ECLI:NL:GHSHE:2026:1696

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
20-001413-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 3 OpiumwetArt. 9.2.2.1 Wet milieubeheerArt. 1.2.2 VuurwerkbesluitArt. 261 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van wapens, munitie, hennep en professioneel vuurwerk

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het bezit van meerdere vuurwapens en munitie, het telen van hennepplanten en het bezit van professioneel vuurwerk. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en kwam tot een andere bewezenverklaring, waarbij onder meer de dagvaarding als geldig werd beoordeeld en een partiële vrijspraak werd uitgesproken.

De zaak begon na een MMA-melding die leidde tot een doorzoeking van de woning van de verdachte. De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan wegens onrechtmatige doorzoeking, maar het hof oordeelde dat de melding voldoende concreet was en de doorzoeking rechtmatig. Medeplegen werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 4 jaar opgelegd, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het hof achtte de feiten ernstig vanwege de hoeveelheid wapens en munitie, de aanwezigheid van hennep en professioneel vuurwerk, en de omstandigheden waaronder deze waren aangetroffen. De verdachte had slechts beperkt verantwoordelijkheid genomen en de straf werd passend geacht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, voor bezit van wapens, munitie, hennep en professioneel vuurwerk.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001413-24
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-304033-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep
- is de dagvaarding met betrekking tot het onder feit 2 onder de gedachtestreepjes 13 en 17 tenlastegelegde ‘projectielen’ respectievelijk ‘diverse onderdelen’, nietig verklaard,
- is de verdachte partieel vrijgesproken van het medeplegen van de feiten tenlastegelegd onder 1 tot en met 4, alsmede van het voorhanden hebben van het geweer merk Baikal (blijkens lezing door de rechtbank van de tenlastelegging onder feit 1 tenlastegelegd als vallende onder de categorie III onder 3 van de Wet Wapens en Munitie), en van het voorhanden hebben van 33 verschoten Flobert hulzen (tenlastegelegd onder 2), en
- is de verdachte ter zake van:
  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd (het tenlastegelegde onder feit 1);
  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (het tenlastegelegde onder feit 2);
  • opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod (het tenlastegelegde onder feit 3) en
  • opzettelijk handelen in strijd met artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, meermalen gepleegd (het onder feit 4 tenlastegelegde)
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft, zoals uit de schriftelijke vordering volgt, gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden de bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies d.d. 23 april 2024 en 24 december 2025, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Met betrekking tot het beslag heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof hieromtrent geen beslissing dient te nemen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het hof de teruggave zal gelasten van alle niet-strafbare inbeslaggenomen goederen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Geldigheid van de dagvaarding
Zoals hiervoor weergegeven heeft de rechtbank de dagvaarding nietig verklaard met betrekking tot de onder feit 2 in de tenlastelegging opgenomen ‘projectielen’ en ‘diverse onderdelen’. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de tenlastelegging op alle onderdelen een voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit dat aan de verdachte wordt verweten en overweegt dienaangaande als volgt.
De geldigheid van de dagvaarding wordt onder andere beoordeeld op de duidelijkheid van de tenlastelegging. Op grond van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. De tenlastelegging strekt ertoe voor de procesdeelnemers – zowel voor het Openbaar Ministerie en de rechter als voor de verdachte – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Het gaat er uiteindelijk om of de dagvaarding bezien in samenhang met het onderliggende strafdossier voldoende duidelijk is in die zin dat daarmee voldoende inzichtelijk is wat de beschuldiging inhoudt waartegen de verdachte zich aldus heeft te verdedigen.
In het licht van het strafdossier bezien is het naar het oordeel van het hof voor de verdediging ten aanzien van elk onderdeel van de tenlastelegging voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen. Zo zijn er in de woning en/of schuur van de verdachte naast diverse vuurwapens en vele (hagel- en kogel-)patronen van divers kaliber, diverse projectielen aangetroffen (die kunnen dienen als onderdeel van patronen) en wordt ten aanzien van ‘diverse onderdelen’ in de tenlastelegging verwezen naar foto 134 e.v., welke foto’s zijn opgenomen in de fotomap van de aan het einddossier toegevoegde bijlage 29, zijnde het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, Divisie Regionale Recherche, Team Forensische Opsporing, Expertise Wapens, Munitie en Explosieven d.d. 11 januari 2024, met kenmerk 2023182270-98. Pagina 619 van dit proces-verbaal beschrijft wat op foto 134 en verder is te zien. Daarbij staat vermeld dat dit onderdelen betreffen van munitie (op de speelgoed klappertjes na) die vallen onder artikel 3 lid 2 van Pro de Wet wapens en munitie. Derhalve is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en ook overigens, voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Het hof is van oordeel dat het tenlastegelegde onder feit 1 een kennelijke verschrijving bevat, te weten ten aanzien van de zinsnede ‘1 geweer van categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie’, nu categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie betrekking heeft op werpmessen terwijl deze zinsnede nu juist betrekking heeft op “1 geweer” en in de tenlastelegging voor het overige uitsluitend vuurwapens zijn opgenomen. Het hof zal dit verbeterd lezen in die zin dat deze zinsnede als volgt komt te luiden: ‘1 geweer van categorie II, onder 3 van de Wet wapens en munitie’.
Op pagina 163 van het einddossier is gerelateerd dat onder de verdachte als voorwerp nr. 14 met het BVH
goednummer 1655370een pistool in beslag is genomen, als volgt omschreven:
  • Merk en type: FN Browning 1922,
  • Kaliber: 7,65.
Op pagina 601 van het einddossier (1e aanvulling) wordt gerelateerd dat het onderzochte pistool met datzelfde
goednummer 1655370(en met Sin-nummer AAQX1922NL) een vuurwapen betreft omschreven als:
  • Merk: FN
  • Model: 1910/22,
  • Kaliber 7.65 millimeter Browning.
Het is het hof uit openbare bron (Google internet) gebleken dat het pistool FN Browning 1922 (als een aangepaste versie van het pistool FN Browning 1910) ook wel bekend staat als FN Browning 1910/22. Met het in de tenlastelegging onder feit 1, tiende gedachtestreepje opgenomen “pistool, van het merk FN Browning 1922, kaliber 7,65” is klaarblijkelijk “pistool, van het merk FN Browning 1910/22, kaliber 7,65” bedoeld, zodat het hof de tenlastelegging op dit punt daarom eveneens verbeterd zal lezen.
Aan de verdachte is, met inachtneming van vorenomschreven verbeteringen, tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 15 wapens althans, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en/of 1 geweer van categorie II, onder 3 van de Wet wapens en munitie te weten:
- een revolver, van het merk Reck model R22, kaliber 4 millimeter M20 en/of
- een revolver, van het merk Mateja model shotgun, kaliber .22 en/of
- een revolver, van het merk Harrington & Richardson Arms company, kaliber .38 en/of
- een revolver, van het merk Harrington & Richardson Arms company, kaliber .32 S&W Short en/of
- een revolver, van het merk ROSSI, kaliber .38 special en/of
- een gasrevolver, van het merk Arminius model HW88, kaliber 9 millimeter knal en/of
- een gasrevolver, van het merk Mauser model K50, kaliber .380 knal en/of
- een geweer, van het merk Anschutz, kaliber .22 long rifle en/of
- een geweer, van het merk Akah, kaliber 270 win en/of
- een pistool, van het merk FN Browning 1910/22, kaliber 7,65 en/of
- een pistool, van het merk Esperanza of Uncela Gabiando model Victoria of Ruby 1916, kaliber .32 en/of
- een pistool, van het merk Rhoner model mod 3, kaliber 6.35 millimeter en/of
- een geweer, van het merk Baikal model MP43 M, kaliber 12 GA en/of
- een geweer, van het merk Stevens model 335, kaliber 12 GA en/of
- een geweer, van het merk Carcano model 1891/38 , kaliber 6.5x52 millimeter,
zijnde telkens een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 16 november 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 71 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga en/of
- 258 kogelpatronen in het kaliber .38 S&W Special en/of
- 25 kogelpatronen in het kaliber .357 Magnum en/of
- 58 kogelpatronen in het kaliber 7,65 millimeter Browning en/of
- 942 kogelpatronen in het kaliber .22 long rifle en/of
- 145 kogelpatronen in het kaliber 6.35 millimeter Browning en/of
- 183 kogelpatronen in het kaliber 9 millimeter Luger, 9x19 millimeter en 9 millimeter NATO en/of
- 245 kogelpatronen in het kaliber .22 short en/of
- 47 knalpatronen in het kaliber .380 en/of
- 101 kogelpatronen in het kaliber 6 millimeter Flobert en/of
- 1 kogelpatroon in het kaliber 7,62x39 millimeter en/of
- 20 kogelpatronen in het kaliber 7x64 millimeter en/of
- projectielen en/of
- 33 verschoten 4 millimeter Flobert hulzen en/of
- 8 gaspatronen pepperspray en/of
- 414 slaghoedjes en/of
- diverse onderdelen (zie foto 134 e.v.),
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 36 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad, te weten:
- 1,48 kg vuurwerk ingedeeld in categorie F2 en/of
- 180 stuks bangers.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiele vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Het hof zal de verdachte vrijspreken van de onder 2 tenlastegelegde “33 verschoten Flobert hulzen”, nu het hof het niet te bewijzen acht dat deze reeds verschoten hulzen onder munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie vallen aangezien uit de stukken van het strafdossier niet is op te maken dat deze reeds eerder verschoten hulzen geschikt zijn om wederom te worden gebruikt bij de vervaardiging van munitie.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en 1 geweer van categorie II, onder 3 van de Wet wapens en munitie te weten:
- een revolver, van het merk Reck model R22, kaliber 4 millimeter M20 en
- een revolver, van het merk Mateja model shotgun, kaliber .22 en
- een revolver, van het merk Harrington & Richardson Arms company, kaliber .38 en
- een revolver, van het merk Harrington & Richardson Arms company, kaliber .32 S&W Short en
- een revolver, van het merk ROSSI, kaliber .38 special en
- een gasrevolver, van het merk Arminius model HW88, kaliber 9 millimeter knal en
- een gasrevolver, van het merk Mauser model K50, kaliber .380 knal en
- een geweer, van het merk Anschutz, kaliber .22 long rifle en
- een geweer, van het merk Akah, kaliber 270 win en
- een pistool, van het merk FN Browning 1910/22, kaliber 7,65 en
- een pistool, van het merk Esperanza of Uncela Gabiando model Victoria of Ruby 1916, kaliber .32 en
- een pistool, van het merk Rhoner model mod 3, kaliber 6.35 millimeter en
- een geweer, van het merk Baikal model MP43 M, kaliber 12 GA en
- een geweer, van het merk Stevens model 335, kaliber 12 GA en
- een geweer, van het merk Carcano model 1891/38 , kaliber 6.5x52 millimeter,
zijnde telkens een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver of pistool voorhanden heeft gehad;
2.
hij op 16 november 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 71 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga en
- 258 kogelpatronen in het kaliber .38 S&W Special en
- 25 kogelpatronen in het kaliber .357 Magnum en
- 58 kogelpatronen in het kaliber 7,65 millimeter Browning en
- 942 kogelpatronen in het kaliber .22 long rifle en
- 145 kogelpatronen in het kaliber 6.35 millimeter Browning en
- 183 kogelpatronen in het kaliber 9 millimeter Luger, 9x19 millimeter en 9 millimeter NATO en
- 245 kogelpatronen in het kaliber .22 short en
- 47 knalpatronen in het kaliber .380 en
- 101 kogelpatronen in het kaliber 6 millimeter Flobert en
- 1 kogelpatroon in het kaliber 7,62x39 millimeter en
- 20 kogelpatronen in het kaliber 7x64 millimeter en
- projectielen en
- 8 gaspatronen pepperspray en
- 414 slaghoedjes en
- diverse onderdelen (zie foto 134 e.v.),
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, opzettelijk heeft geteeld 36 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.
hij op 16 november 2023 te Tegelen, in de gemeente Venlo, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad, te weten:
- 1,48 kg vuurwerk ingedeeld in categorie F2 en
- 180 stuks bangers.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is door de raadsman van de verdachte in de kern aangevoerd dat de informatie die heeft geleid tot de doorzoeking van de woning van de verdachte, te weten de MMA-melding, onvoldoende concreet was en na nader onderzoek ook onjuist bleek te zijn, waardoor de doorzoeking onrechtmatig was. Dit onherstelbare vormverzuim dient volgens de raadsman van de verdachte te leiden tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor enkel de verklaring van de verdachte resteert en derhalve vrijspraak dient te volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Met de rechtbank stelt het hof voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de politie enkel een anonieme melding gebruikt als startinformatie voor een opsporingsonderzoek, mits deze voldoende concreet kan worden geacht. Het onderzoek naar onderhavige feiten is begonnen naar aanleiding van een melding die op 15 november 2023 is binnengekomen bij ‘Meld Misdaad Anoniem’ (MMA). Deze melding luidde als volgt:
‘Bekend is dat [naam] in bezit is van een vuurwapen. Hij woont aan de [straatnaam] in Tegelen. het precieze huisnummer is niet bekend. Het huis heeft aan de voorzijde een garage/schuurdeur die van ijzer is. [naam] handelt samen met zijn broer, genaamd [verdachte] , in wapens. Het is niet bekend of het enkel om vuurwapens gaat, of dat er ook andere wapens worden aangeboden. De wapens liggen opgeslagen in de schuur van de woning. [naam] is ca. 19/20 jaar oud’.
Op grond van artikel 49 van Pro de Wet wapens en munitie zijn opsporingsambtenaren bevoegd om elke plaats te doorzoeken voor zover zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat op die plaats wapens of munitie aanwezig zijn. Het gaat daarbij niet om een bevoegdheid die ziet op een in relatie tot een persoon te individualiseren concrete verdenking, maar om een bevoegdheid tot doorzoeking van plaatsen, waarvoor geldt dat gelet op aanwijzingen het vermoeden is gerechtvaardigd dat daar mogelijk wapens of munitie aanwezig zijn.
Vooropgesteld dat geen rechtsregel er principieel aan in de weg staat dat de politie anonieme informatie gebruikt als startinformatie voor een opsporingsonderzoek, is het hof van oordeel dat de in deze zaak gebruikte hierboven geciteerde MMA-melding voldoende concreet was om van die bevoegdheid gebruik te maken, mede gelet op het belang van maatschappelijke veiligheid die met de opsporing van wapens en munitie is gemoeid (vgl. HR 25 september 2001, ECLI:NL:HR:ZD1858; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4179; HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1367; HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3057 en GHAMS 22 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1828). De melding bevatte immers een straatnaam, de namen van twee personen, de juiste leeftijd van één van hen, een beschrijving van het betreffende huis en bovendien werd specifiek een schuur van ijzer genoemd die als opslagplaats diende voor wapens. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt op welke wijze voornoemde melding is getoetst. De politie heeft een GBA-controle uitgevoerd, waaruit bleek dat de genoemde personen op hetzelfde huisnummer in de betreffende straat woonden. Daarnaast zagen de verbalisanten via Google Maps dat bij de woning met [huisnummer] een schuur hoorde. Het feit dat gesproken wordt van een ijzeren (garage-/schuur)deur – de aanwezigheid daarvan is op foto’s van de politie vastgelegd – en dat het plaatsen van een ijzeren deur bepaald niet geldt als een standaard bouwmateriaal, heeft bij kunnen dragen aan de verdenking dat de zich daarachter bevindende goederen kennelijk een verhoogde bescherming behoeven, hetgeen goed zou kunnen passen bij de inhoud van de melding en voornoemde verdenking in redelijkheid verder heeft kunnen voeden.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, verwerpt het hof de stelling dat de MMA-melding niet kon dienen als rechtmatige start voor het in het kader van de Wet Wapens en Munitie betreden van de woning van de verdachte ter doorzoeking. De omstandigheid dat [naam] niet de broer is van de verdachte, maar zijn zoon, doet aan het voorgaande niet af. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dan ook geen sprake en dientengevolge van bewijsuitsluiting evenmin.
Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer.

Medeplegen

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte de tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met zijn partner en/of kinderen heeft gepleegd. Daarvoor is vereist dat zijn partner en/of kinderen zich in meer of mindere mate bewust waren van de aanwezigheid van de wapens, munitie, hennepkwekerij en/of vuurwerk in de woning. Daarnaast is vereist dat zij hierover de feitelijke beschikkingsmacht hadden.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hiervoor onvoldoende bewijs voorhanden is in het dossier en derhalve zal het hof de verdachte bij alle vier de tenlastegelegde feiten vrijspreken van het onderdeel medeplegen.

Voorwaardelijke verzoeken verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging diverse voorwaardelijke verzoeken ingediend ingeval het hof niet uit zal gaan van de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de in de tenlastelegging opgenomen wapens en munitie bij een vriend heeft aangetroffen en in paniek mee naar zijn woning heeft genomen en daar heeft neergezet. De aan deze voorwaarde gekoppelde verzoeken die door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zijn gedaan luiden als volgt:
- onderzoek naar het bouwjaar van de aangetroffen wapens en/of munitie,
- onderzoek naar DNA-sporen op de wapens en/of munitie,
- onderzoek naar dactyloscopische sporen op de wapens en/of munitie en
- onderzoek naar de uitgiftedatum van de koffers en/of tassen waarin de wapens en/of de munitie zijn aangetroffen.
Indien het hof niet uitgaat van de verklaring van de verdachte over het wapen dat zou zijn aangetroffen op het dressoir in de woonkamer, verzoekt de verdediging dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen worden gehoord om hen te bevragen of het wapen op het dressoir is aangetroffen, hetgeen wordt betwist door de verdachte, omdat dit wapen ergens anders in de woonkamer (in een kist) is aangetroffen.
Indien het hof ervan uitgaat dat de kogelpunten niet behoren bij de luchtbuks dan wel dat de kogelpunten strafbaar zijn, verzoekt de verdediging dat nader onderzoek wordt verricht naar deze kogelpunten door een deskundige en dat deze deskundige een toelichting zal geven of deze kogelpunten strafbaar zijn gesteld.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
De verzoeken van de verdediging zijn voorwaardelijke verzoeken tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 328 in Pro verbinding met artikel 315 Sv Pro, waarop het hof op grond van artikel 415 in Pro verbinding met artikel 330 Sv Pro dient te beslissen. De toepasselijke maatstaf ter beoordeling van de verzoeken is het noodzakelijkheidscriterium. Bij toepassing van dit criterium kan een verzoek worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzaak van het verzochte onderzoek niet is gebleken.
Aan de verdachte is onder 1 en 2 tenlastegelegd het op 16 november 2023 voorhanden hebben van diverse wapens en munitie. Uit de toelichting op de vorenomschreven voorwaardelijke verzoeken van de verdediging heeft het hof niet kunnen afleiden dat en waarom en op welke punten deze verzoeken een relevante, gerichte bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering in het kader van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. De verdachte heeft immers op zitting in hoger beroep onomwonden bekend dat alle onder de tenlastegelegde feiten vermelde goederen bij hem thuis zijn aangetroffen. De voorwaardelijke verzoeken behelzen verder geen betwisting van de wetenschap of de beschikkingsmacht met betrekking tot de aanwezigheid van deze goederen. Voorts behelzen deze verzoeken geen betwisting van het feit dat deze goederen door de politie verspreid zijn aangetroffen op diverse plaatsen in het huis en de twee schuren.
Tenslotte behelst de toelichting op de verzoeken geen enkel aanknopingspunt voor twijfel omtrent de juistheid van de resultaten van het onderzoek aan de inbeslaggenomen en ten laste gelegde wapens en munitie zoals deze zijn gerelateerd in het proces-verbaal van 11 januari 2024 van [verbalisant 3] , werkzaam bij het team forensische opsporing, expertise wapens, munitie en explosieven, van de afdeling divisie regionale recherche van de politie eenheid Limburg, nog daargelaten dat de tenlastelegging geen verwijt inhoudt met betrekking tot (al dan niet strafbare) kogelpunten.
Het hof ziet dan ook geen rechtens te beschermen belang om de voorwaardelijke verzoeken toe te wijzen. De voorwaardelijke verzoeken van de verdediging worden derhalve afgewezen, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van diverse wapens en meer dan 2000 patronen en munitie onderdelen. Het voorhanden hebben van wapens en (met bijbehorende) munitie zijn zeer ernstige strafbare feiten. Dergelijk handelen, temeer in de omvang zoals bewezenverklaard, brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezit van vuurwapens regelmatig tot het gebruik daarvan leidt. Nederland heeft de laatste jaren te maken met steeds meer en heviger vuurwapengeweld waardoor jaarlijks tientallen doden en gewonden vallen. Dergelijke feiten dragen daardoor bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich van deze gevolgen van zijn handelen kennelijk niets aangetrokken. Het hof acht dit alles zeer kwalijk. De verdachte heeft voor de feiten maar beperkt verantwoordelijkheid genomen. De verdachte heeft verklaard dat hij de wapens en munitie enkele maanden geleden uit de schuur van een vriend had meegenomen die op sterven lag. Deze verklaring, voor zover die mag gelden als (vergoelijkende) verklaring voor het voorhanden hebben van vuurwapens, overtuigt het hof bepaald niet, mede gezien de aangetroffen hoeveelheid, de omstandigheden waaronder de vuurwapens en (bijbehorende) munitie zijn aangetroffen, de wijze waarop deze voorwerpen waren opgeslagen en de lange periode van meerdere maanden gelegen tussen het moment van verwerven en het moment van inbeslagneming.
Daarnaast heeft de verdachte hennep geteeld. Voor verdovende middelen zoals hennep geldt dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel, mede vanwege de daaraan verbonden criminele bij-effecten zoals handel in verdovende middelen, witwassen van daarmee verkregen gelden en geweldsincidenten. Door zijn handelwijze heeft de verdachte daaraan bijgedragen.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk bezitten van professioneel vuurwerk. Dit handelen van de verdachte getuigt op de eerste plaats van een gebrek aan eerbied voor de veiligheid van anderen. Het voorhanden hebben van vuurwerk bij particulieren ziet uiteindelijk steeds op het gebruik van dat vuurwerk met name door het af te steken. Het afsteken van dermate zwaar knalvuurwerk als bij de verdachte in bezit, door personen zonder gespecialiseerde kennis, brengt ernstige risico’s met zich, niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor omstanders, omwonenden en dieren. Daarnaast wordt vuurwerk de laatste tijd steeds vaker ook (zonodig na aanpassing) gebruikt als geweldsmiddel ten behoeve van criminele doeleinden. Het hof rekent de verdachte het bewezenverklaarde ernstig aan.
Gezien de aangetroffen hoeveelheid en de omstandigheden waaronder de vuurwapens en (bijbehorende) munitie zijn aangetroffen kan het hof zich niet onttrekken aan de indruk dat de verdachte zich mogelijk op professionele wijze heeft geleend voor het plegen van ondermijnende criminaliteit van de meest zware soort, hetgeen het hof ernstig zorgen baart. Het is de combinatie van de hoeveelheid en soorten vuurwapens en de hoeveelheid en soorten munitie, de geschiktheid daarvan voor onmiddellijk gebruik, het plegen van onderhoud aan deze wapens, zoals het oliën, de verspreide aanwezigheid in huis en beide schuren, de aanwezigheid van ruim een kilo zwaar vuurwerk, de aanwezigheid van slagpijpjes en een slagsnoer en de aanwezigheid van apparatuur voor het maken van patronen liggen aan deze veronderstelde mogelijkheid ten grondslag. Bewijs is hier niet voor, maar het gaat te ver om te veronderstellen dat dit alles slechts werd bewaard om een vriend die terminaal ziek was geworden uit de wind van justitie te houden. Niet alleen is het niet logisch om dan deze goederen in huis te nemen, maar evenmin is het logisch dat één van de vuurwapens zich in de woonkamer bevond, zwaar vuurwerk in de trapkast werd bewaard en apparatuur om patronen te maken zich in de meterkast bevond. Bovendien zou de verdachte naar eigen zeggen zijn vriend hebben beloofd de vuurwapens en munitie weg te gooien. Dat heeft verdachte niet gedaan, ook niet gedeeltelijk, en dus ook niet in november, ruim 3 maanden na het overlijden van deze vriend. Wat wel in die periode is gebeurd, is dat verdachte een nieuwe garage met een ijzeren deur heeft neergezet of laten neerzetten. Daarin is behalve de tenlastegelegde goederen ook een goed geoutilleerde werkplaats voor motoren aangetroffen. Verdachte beschikte op dat moment over drie motoren, waaronder twee Harley Davidsons. Dit alles roept gelet op het beperkte inkomen de nodige vragen op. Wat daar ook verder van zij, het hof ziet in dit alles in ieder geval geen bevestiging dat de verdachte ‘slechts’ een vriend heeft willen helpen en rekent de verdachte dan ook ten volle aan wat in zijn woning en schuren aan wapens en munitie is aangetroffen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, doch dat deze veroordelingen dateren van 27 oktober 2015 en 19 april 2016. Gelet hierop zal het hof deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin a.b.i. artikel 43a Wetboek van Strafrecht meewegen in de op te leggen straf. Deze veroordelingen hebben de verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 23 april 2024. Hieruit volgt dat het risico op recidive op laag-gemiddeld wordt ingeschat en dat bijzondere voorwaarden zijn
geïndiceerd om in te zetten op toezicht (van de reclassering) en eventueel een cognitieve
vaardigheidstraining om de denkpatronen en keuzes van de verdachte beter inzichtelijk te
krijgen, waarna handvatten aangereikt kunnen worden om recidiverisico’s in de toekomst te
verkleinen. Tevens heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 24 december 2025, welk advies is opgemaakt in een andere strafzaak tegen de verdachte (parketnummer 03-259048-25). Hieruit volgt dat de eerdere geconstateerde zorgen van de reclassering in maart 2024 in de persoonlijke situatie van de verdachte, zowel op praktisch als psychosociaal gebied, zijn toegenomen. De verdachte is in de tussentijd ziek uitgevallen van zijn werk door gezondheidsproblemen, ontvangt een WW-uitkering en eventuele arbeidsongeschiktheid wordt momenteel onderzocht door het UWV. Hierdoor zijn de maandinkomsten veel lager geworden en de financiële zorgen verder toegenomen. Er is sprake van beginnende schulden, wat zorgt voor spanningen. Voorts is er reeds jarenlang sprake van een cannabisafhankelijkheid (zowel hijzelf als zijn partner). Ook ten aanzien van zijn partnerrelatie werden er destijds al zorgen geconstateerd; met name vanwege de gezondheid en bijhorende behandelingen van zijn vrouw. Hoewel haar gezondheid momenteel stabiel is, zijn er wel nog spanningen binnen het gezin.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de ontstekingswaarden bij de partner van de verdachte hoog waren, er poliepen zijn weggehaald en zij in afwachting zijn van de uitslag van het ziekenhuis.
Met betrekking tot het procesverloop en de duur daarvan overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak naar vaste rechtspraak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bovendien heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat hoger beroep in ingesteld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden, nu de verdachte op 17 november 2023 in verzekering is gesteld en het vonnis van 13 mei 2024 dateert. De redelijke termijn in hoger beroep is echter wel overschreden, namelijk met ongeveer 1 maand. Namens de verdachte is op 23 mei 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden, 26 juni 2026, arrest wijst. Gelet op de geringe termijnoverschrijding in hoger beroep volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder gelet op de hoeveelheid wapens en munitie en vuurwerk en de omstandigheden waaronder deze goederen zijn aangetroffen, niet kan worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank. Al het voorgaande afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Het hof ziet aanleiding om hieraan een proeftijd van 3 jaren te verbinden. Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de reclassering geadviseerd zal het hof hieraan geen bijzondere voorwaarden verbinden, nu het hof daartoe geen aanleiding ziet.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Uit het dossier volgt dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie d.d. 18 november 2023 (pagina 221) afstand heeft gedaan van alle inbeslaggenomen goederen, behalve van de inbeslaggenomen bajonet. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook afstand gedaan van voornoemde bajonet. Gelet hierop zal het hof geen beslissing nemen met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Bijlage bewijsmiddelen