ECLI:NL:GHSHE:2026:1930

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
20-000570-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep openlijke geweldpleging door jeugdige verdachte

In hoger beroep is het vonnis van de kinderrechter bevestigd dat de jeugdige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het hof vernietigde echter de opgelegde straf en legde een nieuwe straf op, bestaande uit een werkstraf van 30 uur met een subsidiaire jeugddetentie van 15 dagen.

De bewezenverklaring betreft een incident waarbij het slachtoffer werd geduwd, gestompt en geschopt nadat hij de verdachte en een medeverdachte aansprak op hun gedrag bij een bushokje. Het slachtoffer liep fysiek letsel op en zijn veiligheidsgevoel werd aangetast. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden, en adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming, waaronder diagnoses van ADHD en autisme.

Het hof overwoog dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep met ruim een maand was overschreden, maar dat dit geen strafvermindering rechtvaardigde vanwege de korte duur van de opgelegde werkstraf. De straf is passend geacht gezien het geringe aandeel van de verdachte en het tijdsverloop sinds het incident.

De wettelijke grondslagen voor de beslissing zijn artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door mr. J.J. Peters, mr. A.J.M. van Gink en mr. S.V. Pelsser op 21 juli 2026.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur subsidiair 15 dagen jeugddetentie wegens openlijke geweldpleging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000570-25
Uitspraak : 21 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-381599-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kinderrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte een werkstraf zal opleggen voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. De toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de kinderrechter zijn gegrond, zullen worden vervangen door de hierna opgenomen artikelen.
Het hof stelt voorts vast dat de kinderrechter in het vonnis waarvan beroep heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde niet heeft bekend en door de verdediging vrijspraak is bepleit. Bijgevolg zal het hof, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de kinderrechter opgesomde bewijsmiddelen, alsmede de in aanvulling daarop door het hof gebezigde bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij [slachtoffer] tegen de borst is geduwd, in het gezicht is gestompt en tegen de buik is geschopt. Dit geweld vond plaats nadat [slachtoffer] de verdachte en de medeverdachte had aangesproken omdat de verdachte in het bushokje plaste en de medeverdachte er een vuurtje had gemaakt dat hij weigerde uit te maken. In plaats van hun gedrag aan te passen of weg te gaan, gingen zij, de medeverdachte voorop, fysiek de confrontatie aan. Met het gebruik van geweld heeft de verdachte, samen met de medeverdachte, de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en gehandeld zonder zich te bekommeren om de gevolgen van hun gedrag. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die [slachtoffer] in eerste aanleg heeft overgelegd, volgt dat hij niet alleen fysiek letsel aan het incident heeft overgehouden, maar dat ook zijn veiligheidsgevoel op straat is aangetast. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte op 14 mei 2024 eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit, waarvoor de leerstraf Tools4U was opgelegd, die de verdachte kort voordat het bewezenverklaarde feit plaatsvond, had afgerond.
Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dit verband heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel tijdelijk in Nederland verblijft met zijn gezin en in augustus 2026 weer zal terugkeren naar [land] . De verdachte volgt op [eiland] een online opleiding tot [beroep] en wil hier in de toekomst zijn beroep van maken. Zijn stiefvader ondersteunt hem hierbij. De verdachte blijft in elk geval tot december 2026 met zijn gezin in [land] . Mogelijk zullen zij zich nadien vestigen in Europa, bijvoorbeeld in Spanje of Portugal.
Daarnaast zitten er nog adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 februari 2025 en 2 juni 2026 in het dossier. Uit laatstgenoemd rapport volgt dat bij de verdachte in het verleden ADHD en autisme is gediagnosticeerd, mede waardoor zijn schoolcarrière mogelijk moeizaam is verlopen. De zorgen die eerder rondom de verdachte werden geuit, waaronder zijn beïnvloedbaarheid en impulsiviteit, lijken inmiddels te zijn afgenomen. De Raad voor de Kinderbescherming acht, gelet op het voorgaande, een taakstraf in de vorm van een werkstraf in dit geval het meest passend.
Het hof heeft tot slot acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij openlijk geweld door jeugdigen wordt als vertrekpunt voor de op te leggen straf in beginsel uitgegaan van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Het hof zal echter in strafverminderende zin rekening houden met het geringe aandeel van de verdachte bij de bewezenverklaarde geweldshandelingen en het lange tijdsverloop sindsdien.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak tot slot nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij de behandeling in hoger beroep met ruim een maand is overschreden, nu namens de verdachte op 20 februari 2025 hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten op 21 juli 2026, einduitspraak doet. In gevallen als het onderhavige, waarin het jeugdstrafrecht is toegepast, behoort de zaak in beginsel binnen zestien maanden te zijn afgedaan.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Nu de op te leggen werkstraf echter minder beloopt dan honderd uren, wordt daarop, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, geen vermindering toegepast. [1]
Het hof zal derhalve volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een werkstraf voor de duur van dertig uren subsidiair vijftien dagen jeugddetentie passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen jeugddetentie;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 21 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Pelsser en Burgmeijer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.