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van gewoonteheling en deelneming aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven, waaronder heling van gestolen auto's.

De bewezenverklaring betreft het in de periode van maart tot juni 2021 in Nederland, België en Duitsland helen van negen gestolen auto's en deelname aan een duurzaam samenwerkingsverband dat deze misdrijven faciliteerde. De verdachte speelde een belangrijke rol in het ontvangen, verpakken en verschepen van de voertuigen naar Ghana.

De verdediging voerde onder meer bewijsverweren en pleitte voor vrijspraak of lichtere straf, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de gedragingen van de verdachte een gewoonte maken van opzetheling vormen en dat hij deel uitmaakte van een criminele organisatie.

De straf is vastgesteld op 21 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de termijnoverschrijding. De vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende causaal verband. De verkoopopbrengst van een inbeslaggenomen auto wordt aan de verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf voor medeplegen gewoonteheling en deelneming aan criminele organisatie.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001190-23
Uitspraak : 10 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 april 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-163909-21 en 03-274903-21, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-274903-21.
De rechtbank heeft het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 (thans: 1 primair) en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
- ‘medeplegen van: van het plegen van opzetheling een gewoonte maken’ (parketnummer 03-163909-21 feit 1) en
- ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ (parketnummer 03-163909-21 feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
De rechtbank heeft de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoedingen en hen veroordeeld in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en deze kosten begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-274903-21 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair en 2 en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding. Ten slotte heeft de advocaat-generaal de teruggave gevorderd aan de verdachte als rechthebbende van de verkoopopbrengst van de inbeslaggenomen personenauto.
Namens de verdachte is bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op het een gewoonte maken van opzetheling. Voorts is vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 2 tenlastgelegde. Ten aanzien van de in die zaak onder 1 primair tenlastegelegde opzetheling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.
Daarnaast heeft de raadsman verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen tot schadevergoeding.
Ten slotte heeft de raadsman verzocht de verkoopopbrengst van de inbeslaggenomen personenauto te retourneren aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 03-163909-21:1. primairhij in of omstreeks de periode van 23 maart 2021 tot en met 16 juni 2021 in de gemeente Landgraaf en/of Brunssum, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte op na te melden tijdstippen, na te melden goed/goederen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed/goederen wist dat het door misdrijf verkregen goed/goederen betrof, te weten:

- op of omstreeks 23 maart 2021 een Range Rover (Belgisch kenteken [kenteken 1] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 28 april 2021 tot en met 3 mei 2021 een Range Rover Velar (Belgisch kenteken [kenteken 2] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 27 mei 2021 tot en met 10 juni 2021 een Toyota RAV4 (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] ) met valse kentekenplaten ( [kenteken 4] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 5] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 6] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 7] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 12 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Toyota RAV4 ( [kenteken 8] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 13 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 9] ) met valse kentekenplaten ( [kenteken 10] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 15 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (Duits kenteken [kenteken 11] );
1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2021 tot en met 16 juni 2021 in de gemeente Landgraaf en/of Brunssum, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) na te melden goed/goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat goed/goederen (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goed/goederen betrof, te weten:
- op of omstreeks 23 maart 2021 een Range Rover (Belgisch kenteken [kenteken 1] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 28 april 2021 tot en met 3 mei 2021 een Range Rover Velar (Belgisch kenteken [kenteken 2] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 17 mei 2021 tot en met 10 juni 2021 een Toyota RAV4 (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] ) met valse kentekenplaten ( [kenteken 4] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 5] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 6 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 6] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 7] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 10 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Toyota RAV4 ( [kenteken 8] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 12 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 9] ) en valse kentekenplaten ( [kenteken 10] ) en/of
- in of omstreeks de periode van 14 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (Duits kenteken [kenteken 11] );
2.
hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2021 tot en met 22 juni 2021 in de gemeente Landgraaf en/of Brunssum, althans in Nederland en/of België en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het overtreden van artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling) en/of artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht (diefstal) en/of artikel 311 Wetboek Pro van Strafrecht (gekwalificeerde diefstal) en/of (gewoonte)witwassen (artikel 420bis en artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) en/of een of meer andere misdrijven, welke misdrijven in Nederland en/of België en/of Duitsland en/of Ghana werden gepleegd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 03-163909-21:

1. primair
hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2021 tot en met 16 juni 2021 in de gemeente Landgraaf en/of Brunssum, tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte op na te melden tijdstippen, na te melden goederen voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten:
- op of omstreeks 23 maart 2021 een Range Rover (Belgisch kenteken [kenteken 1] ) en
- in of omstreeks de periode van 28 april 2021 tot en met 3 mei 2021 een Range Rover Velar (Belgisch kenteken [kenteken 2] ) en
- in of omstreeks de periode van 27 mei 2021 tot en met 10 juni 2021 een Toyota RAV4 (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] ) met valse kentekenplaten ( [kenteken 4] ) en
- in of omstreeks de periode van 5 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 5] ) en
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 5008 ( [kenteken 6] ) en
- in of omstreeks de periode van 7 juni 2021 tot en met 10 juni 2021 een Peugeot 3008 ( [kenteken 7] ) en
- in of omstreeks de periode van 12 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Toyota RAV4 ( [kenteken 8] ) en
- in of omstreeks de periode van 13 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (oorspronkelijk gekentekend [kenteken 9] ) met valse kentekenplaten ( [kenteken 10] ) en
- in of omstreeks de periode van 15 juni 2021 tot en met 16 juni 2021 een Range Rover (Duits kenteken [kenteken 11] );
2.
hij in de periode van 15 april 2021 tot en met 16 juni 2021 in de gemeente Landgraaf en/of Brunssum heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en een of meer onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het overtreden van artikel 417 Wetboek Pro van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (schuldheling), welke misdrijven in Nederland en/of België en/of Ghana werden gepleegd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1 primair: opzetheling
Door de verdediging is geen verweer gevoerd ter zake de beschuldiging van opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde auto’s. Gelet evenwel op de ontkennende houding ten aanzien van de Range Rover met kenteken [kenteken 1] ziet het hof reden om een bewijsoverweging op te nemen die naar het oordeel van het hof de conclusie rechtvaardigt dat ook deze auto door de verdachte opzettelijk is geheeld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 23 maart 2021, omstreeks 10:00 uur, in een loods aan [adres 2] een Range Rover met Belgisch kenteken [kenteken 1] is aangetroffen. Deze auto bleek die nacht in België gestolen te zijn. De verdachte was huurder van de loods waarin deze auto is aangetroffen. Voordat de politie de auto in de loods aantrof werd gezien dat twee personen bij de loods wegliepen. Zij stapten in een grijze Opel Astra en verlieten het terrein. Uit controle bleek dat de verdachte de bestuurder was van deze auto.
Uit camerabeelden is gebleken dat een grijze personenauto, vermoedelijk een Opel Astra, die nacht eveneens aanwezig was bij de loods aan [adres 2] . De bestuurder van deze personenauto opent de poort naar het terrein met een sleutel en rijdt de auto het terrein op en sluit vervolgens de poort. Circa 10 minuten later (om 05:41:45) is aan de binnenzijde van het terrein een persoon bij de poort te zien. Deze opent vervolgens de poort waarna 4 seconden later de, naar later blijkt, gestolen Range Rover komt aangereden en het terrein van [adres 2] op rijdt. Verdachte heeft verklaard dat hij gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer was blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2021 actief (op internet) rond de tijd dat de gestolen Range Rover op de camerabeelden komt aangereden, te weten tussen 05.45 uur en 05.47 uur. Voorts is blijkens een aanvankelijk proces-verbaal (LE.17.LD.001398/2021 - 23/03/2021) van de Belgische politie het ‘track and trace’ systeem van deze gestolen auto rond 04:00 uur in werking getreden. Blijkens dit zelfde proces-verbaal van bevindingen is dit nummer van de verdachte om 04:34 actief geworden. Dit terwijl de verdachte heeft verklaard eerst om 08:30 te zijn opgestaan. Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte op 23 maart 2021 een gestolen auto heeft ondergebracht in de door hem gehuurde loods aan [adres 2] , althans dat hij daarbij betrokken is geweest.
Feit 2: deelneming aan een criminele organisatieDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte van het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 2 tenlastegelegde zal vrijspreken. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet van dien aard is dat het de rechtsfiguur van het medeplegen overstijgt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging gewezen op de in haar ogen korte periode (23 maart 2021 t/m 22 juni 2021) en het beperkt aantal gedragingen van de verdachte (heling van 9 gestolen auto’s) die zijn tenlastegelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van StrafrechtVan deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in voormeld artikel is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen.
Het is daarbij niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het 'oogmerk' tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht
Naar het oordeel van het hof is sprake geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de periode van 23 maart 2021 tot en met 16 juni 2021 sprake is geweest van een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 417 van Pro het Wetboek van Strafrecht (gewoonteheling) en/of artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafrecht (opzetheling) en/of artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht (schuldheling), welke misdrijven in Nederland en/of België en/of Ghana werden gepleegd. Verder stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen vast dat (in elk geval) de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] van deze organisatie deel hebben uitgemaakt.
De modus operandi van de organisatie was vanaf 15 april 2021 telkens dezelfde: auto’s van een bepaald (kennelijk populair) type (SUV) en van de nodige waarde werden keyless gestolen in Nederland (veelal Zuid-Limburg), België of Duitsland, waarna deze auto’s door in ieder geval medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het terrein aan [adres 3] werden gereden. De auto’s werden daar door de verdachte in ontvangst genomen en door hem een op het terrein aanwezige container ingereden, welke container via de haven van Antwerpen werd verscheept naar Ghana. Bij een aantal auto’s was sprake van het verhullen van de criminele herkomst door het aanbrengen van valse kentekenplaten. Er was met andere woorden sprake van een aanvoerlijn van gestolen auto’s.
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat in wezen sprake was van een continu proces: vanaf 15 april 2021 tot en met 16 juni 2021 werden op het terrein aan [adres 3] achtereenvolgens in totaal zeven containers geplaatst en weer opgehaald door de firma [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Bij het ophalen van de laatste container binnen de observatieperiode, op 16 juni 2021, was alweer een lege container geplaatst door de firma [bedrijf 1] . Twee van de door de firma [bedrijf 1] geplaatste en opgehaalde containers – de containers die te zien zijn op de camerabeelden – zijn door de Belgische politie onderschept. In de container met nummer [nummer 1] bleek zich de auto (Toyota RAV4 ( [kenteken 4] )) te bevinden die blijkens de camerabeelden op 27 mei 2021 door medeverdachte [medeverdachte 1] naar het perceel aan [adres 3] was gebracht alsmede de drie auto’s die door medeverdachte [medeverdachte 2] op 5 en 7 juni 2021 daar waren aangevoerd (Peugeot 3008 ( [kenteken 5] ), Peugeot 5008 ( [kenteken 6] ) en Peugeot 3008 ( [kenteken 7] )). In de container met nummer [nummer 2] werden de drie auto’s aangetroffen die blijkens de camerabeelden op 12, 13 en 15 juni 2021 door medeverdachte [medeverdachte 1] op [adres 3] waren aangevoerd (RAV4 ( [kenteken 4] ), Range Rover ( [kenteken 10] ) en Range Rover sport ( [kenteken 11] )). De aangetroffen auto’s bleken allemaal van diefstal afkomstig te zijn. Ten aanzien van de Range Rover ( [kenteken 2] ) die is gestolen van aangever [benadeelde 1] is door de Belgische politie vastgesteld dat deze auto door de firma [bedrijf 1] naar Antwerpen is vervoerd in de container met nummer [nummer 3] . Deze container is door de firma [bedrijf 1] op 3 mei 2021 op [adres 3] opgehaald. Door het bedrijf [bedrijf 2] was opdracht gegeven aan de firma [bedrijf 1] om de opgehaalde containers naar Antwerpen te vervoeren. Van daaruit werden de containers door [bedrijf 2] verscheept naar Ghana.
Op de camerabeelden, zoals beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, is te zien dat er in de periode van 26 mei 2021 tot en met 21 juni 2021 op meerdere dagen handelingen werden verricht die de in de bewezenverklaring besloten conclusie rechtvaardigen dat aldaar de heling van zeven auto’s plaatsvond.
Het hof is van oordeel dat deze aanvoerlijn waar het terrein in Landgraaf als aanleverpunt een onderdeel van uit maakte getuigt van een duurzaam en gestructureerd karakter om gestolen auto’s het land uit te smokkelen richting een ander continent.
Wat daarbij opvalt is dat medeverdachte [medeverdachte 2] alleen op 5 en 7 juni 2021 auto’s naar [adres 3] heeft gebracht, terwijl op 27 mei 2021 nog een auto door [medeverdachte 1] naar [adres 3] was gebracht en [medeverdachte 1] vanaf 12 juni 2021 ook weer auto’s naar [adres 3] heeft gebracht. De kortstondige betrokkenheid van [medeverdachte 2] valt samen met het gegeven dat [medeverdachte 1] op 3 juni 2021 in verzekering is gesteld in verband met de diefstal van een Range Rover. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat er binnen de organisatie werd samengewerkt om het proces van de aanvoer van gestolen auto’s naar Ghana in stand te houden en voort te zetten.
Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, bestaande uit (in ieder geval) de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , en dat de organisatie tot oogmerk had de heling van gestolen auto’s.
DeelnemingMet betrekking tot de verdere betrokkenheid van de verdachte bij voormelde organisatie in de zin van artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht leidt het hof uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep (onder meer) het navolgende af.
Uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden blijkt mede de rol van de verdachte binnen de organisatie. Hij was aanwezig als de container door de firma [bedrijf 1] op het terrein aan [adres 3] werd afgeleverd en opgehaald. De verdachte nam de auto’s, die door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [adres 3] werden aangevoerd daar in ontvangst en plaatste de auto’s in de container. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte de container betreedt met spanbanden met de kennelijke bedoeling de auto(’s) daarin vast te zetten en de container vult met matrassen met de kennelijke bedoeling om schade aan de auto’s tijdens het transport te voorkomen. Blijkens de beschrijving van de inhoud van de container met nummer [nummer 1] was een van de daarin aanwezige auto’s aan de achterzijde opgetrokken met spanbanden. Dit is ook te zien op de foto’s in het dossier van de inhoud van deze container. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte spanbanden heeft gekocht. De verdachte kocht blijkens zijn verklaringen ook de gebruikte matrassen en regelde de aanvoer daarvan naar [adres 3] via een persoon met een winkel in tweedehands goederen. De verdachte was blijkens de camerabeelden aanwezig toen de matrassen op [adres 3] werden afgeleverd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij beschikte over een sleutel van de toegangspoort tot het terrein aan [adres 3] .
De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg, gehoord als getuige in de zaak van de verdachte, verklaard dat de verdachte hem vijf keer heeft gebeld met het verzoek om een auto naar het terrein aan [adres 3] te rijden. De verdachte haalde [medeverdachte 1] dan op en zette hem af (naar het hof begrijpt: in de nabijheid van de gestolen auto die naar [adres 3] vervoerd diende te worden). [medeverdachte 1] reed de auto dan naar de container aan [adres 3] . De verdachte heeft verklaard dat hij de sleutels van de auto’s aan [medeverdachte 1] gaf en dat hij hem betaalde voor het rijden van de auto’s naar de container op [adres 3] .
De verdachte was de contactpersoon van de firma [bedrijf 1] voor het brengen en halen van de containers op [adres 3] . De verdachte stond tevens telefonisch in contact met [betrokkene] ( [betrokkene] ): de opdrachtgever van [bedrijf 2] de rederij die opdracht gaf aan de firma [bedrijf 1] om de containers naar Antwerpen te vervoeren. In opdracht van [betrokkene] werden de containers van daaruit door [bedrijf 2] naar Ghana verscheept.
De verdachte fotografeerde kentekens van auto’s en trok die naar zijn zeggen na bij de RDW. De informatie die dat opleverde over de auto in kwestie stuurde de verdachte naar zijn klanten in Afrika. In het licht van hetgeen reeds is opgemerkt over het bestaan van een criminele organisatie lijkt dit handelen daar verband mee te houden. Dat niet is komen vast te staan dat de verdachte is betrokken bij de diefstal van de tenlastegelegde auto’s maakt dit niet anders.
Gelet op al het voorgaande beschouwt het hof de verdachte als een belangrijke en onmisbare schakel in de organisatie. Zijn rol beperkte zich niet, zoals dat bij medeverdachte [medeverdachte 1] het geval was, tot louter uitvoerende werkzaamheden.
De vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan voormelde organisatie in de zin van artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht, beantwoordt het hof dan ook bevestigend.
Résumé
Op grond van vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 15 april tot en met 16 juni 2021 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven zoals in de bewezenverklaring omschreven, waar de verdachte in die periode onderdeel van uitmaakte.
Gelet op de onderlinge verwevenheid en bestendigheid van de bewezenverklaarde strafbare feiten waarbinnen de verdachte een wezenlijke rol heeft vervuld, overstijgt het handelen van de verdachte naar het oordeel van het hof het medeplegen door de verdachte van de bewezenverklaarde strafbare feiten tezamen met de medeverdachten.
De gevoerde bewijsverweren worden dan ook verworpen.
Feit 1 primair: gewoonteheling
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte van het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair tenlastegelegde partieel zal vrijspreken namelijk voor zover dat ziet op het een gewoonte maken van opzetheling. Daarvoor heeft de verdediging gewezen op de korte periode (23 maart 2021 t/m 16 juni 2021) en het beperkt aantal gedragingen van de verdachte (heling van 9 auto’s) dat onder 1 primair is tenlastegelegd. Ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde opzetheling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld (HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701).
De verdachte heeft zich in de periode van 23 maart 2021 tot en met 16 juni 2021 tezamen met (in ieder geval) medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan de heling van 9 auto’s. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij wist dat het om gestolen auto’s ging. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is van medeplegen van opzetheling.
Het hof is van oordeel dat het negen keer helen van een auto in een periode van minder dan 3 maanden kan worden gekwalificeerd als een gewoonte maken van het plegen van opzetheling.
De gevoerde bewijsverweren worden dan ook verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van: van het plegen van opzetheling een gewoonte maken.
Het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd – met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep – aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft bepleit aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast een taakstraf, gelet op het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft niet de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit maar indien het hof dat aangewezen acht dan sluit de raadsman zich daar graag bij aan.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft in de periode van 15 april 2021 tot en met 16 juni 2021 deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten gewoonteheling en/of opzetheling en/of schuldheling. De criminele organisatie hield zich bezig met zogeheten ‘voertuigcriminaliteit’. Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie heeft de verdachte geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die diefstal en heling van voertuigen met zich meebrengt. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten doch niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige. Voorts blijkt uit dit uittreksel dat de verdachte sinds het bewezenverklaarde niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 6 maart 2023. Het risico op recidive wordt daarin door de reclassering ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat de verdachte volledig is afgekeurd omdat hij nagenoeg blind is geworden aan één oog als gevolg van glaucoom. De verdachte ontvangt een uitkering en heeft een kleine schuld. De verdachte heeft twee meerderjarige zonen uit een eerdere relatie. Met zijn huidige partner heeft hij een minderjarige zoon. Ook heeft hij een minderjarige stiefdochter (de dochter van zijn partner).
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De verdachte heeft op 25 april 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 10 juni 2026. In hoger beroep is aldus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt 1 jaar, een maand en 16 dagen.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 12.200,00 retour heeft gekregen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat daarover derhalve niet meer hoeft te worden beslist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts gebleken dat de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto inmiddels is verkocht door de dienst domeinen. Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van dit beslag, zal het hof de teruggave gelasten van de verkoopopbrengst van de inbeslaggenomen personenauto aan de verdachte, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 980,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade betreft spullen die in de gestolen auto van de benadeelde lagen, zoals wandelschoenen en een oplader.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu het hof onvoldoende is gebleken van een causaal verband tussen de bewezenverklaarde heling van de auto van de benadeelde en de gestelde schade. Het hof zal de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1,189,95 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade betreft spullen die in de gestolen auto van de benadeelde lagen, zoals zonnebrillen en gereedschap. Ook vordert de benadeelde partij de kosten van een onderhoudsbeurt en APK-keuring die kort voor de diefstal zijn gemaakt alsmede de kosten van een volle tank benzine.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu het hof onvoldoende is gebleken van een causaal verband tussen de bewezenverklaarde heling van de auto van de benadeelde en de gestelde schade. Het hof zal de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 140 en 417 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-274903-21 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 03-163909-21 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van
de verkoopopbrengstvan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een personenauto [kenteken 12] (Omschrijving: G1425027, Grijs, merk: Seat, chassisnr: [chassisnummer] , bouwjaar 2011).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. van Campen en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 10 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.M.G. Smit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.