Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[persoon A] , tevens vennoot van appellante sub 2,wonende te [woonplaats] ,
Restaurant [xx] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[persoon B], tevens vennoot van appellante sub 2,
wonende te [woonplaats] ,
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10935120 \ CV EXPL 24-841)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 10 februari 2025;
- het tussenarrest van 8 april 2025, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
- het proces verbaal van de mondeling behandeling van 8 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de berichten van partijen dat geen minnelijke regeling is bereikt;
- de memorie van grieven van [appellanten] ;
- de memorie van antwoord;
- het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 en de daarin genoemde stukken.
3.De ontvankelijkheid in hoger beroep
met alle zich daarin bevindende personen en zaken” en de veroordeling om het gehuurde ter vrije beschikking stellen aan [YY] , voor beide gedaagden gelijk luiden. Immers als het hof in het hoger beroep zou vaststellen dat de huurovereenkomst met [persoon A] niet eindigt, kan [persoon C] wel vertrekken uit het gehuurde, maar kan zij niet voldoen aan de jegens haar uitgesproken veroordeling het gehuurde ter vrije beschikking van [YY] te stellen: [persoon A] blijft in dat geval immers als huurder (al dan niet samen met [persoon B] als vennoot van [xx] ) achter in het gehuurde. Dat zou dus niet alleen tot tegenstrijdige beslissingen leiden, maar ook tot een voor [persoon C] onmogelijk uitvoerbare veroordeling. Daarom volgt hier uit de aard van die veroordeling dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Mr. Heynen heeft aangevoerd dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zodat ook de medegedaagde [persoon C] opgeroepen zou moeten worden. Gaarne verneem ik van mr. Daniëls of [persoon C] reeds opgeroepen is. Mocht dat niet het geval zijn, zal dit punt op de mondelinge behandeling op 1 juli 2026 met partijen besproken worden. Mocht u hierin al bij voorbaat aanleiding zien om te verzoeken om de mondelinge behandeling aan te houden, verneem ik dat graag zo spoedig mogelijk.”
Indien een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.” (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683) Die situatie doet zich hier onmiskenbaar voor, omdat de afwijzing van de vordering gebaseerd is op de beslissing dat de rechtsverhouding tot [YY] niet overgenomen is door [appellanten] Dat is een voor hen nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, omdat [xx] en [persoon B] zich daardoor tegenover [YY] niet op enig recht als huurders kunnen beroepen. [appellanten] hebben zodoende belang bij het hoger beroep.
4.De uitspraak
dinsdag 1 september 2026, waarbij het oproepingsexploot niet later dan 18 augustus 2026 dient te worden betekend;