Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
21 juni 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep tegen een beslissing op een verzoek tot wraking van raadsheren in een procedure tussen NIOC en CGC c.s. De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag had het wrakingsverzoek van NIOC afgewezen, waarna NIOC beroep in cassatie instelde.
De Hoge Raad bevestigt het rechtsmiddelenverbod uit art. 39 lid 5 Rv Pro, dat bepaalt dat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen zelfstandig rechtsmiddel openstaat. Dit verbod geldt ook in bestuurs- en strafrecht. De Hoge Raad komt echter terug op eerdere jurisprudentie waarin werd aangenomen dat dit verbod doorbroken kon worden indien de rechter onjuist met wraking was omgegaan (de doorbrekingsleer).
De Hoge Raad overweegt dat de onpartijdigheid van de rechter in de hoofdprocedure kan worden aangevochten en dat een zelfstandig beroep tegen de wrakingsbeslissing niet nodig is. Nieuwe omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een nieuw wrakingsverzoek. De belangen van voortgang van de procedure wegen zwaarder dan het belang bij een zelfstandig rechtsmiddel tegen de wrakingsbeslissing.
Omdat NIOC geen doorbrekingsgrond aanvoert maar motiveringsklachten, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep. De uitsluiting van de doorbrekingsleer geldt niet voor reeds ingediende rechtsmiddelen voor deze uitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van NIOC niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond.