ECLI:NL:GHSHE:2026:1908

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
200.351.212_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontruiming na opzegging huurovereenkomst en processuele ondeelbaarheid

In deze civiele zaak staat de ontruiming van een bedrijfsruimte na opzegging van de huurovereenkomst centraal. De huurovereenkomst was oorspronkelijk gesloten tussen de rechtsvoorganger van de verhuurder en twee huurders, waaronder een medegedaagde die in eerste aanleg verstek liet gaan. Appellanten, bestaande uit een vennootschap en haar vennoten, voerden contractsoverneming aan, wat door de rechtbank werd afgewezen. De kantonrechter stelde de einddatum van de huurovereenkomst vast en veroordeelde de oorspronkelijke huurders tot ontruiming.

Appellanten gingen in hoger beroep, maar riepen niet alle oorspronkelijke gedaagden op. De verhuurder stelde dat de hoofdelijk uitgesproken veroordeling tot ontruiming een processueel ondeelbare rechtsverhouding vormt, waardoor het ontbreken van een partij in het hoger beroep tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Het hof bevestigde dit en gaf appellanten de mogelijkheid om de niet-opgeroepen medegedaagde alsnog op te roepen, conform vaste jurisprudentie.

Het hof overwoog verder dat appellanten belang hebben bij het hoger beroep, ondanks dat hun voorwaardelijke vorderingen in eerste aanleg waren afgewezen, omdat de beslissing nadelig is voor hun rechtspositie. De verdere procedure is aangehouden totdat appellanten de medegedaagde hebben opgeroepen, waarna het hof zal beslissen over de voortgang.

Uitkomst: Het hof houdt de procedure aan en geeft appellanten de gelegenheid om de niet-opgeroepen medegedaagde alsnog op te roepen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.351.212/01
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van

1.[persoon A] , tevens vennoot van appellante sub 2,wonende te [woonplaats] ,

2.
Restaurant [xx] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[persoon B], tevens vennoot van appellante sub 2,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,
tegen
[YY] Vastgoed B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 januari 2025, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] en [persoon C] als gedaagden en [YY] als eiseres.
Het hof zal partijen hierna aanduiden als [persoon A] , [xx] en [persoon B] (voor zover elk afzonderlijk bedoeld, of (gezamenlijk) [appellanten] enerzijds en [YY] anderzijds.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10935120 \ CV EXPL 24-841)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 10 februari 2025;
  • het tussenarrest van 8 april 2025, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
  • het proces verbaal van de mondeling behandeling van 8 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de berichten van partijen dat geen minnelijke regeling is bereikt;
  • de memorie van grieven van [appellanten] ;
  • de memorie van antwoord;
  • het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 en de daarin genoemde stukken.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De ontvankelijkheid in hoger beroep

3.1.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van [appellanten] in dit hoger beroep, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.2.
[xx] (met [persoon A] en [persoon B] als vennoten) exploiteert een restaurant in een bedrijfsruimte in [vestigingsplaats] die (nu) eigendom is van [YY] (hierna: het gehuurde).
3.3.
De rechtsvoorganger van [YY] heeft voor het gehuurde een huurovereenkomst gesloten met [persoon A] en [persoon C] (hierna: [persoon C] ) als huurders. Volgens [appellanten] zijn inmiddels [xx] , [persoon A] en [persoon B] – op grond van contractsoverneming – huurders geworden van het gehuurde.
3.4.
[YY] heeft – op grond van dringend eigen gebruik – de huurovereenkomst aan [persoon A] en [persoon C] opgezegd tegen 1 september 2024. [YY] heeft later – voor zover de huurovereenkomst door [appellanten] zou zijn overgenomen – ook die huurovereenkomst opgezegd, ditmaal tegen 1 september 2025.
3.5.
[YY] heeft vervolgens [appellanten] en [persoon C] gedagvaard en zakelijk weergegeven gevorderd:
3.5.1. (
onvoorwaardelijk) om de datum en het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst van [YY] met [persoon A] en [persoon C] zal eindigen en;
3.5.2.
om [persoon A] en [persoon C] hoofdelijk te voordelen om het gehuurde op de vastgestelde datum waarop de huurovereenkomst zal eindigen, met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [YY] te stellen;
3.5.3.
en (voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat [xx] als huurster moet worden aangemerkt) om de datum en het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst van [YY] met [appellanten] zal eindigen en;
3.5.4.
om [appellanten] hoofdelijk te voordelen om het gehuurde op de vastgestelde datum waarop de huurovereenkomst zal eindigen, met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [YY] te stellen.
3.6.
[persoon C] is in eerste aanleg niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3.7.
Bij vonnis van 8 januari 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van contractsoverneming, zodat [persoon A] en [persoon C] (nog steeds) de huurders van het gehuurde zijn. Op die grond heeft de kantonrechter de vorderingen tegen van [xx] en [persoon B] afgewezen (r.o. 4.3. en onder 5.1.). De kantonrechter heeft de datum waarop de huurovereenkomst tussen [YY] , [persoon A] en [persoon C] eindigt vastgesteld op 1 maart 2025 (onder 5.3.) en heeft [persoon A] en [persoon C] hoofdelijk veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 1 maart 2025, kort gezegd, te ontruimen (onder 5.4.).
3.8.
[appellanten] hebben van dat vonnis hoger beroep ingesteld. Zij hebben alleen [YY] gedagvaard in hoger beroep. [persoon C] is in deze procedure niet opgeroepen.
Processueel ondeelbare rechtsverhouding
3.9.
In de akte die op de mondelinge behandeling na aanbrengen op 8 mei 2025 is genomen, en in haar memorie van antwoord, voert [YY] aan dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat [appellanten] ten onrechte [persoon C] niet hebben opgeroepen.
Omdat [appellanten] daarvoor inmiddels, door het tijdsverloop ruim de mogelijkheid hebben gehad en daar door het Hof (bij brief van 17 juni 2026, zie 3.13 hierna) ook al uitdrukkelijk toe in de gelegenheid zijn gesteld, moeten [appellanten] niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep, aldus [YY] .
3.10.
[appellanten] voeren aan dat [persoon C] al heeft laten weten niet te zullen verschijnen en materieel geen belang heeft bij de uitkomst van deze procedure, zodat het nutteloos zou zijn haar op te roepen maar dat [appellanten] in ieder geval de gelegenheid moeten krijgen om [persoon C] alsnog op te roepen.
3.11.
Het hof overweegt als volgt. De kantonrechter heeft [persoon A] en [persoon C] (die in eerste aanleg verstek heeft laten gaan) hoofdelijk veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 1 maart 2025 te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen en zaken en ontruimd te houden en het gehuurde onder afgifte van de sleutels te vrije beschikking van [YY] te stellen. Het is rechtens noodzakelijk dat tegen deze beide (oorspronkelijke) gedaagden hoofdelijk gevorderde en uitgesproken veroordeling tot ontruiming, “
met alle zich daarin bevindende personen en zaken” en de veroordeling om het gehuurde ter vrije beschikking stellen aan [YY] , voor beide gedaagden gelijk luiden. Immers als het hof in het hoger beroep zou vaststellen dat de huurovereenkomst met [persoon A] niet eindigt, kan [persoon C] wel vertrekken uit het gehuurde, maar kan zij niet voldoen aan de jegens haar uitgesproken veroordeling het gehuurde ter vrije beschikking van [YY] te stellen: [persoon A] blijft in dat geval immers als huurder (al dan niet samen met [persoon B] als vennoot van [xx] ) achter in het gehuurde. Dat zou dus niet alleen tot tegenstrijdige beslissingen leiden, maar ook tot een voor [persoon C] onmogelijk uitvoerbare veroordeling. Daarom volgt hier uit de aard van die veroordeling dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
3.12.
Op grond van vaste jurisprudentie, moet dan de rechter appellant(en) gelegenheid geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv Pro binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). Als [appellanten] niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruikmaakt, zullen zij niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
3.13.
Het hof ziet geen aanleiding om de niet-ontvankelijkheid uit te spreken zonder die herstelmogelijkheid te bieden. De vraag of sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding beantwoordt het hof eerst in dit arrest. Dat – gelet op het tijdsverloop – [appellanten] feitelijk voldoende tijd hebben gehad om [persoon C] op te laten roepen, betekent niet dat [appellanten] het recht op een herstelmogelijkheid hebben verspeeld. Het bericht van 17 juni 2026 van het hof aan partijen waarop [YY] zich beroept, hield – voor zover hier relevant – in:

Mr. Heynen heeft aangevoerd dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zodat ook de medegedaagde [persoon C] opgeroepen zou moeten worden. Gaarne verneem ik van mr. Daniëls of [persoon C] reeds opgeroepen is. Mocht dat niet het geval zijn, zal dit punt op de mondelinge behandeling op 1 juli 2026 met partijen besproken worden. Mocht u hierin al bij voorbaat aanleiding zien om te verzoeken om de mondelinge behandeling aan te houden, verneem ik dat graag zo spoedig mogelijk.
Het hof heeft partijen dus de vraag gesteld óf [appellanten] over waren gegaan tot het oproepen van [persoon C] . Zeker gezien de aankondiging van het Hof dat, indien dat niet het geval was, het punt van de gestelde processueel ondeelbare rechtsverhouding en de daarmee samenhangende mogelijkheid dat [persoon C] in de procedure moet worden opgeroepen uitdrukkelijk onderwerp van het debat zou zijn, hebben [appellanten] deze brief niet hoeven opvatten als een door het hof geboden laatste kans om alsnog tot oproeping over te gaan, zoals hiervoor onder 3.12 bedoeld. Het hof zal daarom [appellanten] in de gelegenheid stellen om [persoon C] op grond van art. 118 Rv Pro tijdig op te roepen tegen de roldatum van 1 september 2026. Deze procedure zal naar die rolzitting worden verwezen, voor het overleggen van het oproepingsexploot.
Belang [appellanten] bij hoger beroep
3.14.
[YY] voert ook aan dat de voorwaardelijke vordering tegen [appellanten] is afgewezen. Daaruit volgt – volgens [YY] – dat [xx] en [persoon B] en in het verlengde daarvan ook [persoon A] geen belang hebben bij het hoger beroep, zodat [appellanten] ook om die reden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. [appellanten] voeren aan dat zij wel belang hebben bij het hoger beroep.
3.15.
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de rechtsverhouding van [persoon C] tot [YY] : de huurovereenkomst die de rechtsvoorganger van [YY] gesloten heeft met [persoon A] en [persoon C] , overgegaan is op [appellanten] De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake geweest is van contractsoverneming door [appellanten] Op die grond zijn de voorwaardelijke vorderingen tegen [appellanten] afgewezen. De vorderingen van [YY] tegen [persoon A] en [persoon C] zijn toegewezen.
3.16.
De Hoge Raad heeft ten aanzien van het belang van een verweerder bij hoger beroep indien de jegens hem ingestelde vorderingen zijn afgewezen als volgt beslist: “
Indien een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.” (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683) Die situatie doet zich hier onmiskenbaar voor, omdat de afwijzing van de vordering gebaseerd is op de beslissing dat de rechtsverhouding tot [YY] niet overgenomen is door [appellanten] Dat is een voor hen nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, omdat [xx] en [persoon B] zich daardoor tegenover [YY] niet op enig recht als huurders kunnen beroepen. [appellanten] hebben zodoende belang bij het hoger beroep.
Verder verloop van de procedure
3.17.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan, totdat [appellanten] de gelegenheid hebben gehad om [persoon C] op te roepen. Het hof zal op de rol van twee weken later beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

4.De uitspraak

Het hof:
4.1.
biedt [appellanten] de gelegenheid om [persoon C] op te roepen voor de rolzitting van
dinsdag 1 september 2026, waarbij het oproepingsexploot niet later dan 18 augustus 2026 dient te worden betekend;
4.2.
bepaalt dat [appellanten] op de rolzitting van 1 september 2026 het aan [persoon C] betekende oproepingsexploot in het geding zullen brengen;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en J. Verstoep en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2026.
griffier rolraadsheer