ECLI:NL:GHSHE:2026:163

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.363.106_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wraking niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken advocaat

In deze zaak heeft de wrakingskamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 22 januari 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep van appellant tegen de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant van 13 november 2025. Appellant was niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking van de rechters van de wrakingskamer, omdat zijn appelschriftuur niet was ondertekend door een advocaat, wat verplicht is in civiele zaken. De wrakingskamer overweegt dat tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen hoger beroep mogelijk is, en dat appellant in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen door het indienen van een ondertekende appelschriftuur door een advocaat. Appellant heeft hier echter geen gehoor aan gegeven. De wrakingskamer concludeert dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en dat een mondelinge behandeling achterwege kan blijven. Tevens wordt opgemerkt dat er geen rechtsmiddelen openstaan tegen de beslissing op een verzoek tot wraking, en dat de gronden voor wraking in een hogere instantie in de hoofdprocedure aan de orde kunnen worden gesteld. De beslissing is openbaar uitgesproken en de betrokken partijen zijn geïnformeerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
Wrakingsnummer: 200.363.106/01
Datum beslissing: 22 januari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gegeven op het hoger beroep tegen de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 13 november 2025 met zaaknummer WR 25/033, ingediend namens:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: appellant,
gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer,
bij welke uitspraak appellant kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek
strekkende tot wraking van mrs. H.M.H. de Koning, M.E. Bartels en M. de Vries, rechters van de wrakingskamer bij de rechtbank Oost-Brabant.

1.Het procesverloop

1.1.
Op de zitting van 8 oktober 2025 heeft mr. E.C. Zandman als kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, opgetreden in een kort geding in de civiele hoofdzaak (zaaknummer 11869771\CV EXPL 25-6561). Appellant heeft op 10 oktober 2025 een wrakingsverzoek ingediend, strekkende tot wraking van mr. E.C. Zandman. Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond verklaard (WR 25/027).
1.2.
Op 30 oktober 2025 heeft appellant een wrakingsverzoek ingediend, strekkende tot wraking van de rechters van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant, bestaande uit mrs. H.M.H. de Koning, M.E. Bartels en M. de Vries. Het wrakingsverzoek is op 4 november 2025 aangevuld met een toelichting. Bij beslissing van 13 november 2025 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking (WR 25/033).
1.3.
Bij schriftuur van 17 december 2025 van mr. J.H. Weermeijer als gemachtigde, binnengekomen ter griffie van het hof op 29 december 2025, is namens appellant “hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de wrakingskamer d.d. 13 november 2025 (WR 25/033)”.
1.4.
Bij aangetekende brief van 30 december 2025 – welke brief tevens per e-mailbericht is verstuurd – heeft de waarnemend coördinator van de wrakingskamer van het hof aan de gemachtigde van appellant laten weten dat ingevolge artikel 39, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) (hierna Rv) en de uitspraak van de Hoge Raad van 21 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:918) geen hoger beroep mogelijk is tegen beslissingen van de wrakingskamer van de rechtbank sec. Daarnaast is medegedeeld dat, nu de hoofdzaak die voorlag aan de rechtbank Oost-Brabant een civiele procedure betreft, in hoger beroep procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht is. Appellant heeft daarbij een termijn van 14 dagen gekregen teneinde dit verzuim te herstellen door het oorspronkelijk ingediende hoger beroep te laten ondertekenen en indienen door een advocaat.
1.5.
De gemachtigde van appellant heeft per e-mailbericht van 31 december 2025 (10:32 uur) te kennen gegeven dat hij bezwaar maakt tegen de inhoud van vorengenoemde brief, meer in het bijzonder dat het hoger beroep door een beëdigde advocaat zou moeten worden gedaan. De gemachtigde van appellant stelt daarbij dat verplichte procesvertegenwoordiging in wrakingszaken niet verplicht is, ook niet in hoger beroep of bij de Hoge Raad. De gemachtigde van appellant verzocht daarbij het verzoek door te sturen naar het hof voor verdere behandeling.
1.6.
Bij e-mailbericht van 31 december 2025 (16:10 uur) heeft de coördinator van de wrakingskamer aan de gemachtigde van appellant medegedeeld dat op de onderhavige zaak het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is en er aldus een verplichte procesvertegenwoordiging in hoger beroep geldt. Daarnaast is nogmaals medegedeeld dat hoger beroep niet mogelijk is tegen een uitspraak van de wrakingskamer en dat de hersteltermijn voor het alsnog indienen bij advocaat loopt.
1.7.
Op 4 januari 2026 heeft de gemachtigde van appellant per e-mailbericht nogmaals betwist dat een advocaat nodig is in hoger beroep. Daarbij is verzocht het beroep zo spoedig mogelijk aan het hof ter beoordeling voor te leggen. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant per e-mailbericht van 19 januari 2026 te kennen gegeven dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn vorige mail, dat hij zich genoodzaakt ziet zich tot de Hoge Raad te wenden wegens het weigeren om een zaak in behandeling te nemen en dat hij de waarnemend coördinator van de wrakingskamer aansprakelijk wenst te stellen voor de door appellant geleden schade.
1.8.
Op 20 januari 2026 heeft de coördinator van de wrakingskamer aan de gemachtigde van appellant per e-mailbericht medegedeeld dat de zaak onder de aandacht van de voorzitter van de wrakingskamer is gebracht, dat de hersteltermijn is verstreken en dat appellant naar verwachting binnenkort nader zal vernemen.
1.9.
De wrakingskamer van het hof heeft niet een (alsnog) door een advocaat ondertekend appelschriftuur tot het (doen) instellen van hoger beroep tegen de wrakingsbeslissing d.d. 13 november 2025 ontvangen en zal daarom uitspraak doen op basis van de beschikbare stukken.

2.Ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1
De wrakingskamer stelt vast dat het namens appellant op 17 december 2025 ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer bij de rechtbank Oost-Brabant d.d. 13 november 2025 (WR 25/033) niet is ondertekend door een advocaat, terwijl dit voor het procederen in hoger beroep in een civiele zaak als die waarbij appellant als partij betrokken is, volgens artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wel is voorgeschreven.
2.2.
Appellant is op 30 december 2025 in de gelegenheid gesteld om het verzuim – appelschriftuur is niet ondertekend en ingediend door een advocaat – te herstellen. Appellant heeft daaraan geen gehoor gegeven.
2.3.
Gelet op het vorenoverwogene is de wrakingskamer van oordeel dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Nu het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, kan een mondelinge behandeling achterwege blijven, zie thans artikel 39, derde lid, Rv, zijnde een codificatie van in wrakingsprotocollen neergelegde regelingen (vgl. MvT II, 36463, nr. 3 p. 17.)
2.4
Ten overvloede – indien al op de juiste wijze met de procesvertegenwoordiging beoogd zou zijn in hoger beroep te komen van de wrakingsbeslissing – overweegt de wrakingskamer dat ingevolge artikel 39, zesde lid, Rv (gelijk aan lid 5 oud Rv) tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen voorziening open staat (het rechtsmiddelenverbod). Een partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft niet de mogelijkheid daarvan in hoger beroep te komen maar slechts de mogelijkheid om in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat – wegens het ontbreken van onpartijdigheid van rechter(s) – geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 EVRM. De grond waarop het verzoek tot wraking berustte, kan dus in hoger beroep of beroep in cassatie van een einduitspraak aan de orde worden gesteld (vlg. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918). Er kan sinds dit arrest van de Hoge Raad tevens niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking.
BESLISSING
Het hof (de wrakingskamer):
- verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de bestreden beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant van 13 november 2025 met zaaknummer WR 25/033;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de appellant, de rechtbank Oost-Brabant en de rechters van wie de wraking was verzocht.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. van Rijkom, mr. W.F. Koolen en mr. A. Muller en in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. E.A.D. Dockx en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.