Uitspraak
1.Hoger beroep
2.Onderzoek van de zaak
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging
ne bis in idem-beginsel dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de verdediging.
3.3.2
- het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;
- het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;
- het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 11 maart 2020 in Zaandam .
- het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 28 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 in Montfoort ;
- het (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B/D dan wel C, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 6 augustus 2020 in Montfoort .
- de periode van 12 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en
- de periode van 7 augustus 2020 tot en met 16 februari 2021.
ne bis in idem-beginsel.
ne bis in idem-beginsel – ook nog kan worden opgemerkt dat het bestaan van een criminele organisatie, die immers bestaat uit de onderlinge verbanden daarbinnen, niet zelden pas op een later moment in het onderzoek in volle omvang duidelijk wordt. Ook in zoverre is – anders dan in het door de raadsvrouw aangehaalde voorbeeld waarin éérst wordt vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en pas daarna voor concrete delicten door die organisatie gepleegd – op voorhand niet onbegrijpelijk dat de verdachte pas later is vervolgd voor zijn deelneming aan deze criminele organisatie, terwijl hij eerder al werd vervolgd wegens concrete delicten waaraan (ook) betekenis toekomt in het kader van de onderhavige verdenking.
ne bis in idem-beginsel noch wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde) om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Vonnis waarvan beroep
5.Op te leggen straf
‘de eventueel in de eerste vervolging voor het begaan van het concrete delict opgelegde straffen een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kunnen vormen bij een latere vervolging en veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie’. Het hof ziet ook in de onderhavige zaak aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte eerder is bestraft wegens zijn strafbare betrokkenheid bij de drugslabs in Zaandam (Hammond I) en Montfoort (26Bluffton), en verdachtes deelneming aan een criminele organisatie in overwegende mate – hoewel niet uitsluitend – berust op zijn betrokkenheid bij die drugslabs. In die eerdere bestraffingen ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
overschrijdingvan de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden;
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;