Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1657

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
200.368.536_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 6 lid 3 FaillissementswetArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen faillietverklaring wegens toestand van niet betalen en betaling via derdengeldenrekening

Appellanten zijn in eerste aanleg failliet verklaard door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Zij gingen in hoger beroep tegen deze faillietverklaring en voerden aan dat zij niet in de toestand verkeren te hebben opgehouden te betalen en dat het verzoek tot faillietverklaring misbruik van recht is.

Het hof oordeelt dat de primaire grondslag van appellanten niet slaagt omdat zij wel degelijk in de toestand van niet betalen verkeren. De curator heeft een opeisbare vordering en er is sprake van meerdere schuldeisers. Appellanten onttrekken vermogensbestanddelen aan verhaal, waardoor het faillissementsverzoek gerechtvaardigd is.

Subsidiair is gebleken dat appellanten inmiddels een bedrag van € 2.730.000,00 op een derdengeldenrekening hebben gestort, waarmee alle opeisbare vorderingen kunnen worden voldaan. De curator stemt in met vernietiging van het faillissement onder deze voorwaarde. Het hof vernietigt daarom het vonnis van faillietverklaring en wijst het verzoek van de curator af.

De kosten van de curator worden vastgesteld en komen voor rekening van appellanten. Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Uitkomst: Het hof vernietigt de faillietverklaring en wijst het verzoek tot faillietverklaring af omdat appellanten betaling van de vorderingen garanderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
Uitspraak : 25 juni 2026
Zaaknummer : 200.368.536/01
Insolventienummers : [insolventienummer 1] en [insolventienummer 2]
in de zaak in hoger beroep van:

1.[appellant] ,

2. [appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] c.s.,
advocaat: mr. H.J. School te ’s-Hertogenbosch,
tegen
mr. [de curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[B.V. 1] B.V.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de curator [de curator] ,
advocaten: mr. E. van der Kolk en mr. G.J.P. Molkenboer te Tilburg.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van 28 april 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, waarbij [appellant] c.s. in staat van faillissement zijn verklaard, met aanstelling van mr. K.E.H. de Klerk tot curator (hierna: de curator De Klerk).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met bijlagen (nrs. 1 tot en met 11), ontvangen op 5 mei 2026, heeft [appellant] c.s. het hof – kort weergegeven – verzocht om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair: het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de curator [de curator] tot faillietverklaring van [appellant] c.s. alsnog af te wijzen, met veroordeling van de curator [de curator] in de kosten van beide instanties en met veroordeling van de curator [de curator] in de kosten van de curator De Klerk op grond van artikel 15 lid 3 Fw Pro.
II. subsidiair: het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de curator [de curator] tot faillietverklaring van [appellant] c.s. alsnog af te wijzen, met bepaling dat de kosten van de curator De Klerk gedragen worden door [appellant] c.s. en met overweging dat de betalingen aan de curator [de curator] conform zijn betalingsinstructie vanaf de derdengeldenrekening van [advocatenkantoor 1] moeten plaatsvinden aan de derdengeldenrekening van [advocatenkantoor 2] respectievelijk de boedel van [B.V. 1] B.V. (hierna: [B.V. 1] ). In die betalingsinstructie is reeds begrepen een bedrag aan proceskosten in beide instanties, zodat die niet meer hoeven te worden bepaald.
2.2.
De curator [de curator] heeft in zijn verweerschrift, ontvangen op 2 juni 2026, het hof – kort weergegeven – verzocht het verzoek van [appellant] c.s. om het faillissementsvonnis te vernietigen op de primair aangevoerde gronden af te wijzen en hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de subsidiair aangevoerde gronden.
2.3.
Bij brief van 8 juni 2026 met bijlagen (faillissementsverslagen) is namens de curator De Klerk onder meer gereageerd op het beroepschrift.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de heer [appellant] , bijgestaan door mr. School en mr. A.P. Macro;
  • de curator [de curator] , bijgestaan door mr. Molkenboer ;
  • mr. E.L. de Haan en mr. D.R.W. van Leeuwen namens de curator De Klerk.
2.5.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de behandeling van een faillissementsrekest, gehouden op 28 april 2026;
  • de brief van 2 juni 2026 met producties (nr. 1 tot en met 4) van de curator [de curator] ;
  • de brief van 8 juni 2026 met één productie (nr. 5) van de curator [de curator] ;
  • de aanvullende producties (nr. 12 en 13) van mr. School, ontvangen op 8 juni 2026;
  • de op de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde en (deels) voorgelezen spreekaantekeningen van mr. School;
  • het namens de curator De Klerk ter zitting overgelegde voorstel tot vaststelling van salaris en verschotten.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzoek van de curator [de curator] om [appellant] c.s. in staat van faillissement te verklaren, toegewezen bij vonnis van 28 april 2026. De rechtbank is van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de curator [de curator] , dat de vordering tot betaling van het voorschot opeisbaar is, dat daarnaast is gebleken van het bestaan van steunvorderingen en dat de curator [de curator] een redelijk belang heeft bij het aanvragen van het faillissement (het veilig stellen van zijn verhaalspositie).
3.2.
[appellant] c.s. hebben in het beroepschrift – kort weergegeven – als primaire grondslag aangevoerd dat het vonnis moet worden vernietigd, omdat zij niet verkeren in de toestand te hebben opgehouden te betalen en omdat de curator [de curator] met het verzoek tot privé faillietverklaring misbruik maakt van recht, althans dat uitoefening van die bevoegdheid tot het aanvragen van de faillissementen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze situatie onaanvaardbaar is.
Geheel subsidiair, dus in het geval het hof op basis van de primaire grondslag niet tot vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de faillissementsverzoeken zou kunnen overgaan, geldt dat [appellant] c.s. inmiddels betaling van de vorderingen van de curator [de curator] garandeert. Op de derdengeldenrekening van [advocatenkantoor 1] staat een bedrag van € 2.700.000,00, bestemd voor de vernietiging van deze faillissementen op deze subsidiaire grondslag, namelijk dat [appellant] c.s.
ex nuncniet in de toestand verkeren opgehouden te zijn te betalen, omdat regelingen zijn bereikt met de schuldeisers en zij akkoord gaan met de vernietiging.
3.3.
De curator [de curator] heeft verweer gevoerd ten aanzien van de primaire grondslag. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.4.
De curator De Klerk heeft in de brief van 8 juni 2026 onder meer gereageerd dat hij zich ten aanzien van de primaire grondslag refereert aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft de curator De Klerk geconcludeerd dat, gelet op de verklaring van mr. School dat er in totaal een bedrag van € 2.730.000,00 op de derdengeldenrekening van Stichting Beheer Derdengelden [advocatenkantoor 1] is voldaan, er geen sprake (meer) is van een toestand te hebben opgehouden te betalen, zodat zijns inziens het hof kan oordelen dat het hoger beroep slaagt, onder compensatie van kosten.
3.5.
Het hof overweegt het volgende.
3.6.
De Nederlandse rechter is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventie procedures (herschikking) (hierna: Insol Herschikt Vo) bevoegd deze insolventieprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [appellant] c.s. in Nederland, en wel in het arrondissement van de rechtbank en thans het ressort van het hof, liggen.
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 6 lid 3 Fw Pro dient een verzoek tot faillietverklaring te worden afgewezen, indien niet summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het betreft hier een summiere toets. Summierlijk blijken betekent dat dit na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken. Er bestaat derhalve geen ruimte voor uitvoerige debatten en over de posities van de betrokkenen en de genoemde toestand moet (betrekkelijk) snel helderheid kunnen worden verkregen.
3.8.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de curator [de curator] (summierlijk) aannemelijk is. Deze vordering blijkt namelijk uit het uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 14 mei 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:5501) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, waarin [appellant] c.s. zijn veroordeeld om een voorschot van € 2.000.000,00 op het vast te stellen tekort in het faillissement van [B.V. 1] aan de curator [de curator] te betalen. Aan de (summierlijk) aannemelijkheid van de vordering doet niet af dat [appellant] c.s. in hoger beroep zijn gekomen tegen het vonnis van 14 mei 2025 en in dat kader een memorie van grieven hebben opgesteld die een uitvoerige, inhoudelijk onderbouwde bestrijding van de gronden voor aansprakelijkheid bevat (grief I). Het vonnis is namelijk uitgebreid gemotiveerd en vervolgens uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De curator [de curator] mag lopende het hoger beroep executeren. Er bestaat in deze procedure, bij de faillissementsrechter, geen ruimte voor uitvoerige debatten en om de door [appellant] c.s. ingenomen stellingen in de uitgebreide memorie van grieven “summier” te onderzoeken.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1461 waarnaar [appellant] c.s. verwijzen legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft bovendien in dat vonnis ook niet geoordeeld dat het enkele feit dat er hoger beroep is ingesteld tegen een veroordelend vonnis per definitie betekent dat een dergelijke vordering uit hoofde van dat vonnis niet summierlijk vast staat.
3.9.
Het hof is daarnaast van oordeel dat sprake is van meerdere schuldeisers en dat dus ook voldaan is aan het pluraliteitsvereiste. Naast de vordering van de curator [de curator] hebben [appellant] c.s. nog (minstens) twee andere schuldeisers, namelijk [schuldeiser 1] (hypothecaire vordering van € 4.066.804,39) en [schuldeiser 2] B.V. (hierna [schuldeiser 2] ) (hypothecaire vordering van € 570.472,00). Dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] niet nu willen overgaan tot gedwongen verkoop van met hypotheek belaste onroerende zaken, is niet relevant. Dat steunschuldeisers het faillissement wensen of daarmee al dan niet gebaat zijn, is namelijk geen vereiste voor pluraliteit.
Dat [schuldeiser 2] de eigen houdstervennootschap van [appellant] c.s. zelf is en haar belangen volledig identiek zijn aan [appellant] c.s., is evenmin een reden dat haar vordering op [appellant] c.s. niet als steunvordering kan dienen. [schuldeiser 2] is namelijk een zelfstandige rechtspersoon met een eigen vordering op [appellant] c.s. en haar vordering kan daarom als steunvordering dienen.
Daarnaast is er ook nog een vordering van [B.V. 2] B.V. (hierna: [B.V. 2] ) van € 62.182,18 op [appellant] c.s. voor een afrekening van een verbouwing uit 2018 nadat de onderaannemer facturen aan [B.V. 2] had nagestuurd. [appellant] c.s. stellen dat deze vordering niet summierlijk vaststaat, maar dat ziet het hof anders. Het staat namelijk vast dat de Belgische rechter heeft bepaald dat [B.V. 2] de facturen van de onderaannemer moet voldoen en deze vorderingen tevens gemeenverklaard heeft jegens [appellant] . Daarmee staat de vordering summierlijk vast.
Vooralsnog is er dus sprake van meerdere schuldeisers die een onbetaalde vordering hebben op [appellant] c.s. en staat daarmee de pluraliteit naar het oordeel van het hof vast. Grief III, die onder andere hierop ziet, slaagt daarom niet.
3.10.
Het hof is daarnaast van oordeel dat [appellant] c.s. verkeren in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. [appellant] c.s. zijn bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 14 mei 2025 veroordeeld om een voorschot van € 2.000.000,00 aan de curator [de curator] te betalen. De vordering van de curator [de curator] is dan ook opeisbaar en hij kan dit vonnis tenuitvoerleggen en nakoming verlangen. Dat de rechtbank in het vonnis van 14 mei 2025 de voorwaarde heeft gesteld dat de curator [de curator] elke opbrengst uit hoofde van de executie van het vonnis op de derdengeldenrekening moet overboeken of afstorten ten titel van zekerheidstelling totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, doet niets aan de opeisbaarheid af (grief II). De betaalde gelden of opbrengst(en) worden enkel tijdelijk gesepareerd in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Hiermee is het restitutierisico op verzoek van [appellant] c.s. door de rechtbank in de procedure over de bestuurdersaansprakelijkheid weggenomen en kan de curator [de curator] nog steeds het vonnis tenuitvoerleggen. [appellant] c.s. hebben echter (nog) geen betaling op de derdengeldenrekening van de curator [de curator] gedaan. Ook executie van vermogensbestanddelen door de curator [de curator] heeft nog niet geleid tot voldoening van het voorschot waartoe [appellant] c.s. veroordeeld zijn. Zo heeft de curator [de curator] , nadat betaling uitbleef, geprobeerd twee luxe auto's van [appellant] c.s., waar executoriaal beslag op ligt, te gelde te maken. Volgens de curator [de curator] zou de waarde van deze auto's voldoende moeten zijn om de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vordering tot betaling van het voorschot uit te voldoen. Deze auto's worden tot heden door [appellant] c.s. actief aan verhaal onttrokken, ook nadat [appellant] c.s. door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding zijn veroordeeld tot afgifte van de auto’s welk vonnis bij arrest van dit hof van 7 april 2026 is bekrachtigd. Inmiddels hebben [appellant] c.s. € 400.000,00 aan dwangsommen verbeurd die onbetaald blijven. De vergelijking door [appellant] c.s. met het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 maart 2001, JOR 2001/142 gaat dan ook niet op. [appellant] c.s. verkeren naar het oordeel van het hof dan ook in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Grief III die hier ook op ziet, slaagt daarom niet.
3.11.
Het hof is ook van oordeel dat de curator een redelijk belang heeft bij de faillissementsaanvraag, dat zwaarder weegt dan de belangen van [appellant] c.s. en dat geen sprake is van misbruik van recht (artikel 3:13 BW Pro). De vermogensobjecten (de twee luxe auto’s) die geschikt zijn om het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis uit te verhalen, worden door [appellant] c.s. aan verhaal onttrokken. Op de door [appellant] c.s. naar voren geschoven andere vermogensobjecten (de woning in [woonplaats] en [plaats 1] , de vordering op de verzekeraar en de vakantiewoning in [plaats 2] ), zijn ongeschikt om het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis uit te verhalen, omdat dit niet is toegestaan of hiervan geen of onvoldoende opbrengst te verwachten is.
3.11.1.
De omstandigheid dat [appellant] c.s. in het kader van een schikking een hypotheekrecht op de woning te [plaats 3] (België) ten gunste van de curator [de curator] hebben gevestigd en dat dit - naar het zich laat aanzien - voldoende is voor de voldoening van de vordering van € 2.000.000,00 uit hoofde van het veroordelende vonnis van 14 mei 2025, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af. Dit zekerheidsrecht kan niet tot betaling van deze vordering van € 2.000.000,00 leiden, omdat in de hypotheekakte is opgenomen dat het hypotheekrecht eerst kan worden uitgewonnen wanneer de uitspraak in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure kracht van gewijsde heeft gekregen. Dat de curator vrijwillig heeft afgesproken dat dit hypotheekrecht voorlopig niet kan worden uitgewonnen, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat die afspraak niet is gemaakt naar aanleiding van de veroordeling van het vonnis van 14 mei 2025, maar het resultaat is van een schikking in het kort geding op 10 september 2024 (en dus vóór het vonnis van 14 mei 2025) tot opheffing van diverse beslagen in de conservatoire fase. Daarbij komt dat dit zekerheidsrecht niet enkel strekt tot verhaal van de vordering van € 2.000.000,00 maar tot verhaal van het gehele faillissementstekort. Het hypotheekrecht is dus geen recht dat voor de opeisbare vordering die in deze faillissementsprocedure voorligt, kan worden uitgewonnen.
Anders dan [appellant] c.s. betogen, is het overigens niet juist dat deze afspraak elke andere verhaalsmogelijkheid aan de curator [de curator] ontzegt.
3.11.2.
Ten aanzien van het door de curator [de curator] gelegd derdenbeslag (de bevoegdheid tot vestiging van het pandrecht werd namelijk door [verzekeraar] betwist) op de vordering van [appellant] c.s. op verzekeraar [verzekeraar] , geldt dat vaststaat dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar dekking weigert. De mogelijkheid van verhaal op deze vordering is op dit moment onzeker en verhaal via deze weg staat dus niet bij voorbaat vast. Dat [appellant] c.s. voornemens zijn om tegen de dekkingsweigering van de verzekeraar te ageren, maakt dat niet anders. Anders dan [appellant] c.s. betogen, is dit vermogensbestanddeel op dit moment dus ongeschikt. Dat er andere verhaalsobjecten zijn, die kunnen leiden tot volledige betaling, hebben [appellant] c.s. niet, althans niet gemotiveerd gesteld.
3.11.3.
Ook de overige omstandigheden, voor zover deze hiervoor nog niet zijn besproken, leveren naar het oordeel van het hof geen misbruik van recht op (nr. 40 van het beroepschrift). De toezeggingen van de curator [de curator] zien enkel op het niet executeren van specifieke woningen, omdat daarvan geen overwaarde is te verwachten. De toezeggingen zagen niet op het afzien van alle andere verhaalsmiddelen, waaronder de faillissementsaanvraag. Dat het faillissement enkel wordt ingezet om de hoger beroepsprocedure geschorst te krijgen en dat de curator er louter op uit is om [appellant] c.s. (onnodig) te schaden, is aan het hof niet gebleken. De grieven IV en V slagen daarom niet.
3.11.4.
Evenmin volgt het hof [appellant] c.s. in hun betoog dat de curator [de curator] , mede in het licht van het belang van [appellant] c.s. geen redelijk belang heeft bij het faillissement. Feit is dat de curator [de curator] in zijn hoedanigheid van curator een opeisbare vordering heeft op [appellant] c.s. en uit het dossier kan worden afgeleid dat [appellant] c.s. tot nu toe elke poging van de curator om die vordering betaald te krijgen hebben gefrustreerd. Dat de curator [de curator] , die er is om de belangen van de gezamenlijke crediteuren te behartigen, tot het ultieme middel van een faillissementsaanvraag is overgegaan, is in dit licht bezien gerechtvaardigd.
3.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire grondslag niet slaagt en dat het hof toekomt aan de beoordeling van de secundaire grondslag.
4. Ten aanzien van de vraag of [appellant] c.s. op de subsidiaire grondslag thans verkeren in de toestand van te hebben opgehouden te betalen geldt het volgende.
4.1.
[appellant] c.s. garanderen inmiddels betaling van de vorderingen van de curator [de curator] via de derdengeldenrekening van hun advocaat. Op deze derdengeldenrekening staat inmiddels een bedrag van € 2.730.000,00, bestemd voor de vernietiging van de faillissementen op de subsidiaire grondslag.
4.2.
Met de curator [de curator] is een regeling getroffen die – kort weergegeven – inhoudt dat na vernietiging van de faillissementen de twee betalingen ten aanzien van de dwangsommen en het voorschot (een totaalbedrag van € 2.610.878,38 (plus lopende rente vanaf heden)) worden betaald. Alleen als het totaalbedrag van € 2.610.878,38 (plus lopende rente vanaf heden) is bijgeschreven op de derdenrekening van de advocaat van [appellant] c.s. en onder de voorwaarde dat na vernietiging de twee betalingen zullen worden verricht, zal de curator [de curator] op voorhand instemmen met de vernietiging van de privé faillissementen van [appellant] c.s. Ter zitting is aan het hof gebleken dat de totale vordering van de curator [de curator] per 10 juni 2026 een bedrag is van € 2.624.544,54.
Het hof stelt vast dat op 4 mei 2026 een bedrag van € 2.700.000,00 staat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] c.s. (bijlage 7 bij het beroepschrift). [appellant] c.s. en hun advocaat garanderen dat de vorderingen van de curator [de curator] conform de betalingsinstructie van de curator [de curator] bijlage 10 (bij het beroepschrift) worden voldaan.
4.3.
Bij vernietiging van de faillissementen op deze grondslag zullen [appellant] c.s. ook de vast te stellen kosten van de curator in de privé faillissementen (curator De Klerk) vergoeden. Uit het ter zitting overgelegde voorstel tot vaststelling van salaris en verschotten blijkt dat de faillissementskosten per 10 juni 2026 een bedrag zijn van € 28.030,61 incl. btw. Ter zekerheid van deze kosten (salaris curator) is op 4 juni 2026 een aanvullend bedrag van € 30.000,00 gestort op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] c.s.
4.4.
Ten aanzien van de vorderingen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] is een regeling overeengekomen inhoudende dat zij akkoord gaan met vernietiging van de faillissementen en dat de lopende overeenkomsten vervolgens ongewijzigd worden voortgezet (bijlage 8 en 9 bij het beroepschrift).
4.5.
Ten aanzien van de vordering van [B.V. 2] geldt dat een eventuele
vordering als gevolg van een arbitraal vonnis (in kracht van gewijsde) ook kan worden voldaan uit het bedrag van € 2.700.000,00 dat zich bevindt op de derdengeldenrekening
van de advocaat van [appellant] c.s. Dat garantiebedrag zal de advocaat van [appellant] c.s. moeten aanhouden op de derdengeldenrekening tot het oordeel van de arbiters in kracht van gewijsde is gegaan.
4.6.
De belastingdienst heeft na faillietverklaring vorderingen van € 112.171,00 en € 11.502,00 ingediend bij de curator De Klerk. Uit het verslag van curator De Klerk leidt het hof af dat de inkomstenbelasting die daadwerkelijk verschuldigd is over 2023 reeds voor faillietverklaring was betaald. De nu door de belastingdienst ingediende vorderingen zijn gebaseerd op een voorlopige aanslag, die is afgegeven naar aanleiding van een foutieve aangifte. Voor de thans ingediende bedrag is schriftelijk uitstel van betaling verleend door de belastingdienst, in afwachting van de beoordeling van de correcte aangifte en van de definitieve aanslag IB 2023.
Hoewel de vorderingen formeel zijn ingediend door de belastingdienst, is het volgens de curator De Klerk aldus de vraag of deze vordering materieel wel bestaan.
Het hof is van oordeel dat niet vaststaat dat de belastingdienst thans een opeisbare vordering heeft op [appellant] c.s. die voldaan moet worden als voorwaarde voor de vernietiging van het faillissement.
4.7.
Het hof constateert op grond hiervan dat alle opeisbare vorderingen worden voldaan of kunnen worden voldaan. De curator [de curator] , zijnde de aanvrager van de faillissementen, stemt in met vernietiging van de faillissementen, mits zijn vorderingen voldaan worden, hetgeen door de advocaat van [appellant] c.s. is bevestigd. Ook de curator De Klerk staat positief tegenover een vernietiging van het faillissement. Het hof leidt hieruit af dat [appellant] c.s. derhalve niet (langer) verkeren in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Nu niet langer aan de vereisten voor een faillissement is voldaan, zal het hof het vonnis waarvan beroep en daarmee het faillissement vernietigen en het oorspronkelijke verzoek tot faillietverklaring alsnog afwijzen.

5.De beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis van 28 april 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda;
en opnieuw rechtdoende:
wijst af het verzoek van de curator [de curator] tot faillietverklaring van [appellant] c.s.;
vernietigt het faillissement van [appellant] c.s.;
stelt de verschotten en het salaris (tezamen) vast op € 28.030,61 inclusief btw, en bepaalt dat dit bedrag ten laste komt van [appellant] c.s.;
verzoekt de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, zorg te dragen voor kennisgeving van de uitspraak aan de administratie van de posterijen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis - Becks, J.B. Smits en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 om 10.00 uur.