ECLI:NL:GHSHE:2026:1787

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
20-000539-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 11b OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor deelneming aan criminele organisatie in synthetische drugsproductie

In hoger beroep is het verweer van de verdediging tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens het ne bis in idem-beginsel verworpen. Het hof oordeelt dat de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie een ruimere periode en andere gedragingen omvat dan de eerdere veroordelingen van de verdachte in Hammond I en 26Bluffton.

De bewezenverklaring betreft deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met de productie van synthetische drugs, waaronder metamfetamine, met alle schadelijke gevolgen voor de samenleving. De verdachte vervulde daarin een onmisbare rol als 'kok' met specialistische kennis.

Gezien de ernst van de feiten, de rol van de verdachte, zijn medische situatie en eerdere veroordelingen, legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden op met een proeftijd van 2 jaar. Het hof wijst een geldboete af vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De redelijke termijn in hoger beroep is met circa 16 maanden overschreden, maar het hof ziet geen aanleiding tot strafvermindering. Het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd, behalve dat het hof de strafoplegging heropent en een straf oplegt in plaats van toepassing van artikel 9a Sr.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000539-23
Uitspraak : 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993318-21 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres] .

1.Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet’, de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte ter zake schuldig is verklaard zonder dat aan hem daarvoor een straf is opgelegd.
De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair een door het hof te bepalen duur aan vervangende hechtenis.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het door de rechtbank bewezenverklaarde en een straftoemetingsverweer gevoerd, en gelet hierop bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De verdediging heeft bepleit dat het hof (alsnog) de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
Aan de verdachte is in de onderhavige zaak tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Deze tenlastelegging is uitsluitend gebaseerd op de Opiumwetfeiten waarvoor de verdachte reeds in de onderzoeken Hammond I (het lab in Zaandam ) en Hammond II (het hof begrijpt: 26Bluffton; het lab in Montfoort ) – is veroordeeld.
Daarmee bestaat geen wezenlijk verschil tussen de tenlastegelegde concrete handelingen en gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak enerzijds, en de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedragingen van de verdachte in de zaken Hammond I en 26Bluffton anderzijds. Dit maakt dat – in de onderhavige zaak – sprake is van een vervolging die in strijd is met het
ne bis in idem-beginsel dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
In zijn arrest van 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) heeft de Hoge Raad – voor zover relevant – als volgt overwogen:

3.3.2
Wanneer (…) de eerste vervolging betrekking heeft op het door de verdachte begaan zijn van een concreet delict en de tweede vervolging het deelnemen aan een criminele organisatie betreft, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan die latere vervolging voor het deelnemen aan een criminele organisatie als die deelneming van de verdachte op niets anders betrekking heeft dan het begaan van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd. Het begaan van een concreet delict zal echter slechts in uitzonderlijke gevallen de deelneming aan een criminele organisatie geheel omvatten. Artikel 140 Sr Pro heeft immers betrekking op het deelnemen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat betekent dat het deelnemen door de verdachte zeker niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit het door hem begaan zijn van een (enkel) concreet delict, terwijl artikel 140 Sr Pro ook niet meer eist dan dat de organisatie het oogmerk heeft misdrijven te plegen.
3.3.3
Vervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie is dus in ieder geval wel mogelijk indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan het begaan zijn van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd en/of op andere delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. (…)”
Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in de onderhavige zaak tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie ‘op niets anders betrekking heeft dan op het begaan van de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is vervolgd’. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.
In Hammond I is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:
  • het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;
  • het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;
  • het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 11 maart 2020 in Zaandam .
In 26Bluffton is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:
  • het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 28 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 in Montfoort ;
  • het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B/D dan wel C, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 6 augustus 2020 in Montfoort .
In de onderhavige zaak (Hammond II) is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 februari 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze tenlastelegging bestrijkt daarmee een ruimere periode dan die waarvoor de verdachte eerder is vervolgd. Immers, de tenlastegelegde periode van de deelname aan een criminele organisatie ziet tevens op onderstaande tussenliggende periodes :
  • de periode van 12 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en
  • de periode van 7 augustus 2020 tot en met 16 februari 2021.
Met name in de eerstgenoemde periode heeft reeds vanaf 30 maart 2020 veelvuldig contact plaatsgevonden tussen de gebruikers van de EncroChat-accounts [accountnaam 1] (uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat hij gebruikmaakte van dat account [1] ) en [accountnaam 2] (later is de verdachte als gebruiker van dit account geïdentificeerd [2] ). In die berichten wordt ook al gesproken over de productie van synthetische drugs en onderwerpen die daaraan raken, waaronder grondstoffen en apparatuur. [3]
Ter illustratie daarvan wijst het hof op:
- EncroChat-berichten van 2 april 2020 waarin [medeverdachte] de verdachte erop wijst dat de dag ervoor weer een groot lab in Friesland is ontmanteld en dat zij (het hof begrijpt: [medeverdachte] en de verdachte) voorzichtiger en goed samen moeten werken, waarop dit door de verdachte wordt beantwoord met een emoticon van een ‘duim omhoog’. [4]
- SkyECC-berichten van 7 juli 2020 waarin [medeverdachte] in een groepschat aangeeft dat hij al 15 jaar ‘draait’ (het hof begrijpt – gelet op de inhoud van andere chatgesprekken en gelet op dossierpagina 1363 van zaaksdossier 2 – dat hiermee op het produceren van synthetische drugs wordt gedoeld) met ‘ [verdachte] ’ (de bijnaam van de verdachte), een lange periode die ook grotendeels buiten de concrete delicten valt waarvoor de verdachte in Hammond I en 26Bluffton reeds is vervolgd. [5]
Dergelijke berichten zijn weliswaar niet rechtstreeks te herleiden tot de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld (de labs in Montfoort en Zaandam ) maar kunnen wel degelijk relevant zijn voor het al dan niet bestaan van een criminele organisatie en het oogmerk daarvan, evenals voor verdachtes mogelijke deelneming aan die organisatie.
Het hof concludeert dan ook dat de concrete delicten waarvoor de verdachte in de onderzoeken Hammond I en 26Bluffton reeds is veroordeeld niet de gehele (in de onderhavige zaak tenlastegelegde) deelneming van de verdachte aan een criminele organisatie omvatten.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging in strijd met het
ne bis in idem-beginsel.
Op dezelfde gronden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij – anders dan bij de gestelde vervolging in strijd met het
ne bis in idem-beginsel – ook nog kan worden opgemerkt dat het bestaan van een criminele organisatie, die immers bestaat uit de onderlinge verbanden daarbinnen, niet zelden pas op een later moment in het onderzoek in volle omvang duidelijk wordt. Ook in zoverre is – anders dan in het door de raadsvrouw aangehaalde voorbeeld waarin éérst wordt vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en pas daarna voor concrete delicten door die organisatie gepleegd – op voorhand niet onbegrijpelijk dat de verdachte pas later is vervolgd voor zijn deelneming aan deze criminele organisatie, terwijl hij eerder al werd vervolgd wegens concrete delicten waaraan (ook) betekenis toekomt in het kader van de onderhavige verdenking.
Daarbij merkt het hof ten slotte nog op dat aan het Openbaar Ministerie (de officier van justitie) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een dergelijke beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Uitzonderlijke gevallen als hiervoor bedoeld, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij inbreuken op het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (het verbod van willekeur), maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
Gelet op het vorenstaande ziet het hof dan ook geen aanleiding (niet wegens strijd met het
ne bis in idem-beginsel noch wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde) om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
4
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en aldus de verdachte schuldig te verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof zal daarbij ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.
Voor wat betreft de gronden vult het hof deze aan met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, van welke verklaring de inhoud – net als van de bewijsmiddelen van de rechtbank – niet zal worden uitgewerkt gelet op het in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde.
Het hof heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaringen van de verdachte, afgelegd op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede op de procespositie van de verdediging. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in hoger beroep – met uitzondering van een (formeel) verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging – door de verdediging expliciet is verzocht het vonnis van de rechtbank, waaronder mede begrepen de daarin gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering, te bevestigen en dat daarbij slechts een straftoemetingsverweer is gevoerd.

5.Op te leggen straf

5.1
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Daartoe is – kort weergegeven – bepleit dat de verdachte voor zijn betrokkenheid bij de labs Zaandam (Hammond I, in cassatieberoep maar geen cassatiemiddelen ingediend terwijl de termijn daarvoor reeds verstreken is en de Hoge Raad dit cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren) en Montfoort (26Bluffton, inmiddels onherroepelijk) in totaal al een gevangenisstraf van 10 jaren opgelegd heeft gekregen.
Verder is sprake van tijdsverloop, een bekennende proceshouding, is de verdachte de afgelopen 7 jaar niet in aanraking met politie of justitie gekomen en zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder zijn leeftijd en gezondheid – zodanig dat een gevangenisstraf de verdachte zwaarder zal treffen dan een gezonde verdachte.
Daarbij is voorts bepleit niet – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – over te gaan tot oplegging van een geldboete, nu de verdachte nog een schuld van € 200.000,00 heeft en hij minimaal 66 jaar oud is wanneer hij uit de gevangenis zou komen met daardoor – mede vanwege zijn medische situatie – nauwelijks tot geen verdiencapaciteit. Oplegging van een geldboete zou daarom de facto neerkomen op een extra ‘gevangenisstraf’ omdat de verdachte dan vervangend gehecht zou worden, aldus de verdediging
5.2
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
5.2.1
Aard en ernst van de feiten
Het feit dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard, heeft betrekking op deelneming aan een criminele organisatie, waarvan is vastgesteld dat die niet alleen het oogmerk had om feiten zoals bedoeld in artikel 10 en Pro 10a van de Opiumwet te plegen, maar in welk verband dergelijke feiten ook daadwerkelijk zijn gepleegd.
Het hof waagt zich niet aan een rangorde voor wat betreft de schadelijkheid van verschillende soorten synthetische drugs waarmee deze criminele organisatie – waaronder de verdachte in het bijzonder – zich bezighield, maar het is een feit van algemene bekendheid dat metamfetamine in ieder geval behoort tot een van de meer schadelijke varianten. Niet alleen voor wat betreft de toxiciteit (zowel acuut als chronisch) heeft metamfetamine een zeer schadelijk effect op de gezondheid van de gebruikers. Ook heeft het een hoog verslavingspotentieel, nog daargelaten de negatieve sociaaleconomische gevolgen (verlies van werk of woonruimte, al dan niet als indirect gevolg van verstoorde sociale verhoudingen of relaties) die een dergelijke verslaving met zich kan brengen.
De productie van, de handel in en het gebruik van dergelijke harddrugs leidt bovendien tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt (direct of indirect) een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden niet zelden beschermd door gebruikmaking van geweld en/of bedreiging daarmee, en ook van het witwassen van de winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de economie en – daarmee – de maatschappij.
Ten slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs regelmatig gepaard met gevaren voor de directe omgeving. Daarbij valt in ieder geval te denken aan brandgevaar, ontploffingsgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige gassen. De opgeslagen en gebruikte (vaak zware) chemicaliën zijn immers aan ieder vorm van controle of handhaving onttrokken. Maar ook schade als gevolg van illegale dumpingen en lozingen van drugsafval zijn een grote maatschappelijke kostenpost. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.
5.2.2
Rol verdachte
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van Opiumwetdelicten, in het bijzonder gericht op de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft in die criminele organisatie niet slechts een noodzakelijke/onmisbare rol vervuld bij de concrete delicten die door de organisatie werden voorbereid en uitgevoerd, maar ook een moeilijk vervangbare rol. De verdachte fungeerde immers als ‘ kok ’ en leverde de kennis en kunde voor de eigenlijke productie van de metamfetamine, waaronder kennis over alles dat nodig was om deze productie op te starten en door te laten draaien. Hoe belangrijk zijn kennis was, blijkt wel uit het berichtenverkeer met betrekking tot alles wat er ontbrak en niet goed was aan de productielocatie in Montfoort . Hoewel de verdachte daarmee formeel geen aansturende rol had, bepaalde hij wel degelijk in belangrijke mate wat er nodig was en kwam de organisatie ook in beweging wanneer hij iets nodig had.
5.2.3
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan het bewezenverklaarde – meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten, meer in het bijzonder voor harddrugsfeiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte kanker heeft, leeft met een stoma, en arbeidsongeschikt is geraakt. Wel krijgt hij thuiszorg en bijstand van zijn vrouw, die werkt. Naar aanleiding van zijn medische problematiek heeft hij ook psychologische klachten ontwikkeld. Verder wordt de verdachte – zo blijkt uit het advies van een medisch adviseur van de DJI d.d. 5 maart 2026 – detentiegechikt geacht op voorwaarde van initiële plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ).
5.2.4
Straf
Uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) blijkt dat
‘de eventueel in de eerste vervolging voor het begaan van het concrete delict opgelegde straffen een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kunnen vormen bij een latere vervolging en veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie’. Het hof ziet ook in de onderhavige zaak aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte eerder is bestraft wegens zijn strafbare betrokkenheid bij de drugslabs in Zaandam (Hammond I) en Montfoort (26Bluffton), en verdachtes deelneming aan een criminele organisatie in overwegende mate – hoewel niet uitsluitend – berust op zijn betrokkenheid bij die drugslabs. In die eerdere bestraffingen ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Het hof ziet daarbij in het geval van de verdachte, gelet op zijn leeftijd, medische situatie en veroordelingen in Hammond I en 26Bluffton, geen aanleiding om naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf ook een geldboete aan de verdachte op te leggen.
Met het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Anders door de verdediging bepleit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld (mede bezien tegen de achtergrond van zijn relevante recidive) daarvoor te ernstig en zijn rol daarin te bepalend. Ook de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, maken niet dat het hof dat een passende afdoening acht.
5.3
Redelijke termijn
5.3.1
Duur van de redelijke termijn in hoger beroep
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak een redelijke termijn moet worden gehanteerd die langer is dan de gebruikelijke redelijke termijn, wegens de complexiteit van het onderzoek, zodanig dat geen sprake is van een
overschrijdingvan de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.
Het hof overweegt als volgt.
Hoewel het klopt dat een redelijke termijn van – in de onderhavige zaak – 24 maanden slechts een uitgangspunt vormt waarvan kan worden afgeweken (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.13.1) acht het hof geen omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven.
De onderhavige zaak en de zaken tegen de medeverdachten zijn misschien niet eenvoudig en compact van aard, maar gelet op het beperkte aantal feitencomplexen en medeverdachten niet zodanig dat deze een langere redelijke termijn rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg nu juist dat het (alomvattende) Hammond nu juist in verschillende delen is opgesplitst om de individuele onderzoeken (Hammond I, II (en 26Bluffton) en III) behapbaar te houden.
Ook de invloed van de verdediging op het procesverloop maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak zijn immers geen onderzoekswensen ingediend.
Het hof merkt daarbij op dat de eerste regiezitting in hoger beroep pas in augustus 2024 heeft plaatsgevonden en aldus ongeveer 1,5 jaar na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en de verdediging. Dat heeft ten dele te maken met de agenda’s van het hof en de verdediging maar mag niet voor rekening van de verdachte komen.
Concluderend gaat het hof dan ook uit van een redelijke termijn van 24 maanden voor de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.
5.3.2
Overschrijding van de redelijke termijn
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 11 januari 2022 met de uitreiking van de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon, en geëindigd op 8 februari 2023 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 22 februari 2023 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en eindigt heden, 25 juni 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 24 maanden is daarmee in hoger beroep overschreden met ongeveer 16 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Gelet op de aard en duur van de op te leggen straf zal het hof echter volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.PD verdachte [medeverdachte] , p. 187 e.v. proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 september 2021 om 11.22 uur.
2.ZD2, p. 876 t/m 888 proces-verbaal identificatie gebruiker EncroChatnaam [accountnaam 2] , op ambtseed opgemaakt en ondertekend d.d. 11 februari 2021.
3.ZD2, p. 1240 e.v..
4.ZD2, p. 1244.
5.ZD5, p. 224 proces-verbaal van bevindingen sky groepschat Montfoort proces-verbaalnummer 26-Hammond-02747.