ECLI:NL:GHSHE:2026:1988

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
20-000620-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 63 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging en oplegging TBS met dwangverpleging na zware mishandeling en vernieling

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 23 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van zware mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en vernieling van ruiten. Het hof acht het bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en ruiten heeft vernield.

Desondanks oordeelt het hof dat de verdachte niet strafbaar is wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het delict. Diverse deskundigen stelden vast dat de verdachte leed aan een psychotische stoornis en autismespectrumstoornis, waardoor hij niet in staat was zijn gedrag te sturen. Daarom wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging, maar wordt wel de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging opgelegd.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof wijst een bedrag van € 3.149,74 toe, bestaande uit € 649,74 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met een gijzelingstermijn van maximaal 31 dagen bij niet-betaling.

De redelijke termijn voor de berechting in hoger beroep is met bijna 13 maanden overschreden, maar het hof verbindt hieraan geen gevolgen. De TBS-maatregel wordt wegens het hoge recidivegevaar en de ernst van de psychische stoornis van ongemaximeerde duur opgelegd met dwangverpleging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt TBS met dwangverpleging opgelegd; schadevergoeding aan slachtoffer toegewezen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000620-24
Uitspraak : 23 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 02-055313-23 en 01-099434-23, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, locatie Esserheem te Veenhuizen.
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder parketnummer 02-055313-23 primair en 01-099434-23 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de verdachte en zal veroordelen tot de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging van ongemaximeerde duur. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is gevorderd dat de materiële schade conform de beslissing van de rechtbank zal worden toegewezen en de immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft bepleit dat het hof:
- de verdachte zal vrijspreken van het onder parketnummer 02-055313-23 primair tenlastegelegde;
- hetgeen overigens ten laste is gelegd bewezen zal verklaren en dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging;
- geen TBS-maatregel zal opleggen, nu de deskundigen geen overeenstemming hebben bereikt over de precieze stoornis waaraan de verdachte zou leiden;
- de vordering van de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk zal verklaren,
en subsidiair is verzocht om, bij het opleggen van een maatregel, te beslissen conform de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-055313-23:
primairhij op of omstreeks 23 februari 2023 te Tilburg aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (grote) vleeswond op de rug en/of (een) (diepe) wond(en) in het hoofd en/of de hand(en) heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] voornoemd (met kracht) meerdere malen, althans eenmaal, te schoppen en/of te stompen en/of te slaan tegen het hoofd en/of de rug en/of de ribben en/of de handen, althans tegen het lichaam ((ook) terwijl die [slachtoffer 1] voornoemd op de grond lag) en/of waardoor die [slachtoffer 1] voornoemd door de tussenschotten bij de urinoirs is gegaan;
subsidiairhij op of omstreeks 23 februari 2023 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] voornoemd meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen tegen het hoofd en/of de ribben en/of de rug en/of de hand(en), althans tegen het lichaam (ook terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 23 februari 2023 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] voornoemd meerdere malen, althans eenmaal met kracht tegen het hoofd en/of de ribben en/of de rug en/of de hand(en), althans tegen het lichaam te schoppen en/of te stompen en/of te slaan (ook terwijl die [slachtoffer 1] voornoemd op de grond lag).
Zaak met parketnummer 01-099434-23 (gevoegd):
hij op of omstreeks 27 november 2022 te Oudheusden, gemeente Heusden opzettelijk en wederrechtelijk ruiten, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair en in de zaak met parketnummer 01-099434-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-055313-23:
primairhij op 23 februari 2023 te Tilburg aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote vleeswond op de rug en een wond in het hoofd en de hand heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] voornoemd met kracht te schoppen en/of te stompen en/of te slaan tegen het hoofd en de rug en de ribben en de hand (ook) terwijl die [slachtoffer 1] voornoemd op de grond lag en waardoor die [slachtoffer 1] voornoemd door de tussenschotten bij de urinoirs is gegaan;
Zaak met parketnummer 01-099434-23 (gevoegd):
hij op 27 november 2022 te Oudheusden, gemeente Heusden opzettelijk en wederrechtelijk ruiten, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft vernield.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Door de verdediging is bepleit dat de verdachte van het primair tenlastegelegde, te weten zware mishandeling, zal worden vrijgesproken, aangezien er geen sprake is zwaar lichamelijk letsel. De arts heeft immers ten aanzien van de verwondingen gezegd dat deze binnen enkele dagen zouden zijn genezen. Dit past bij een poging tot zware mishandeling zoals de rechtbank bewezen heeft verklaard, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd.
Buiten de niet-limitatieve gevallen van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ indachtig de wetsgeschiedenis te worden ingevuld naar algemeen spraakgebruik. In zijn overzichtsarrest over zwaar lichamelijk letsel heeft de Hoge Raad overwogen dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (al dan niet in combinatie met elkaar) hebben te gelden (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, ro. 2.4, waarin verwezen wordt naar onder meer HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510). Met betrekking tot botfracturen overwoog de Hoge Raad dat in de regel sprake is van zwaar lichamelijk letsel indien sprake is van operatief ingrijpen waarbij onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen meeweegt (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, ro. 2.6). Daarnaast betreft het uitzicht op herstel een (mogelijk) gezichtspunt in de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, ro. 2.7). In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
In de onderhavige zaak heeft de verdachte blijkens de bewijsmiddelen uit het niets het slachtoffer met kracht geslagen, geschopt en gestompt tegen het hoofd, de rug, de ribben en de hand en zelfs toen het slachtoffer op de grond lag is de verdachte doorgegaan. De verdachte heeft het slachtoffer hierdoor opzettelijk diverse verwondingen toegebracht die gehecht moesten worden, zijnde een grote vleeswond op de rug, een verwonding in het gezicht en op de hand. In het dossier zijn foto’s van het letsel van het slachtoffer opgenomen en ook in het voegingsformulier wordt beschreven wat het letsel van het slachtoffer is, waarbij er melding van wordt gemaakt dat het slachtoffer veel last had van hoofdpijn, dat zijn hand gevoelig blijft bij aanraking en de wond op zijn rug ontstoken was. De littekens op zijn rug, hand en in het gezicht zijn 3 maanden na het incident nog altijd zichtbaar en daarmee blijvend van aard.
Gelet op de aard van het letsel, het feit dat medisch ingrijpen noodzakelijk was waarbij meerdere hechtingen moesten worden aangebracht en mede gelet op de omstandigheid dat het letsel op het voorhoofd van het slachtoffer een dagelijkse herinnering is aan hetgeen hem is overkomen en dit litteken tevens als ontsierend van zijn gelaat dient te worden aangemerkt, is het door de verdachte veroorzaakte letsel naar het oordeel van het hof aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Anders dan de rechtbank, komt het hof daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 01-099434-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Zowel de advocaat-generaal als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is onderzocht door diverse deskundigen.
Enkele maanden na het incident met aangever [slachtoffer 1] is de verdachte onderzocht door E.I.J. Peeters , psycholoog die op 18 juli 2023 haar rapport heeft uitgebracht. Door H.L.C Morre (psychiater) en D. Verwijmeren (psychiater in opleiding) is vervolgens gerapporteerd op 20 oktober 2023. Het hof merkt daarbij op dat het tijdverschil van enkele maanden tussen de rapporten te verklaren is omdat in eerste instantie alleen de opdracht was verstrekt voor een enkelvoudige rapportage. Omdat de psycholoog en psychiater het niet met elkaar eens waren over de oorzaak van het psychotisch gedrag en over de toerekening van de feiten aan de verdachte, zijn de psycholoog Peeters en de psychiater Morre op de terechtzitting in eerste aanleg op 5 februari 2024 gehoord. Uit de op voornoemde zitting gegeven toelichting blijkt dat weliswaar de classificaties op punten verschillen maar dat de bevindingen dicht bij elkaar liggen. Waar Morre in zijn rapport een autismespectrumstoornis vaststelt, verklaart Peeters dat zij waarschijnlijk ook tot de diagnose van een autismespectrumstoornis komt, maar dat zij dat niet heeft kunnen vaststellen en daarom voorzichtigheidshalve alleen een waarschijnlijkheidsdiagnose heeft gedaan. Morre verklaart dat de autismespectrumstoornis gepaard kan gaan met schizofrenie maar dat dat moeilijk uit elkaar te halen is. Peeters verklaart dat de episodes bij de betrokkene terugkerend zijn. Zij denkt dat bij hem de autismespectrumstoornis en schizofrenie naast elkaar bestaan. Zij heeft - anders dan Morre - de betrokkene gezien toen hij nog echt psychotisch was en daarom is zij tot de diagnose schizofrenie gekomen. Beide deskundigen komen tot een stoornis in het gebruik van cannabis, waarbij Peeters dat als ‘matig’ kwalificeert en Morre spreekt van een psychotische stoornis door cannabis en deze als ernstig aanmerkt.
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de psychiater Morre , anders dan de psycholoog Peeters , met toestemming van de betrokkene toegang had tot informatie van de GGZ Breburg en de PPC Vught.
Psycholoog Peeters komt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid omdat de betrokkene ten tijde van het plegen van de feiten psychotisch was en in het geheel geen controle over zijn gedachten en gedrag had. Psychiater Morre verklaart dat hij dacht dat de betrokkene toen zeer wel in staat was om keuzes te maken, bijvoorbeeld om geen medicatie te gebruiken en wel cannabis, terwijl de verdachte weet welke gevolgen dat heeft.
Beide deskundigen adviseren een TBS met voorwaarden.
Na het wijzen van het vonnis door de rechtbank is de verdachte vervolgens in 2025 onderzocht door twee andere gedragsdeskundigen. J.L.M. Dinjens (psychiater) heeft op 19 mei 2025 gerapporteerd en drs. T. ’t Hoen (gezondheidspsycholoog) op 20 juni 2025. Een actualisatie van hun rapporten is uitgebracht in 2026. Tussentijds heeft W.J. Canton (psychiater) op 27 oktober 2025 een TBS verlengingsadvies uitgebracht waarbij hij heeft geadviseerd de opgelegde TBS met voorwaarden met 2 jaren te verlengen.
In de respectieve rapporten is rekening gehouden met de eerder uitgebrachte rapporten en voorzover nodig is daarop gereflecteerd.
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof de conclusies van deskundigen drs. T. ‘t Hoen (gezondheidszorgpsycholoog) en van J.L.M. Dinjens (psychiater) betrokken zoals neergelegd in hun Pro Justitie-rapporten van respectievelijk 22 en 12 mei 2026. Dit betreffen - zoals gezegd - aanvullende rapporten ter actualisatie van de door hen eerder uitgebrachte Pro Justitie-rapporten van 20 juni 2025 respectievelijk 19 mei 2025.
In het hiervoor genoemde psychologisch onderzoek is geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een psychotische stoornis te weten een stoornis in het ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een autismespectrumstoornis (ASS) en stoornissen in het gebruik van cannabis en alcohol, matig van ernst. Uit het rapport blijkt dat in de periode waarin de hem tenlastegelegde feiten plaatsvonden sprake was van een sociaal-maatschappelijke teloorgang en dat de verdachte kort voor de tenlastegelegde mishandeling verward en bizar gedrag vertoonde. Het is, aldus de psycholoog, zeer aannemelijk dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten psychotisch was en dat de verdachte dermate door zijn psychotisch toestandsbeeld in beslag genomen en gedreven werd, dat hij niet in staat was op een andere, meer gezonde wijze zijn gedrag bij te sturen en in vrije wil andere keuzes te maken. In geval van een bewezenverklaring geldt dan ook dat het psychotische toestandsbeeld van de verdachte diens denken, voelen en handelen ten tijde van het tenlastegelegde volledig heeft bepaald. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde niet aan de verdachte toe te rekenen. In het aanvullend rapport van 22 mei 2026 zijn er ten aanzien van de diagnostiek en de toerekenbaarheid van het tenlastegelegde geen wijzigingen.
Ook in het hiervoor genoemde psychiatrisch onderzoek is geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis en een stoornis in cannabisgebruik (ernstig) en dat de verdachte in aanloop en ten tijde van het tenlastegelegde ernstig verward was. Er was in toenemende mate sprake van een ernstig gestoorde realiteitstoetsing, paranoïde angsten, gestoorde emotieregulatie en gedesorganiseerd en bizar gedrag, waardoor zijn coping vaardigheden ontoereikend waren en hij niet meer in staat was zijn gedrag te sturen. Op basis van het beschreven floride psychotisch toestandsbeeld, waardoor de verdachte niet meer in staat was tot gedragsalternatieven en in zijn denken, voelen en handelen, volledig in beslag werd genomen door de aanwezige psychose wordt geadviseerd om het tenlastegelegde de verdachte niet toe te rekenen. In het aanvullend rapport van 12 mei 2026 zijn er ten aanzien van de diagnostiek van de verdachte geen wijzigingen en ook ten aanzien van de psychopathologie ten tijde van het tenlastegelegde zijn er naar de mening van de onderzoeker geen nieuwe inzichten.
In het Pro Justitia rapport van W.J. Canton , psychiater, d.d. 27 oktober 2025 is geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken, lichte ASS-problematiek, een geschiedenis van fors cannabisgebruik en van psychosegevoeligheid. Op de vraag of de deskundige discrepanties ziet tussen zijn diagnostische conclusies en de laatst gestelde diagnostische conclusies binnen het beloop van de maatregel terbeschikkingstelling, is het antwoord dat in de diagnostische beschrijvingen van eerdere rapportages op hoofdlijnen dezelfde zaken worden benoemd, maar dat deze anders worden gewogen. De kliniek ziet de ASS-problematiek en de rapporteurs in hoger beroep zien de schizofrenieforme stoornis als primair probleem. De
kliniek en de rapporteurs beschrijven wel de kwetsbare onderliggende persoonlijkheid, maar
komen niet tot een aparte classificatie van deze persoonlijkheidsproblematiek.
Psychiater Canton heeft ter terechtzitting in hoger beroep nader het verschil tussen diagnose en classificatie geduid. Hij heeft hierbij aangegeven dat de diagnose als een film en de classificatie als een foto kan worden beschouwd. Als deskundige heb je de hele film nodig om ergens een stempel op te zetten. Als alleen wordt uitgegaan van de classificatie als conclusie, geeft dat een te beperkt beeld.
Het hof overweegt dat uit de voornoemde rapporten volgt dat de betrokken gedragsdeskundigen geen precieze overeenstemming hebben bereikt over de exacte classificatie van de psychische stoornis(sen) waaraan de verdachte leidt maar zij komen wel – net als in alle andere rapporten - tot de conclusie dat er sprake is van een stoornis in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof neemt deze conclusie over.
Het hof neemt de overwegingen en de conclusies ten aanzien van de toerekenbaarheid van de feiten uit voornoemde rapporten over, maakt deze tot de zijne en is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet aan de verdachte zijn toe te rekenen.
De verdachte is derhalve niet strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten en zal van alle rechtsvervolging worden ontslagen.
Op te leggen maatregel
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat nu onvoldoende in kaart is gebracht wat er aan de hand is met de verdachte niet kan worden toegekomen aan de maatregel van TBS met dwangverpleging, dan wel met voorwaarden. De deskundigen spreken elkaar tegen en ook de heer Canton heeft geen duidelijkheid gegeven.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.
Uit het wettelijk systeem dat geldt bij het opleggen van de TBS-maatregel volgt dat dient te worden nagegaan in hoeverre het gevaar met andere, minder ingrijpende sancties kan worden beteugeld. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij de op te leggen maatregel gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door in de toiletruimte van een openbare bibliotheek uit het niets het slachtoffer te slaan, schoppen en stompen, zelfs toen het slachtoffer reeds op de grond lag. Door het handelen van de verdachte heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. De ervaring leert dat slachtoffers van een delict als het onderhavige met ernstige gevolgen nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Het slachtoffer wordt ook nog dagelijks geconfronteerd met de lichamelijke gevolgen. Weliswaar kan het bewezenverklaarde niet aan de verdachte worden toegerekend, doch het slachtoffer en de maatschappij dienen naar het oordeel van het hof wel tegen de verdachte te worden beschermd.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het thans bewezenverklaarde feit onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, te weten mishandeling.
Rapportages en verklaringen deskundigen
Het hof heeft kennis genomen van verschillende de verdachte betreffende rapportages en adviezen, waaronder:
De Pro Justitia rapportage opgesteld op 19 mei 2025 door J.L.M. Dinjens , psychiater, en op 20 juni 2025 door drs. T. ’t Hoen , gezondheidszorgpsycholoog (hierna: de deskundigen).
De Pro Justitia rapportage eveneens opgesteld door J.L.M. Dinjens , psychiater, op 12 mei 2026 en door drs. T. ’t Hoen , gezondheidszorgpsycholoog, op 22 mei 2026.
Het reclasseringsadvies TBS met voorwaarden, opgemaakt door mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, d.d. 9 juni 2026.
Deskundige Dinjens adviseert in de rapportage van 2025 primair tot het voortzetten van de behandeling binnen het kader van TBS met voorwaarden, maar plaatst hierbij wel een aantal kritische kanttekeningen. “
De hoeksteen van deze behandeling zou gelegen dienen te zijn in het adequaat en voldoende gedoseerd instellen van anti psychotische medicatie, waarbij gezien het afwezige probleeminzicht, zorg mijdend gedrag en problemen rondom compliance nadrukkelijk wordt geadviseerd dit toe te dienen in depotvorm. Hierbij geeft onderzoeker (aan de kliniek) ter overweging om naast de lopende strafrechtelijke titel, een zorgmachtiging in te zetten en de medicatie ‘af te dwingen’ middels verplichte zorg. Zonder medicatie zal de verdere behandeling, vanwege betrokkenes voortdurende psychische instabiliteit, naar verwachting onvoldoende van de grond komen, met een herhaling van zetten, zoals agressie incidenten, ambivalenties, interne en externe overplaatsingen en uiteindelijke omzetting naar verpleging van overheidswege tot gevolg. Mocht betrokkene persisteren in zijn huidige houding, waarbij hij zich niet houdt aan voorwaarden en blijft recidiveren in incidenten en agressie, resteert weinig anders dan (alsnog) een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waarvan onderzoeker hoopt dat dit te voorkomen zal zijn."
Deskundige ’t Hoen is in de rapportage van 2025 van mening dat de huidige klinische behandeling van betrokkene nog langer voortgezet dient te worden.

Met wat vallen en opstaan lijkt hij langzaam beter op zijn plaats en komt er meer zicht op zijn pathologie. Medicamenteuze behandeling middels een antipsychoticum is wat onderzoeker betreft langdurig geïndiceerd. Er zal nog veel aandacht moeten zijn voor het uitbreiden van het ziektebesef en -inzicht. Daarnaast dient zijn emotieregulatie en coping te worden uitgebreid. Abstinent blijven van middelen is eveneens essentieel. Tegelijkertijd moet aandacht zijn voor het stapsgewijs weer opbouwen van zijn leven na de kliniek. Dit moet lopende de behandeling langzaam vorm worden gegeven en in de spreekwoordelijke steigers worden gezet. Na deze klinische behandeling zal naast een beschermde woonvorm ook langdurige ambulante nazorg aanwezig zijn om op die manier de resocialisatie stapsgewijs en in behapbare stappen vorm te kunnen geven.
Gezien het advies om betrokkene de hem ten laste gelegde feiten niet toe te rekenen, in
combinatie met het als hoog ingeschatte recidiverisico bij onvoldoende lang voortzetten
van de huidige behandeling, acht onderzoeker een TBS-maatregel aangewezen. Onderzoeker adviseert om betrokkene (opnieuw) een TBS met voorwaarden op te leggen; hij heeft laten zien zich inmiddels voldoende aan de voorwaarden te kunnen houden. Deze spreekwoordelijke stok achter de deur zal nog wel langer moeten blijven om de voorzichtig
stijgende lijn voort te kunnen zetten.
Daarnaast geeft onderzoeker in overweging om tevens een zorgmachtiging op te leggen
vanwege de noodzaak tot het goed instellen en ingesteld houden op medicatie."
In de fase voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep is aanvullend een dubbelrapport opgesteld door dezelfde deskundigen naar aanleiding van een opdracht van het hof om een schriftelijke reactie te geven naar aanleiding van de voortgangsverslagen van de reclassering, het reclasseringsadvies d.d. 23 oktober 2025 en het Pro Jusitia Rapport dat is opgesteld door W.J. Canton (psychiater) d.d. 27 oktober 2025 (vide hierboven de onder 2 genoemde Pro Justitia rapportage).
In deze aanvullende dubbelrapportage achten de deskundigen Dinjens en ’t Hoen het kader van de TBS met voorwaarden niet langer haalbaar en adviseren zij om aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.
Deskundige Dinjens stelt in genoemd rapport:
“Er worden door de reclassering geen mogelijkheden meer gezien tot voortzetting van het kader van TBS met voorwaarden. Onderzoeker is het, op basis van alle ontwikkelingen, het niet van de grond komen van behandeling en de aaneenrijging van incidenten, hiermee eens.
Van de eerder geschetste situatie is feitelijk sprake, (medicamenteuze) behandeling en bewerking van het risico is niet tot stand gekomen. Het huidige kader biedt onvoldoende garanties op de kortere, als ook op de middellange en langere termijn om het recidiverisico adequaat en bestendig te beteugelen. Betrokkene is bij herhaling niet in staat gebleken zich te houden aan voorwaarden en blijft, gedreven vanuit psychopathologie, zijn eigen koers varen, met alle risico’s vandien. Zijn psychische stoornissen hebben, mede hierdoor, onvoldoende behandeld kunnen worden, waardoor de risico’s verder toenemen. Een langerdurende klinische behandeling in een strikt kader, met de mogelijkheid van gedwongen behandeling, wordt noodzakelijk geacht de psychopathologie en het recidiverisico voldoende te kunnen bewerken. Onderzoeker adviseert derhalve tot het opleggen van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.”
Deskundige ’t Hoen adviseert in genoemd rapport als volgt:
“Er is als gevolg van de ernstige, complexe en moeilijk te veranderen pathologie in com-
binatie met het hoge recidiverisico langdurige klinische behandeling noodzakelijk in een
forensische setting met een hoog beveiligingsniveau. Daarbij lijkt het niveau van een FPK
onvoldoende zwaarte te bieden. Onderzoeker is inmiddels niet meer zo optimistisch ten
aanzien van het welslagen van een TBS met voorwaarden. Hij heeft laten zien zich onvoldoende aan de voorwaarden te kunnen houden. De behandeling die hem tot op heden is geboden is geenszins van de grond gekomen en zit nu in een impasse. Zoals ook psychiater Canton aangeeft bestaat er weinig overeenstemming tussen betrokkene en zijn behandelaars over wat er met hem aan de hand is, over de risicofactoren en over wat er
behandeld moet worden. Door het gebrek aan deze overeenstemming en door de vele
incidenten is de behandeling vastgelopen.
Zoals psychiater Canton reeds aangaf, is het voortzetten van een behandeling in het kader
van een TBS met voorwaarden alleen mogelijk als er expliciete overeenstemming komt
tussen betrokkene en zijn behandelaars over het te volgen behandeltraject. Nu dit er niet
is en dit er ook niet lijkt te komen en zelfs in een FPK-setting het recidiverisico onvoldoende kan worden gecoupeerd en het komt tot ernstig fysiek agressief gedrag, resteert er wat onderzoeker betreft geen andere optie dan het opleggen van een TBS met bevel tot verpleging.”
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft psychiater Canton onder meer verklaard dat het wat de diagnostiek betreft gaat om het grote beeld en dat het complex is dat van alles met de verdachte aan de hand is. Bij de TBS met voorwaarden wordt uitgegaan van samenwerking tussen de verdachte en de behandelaars en de conclusie is dat dat niet is gelukt. Vorig jaar viel goed te praten met de verdachte en was er op sommige gebieden overeenstemming, maar uiteindelijk is er nog steeds geen overeenstemming. Canton is over het algemeen terughoudend met het adviseren tot een TBS met voorwaarden tenzij de voorwaarden duidelijk zijn omschreven omdat kostbare tijd verloren gaat wanneer het niet loopt en de maatregel moet worden omgezet naar dwangverpleging. Canton ziet echter momenteel weinig andere opties omdat de verdachte niet stabiel is op dit moment en hij niet ziet hoe men het eens kan worden over de voorwaarden.
In het reclasseringsadvies TBS met voorwaarden d.d. 9 juni 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] , wordt geconcludeerd dat de risico’s op recidive, letselschade en onttrekken aan voorwaarden als hoog worden ingeschat. Het verloop van de maatregel tot nu toe laat zien dat de verdachte zich niet houdt aan de voorwaarden en dat hij daarnaast aangeeft hier niet voor open te staan. Bovendien hebben binnen de uitvoering van de huidige maatregel diverse incidenten plaatsgevonden. De reclassering ondersteunt de visie dat de verdachte zorg behoeft en gelet op het verloop van de maatregel tot nu toe, de houding van de verdachte en het ontbreken van een passende kliniek waar behandeling kan worden geboden, wordt een TBS met voorwaarden gezien als technisch niet uitvoerbaar.
Nu het gevaar dat uitgaat van het gedrag van de verdachte als gevolg van zijn psychische stoornis gelet op het voorgaande niet met andere, minder ingrijpende sancties kan worden beteugeld, dient tot het opleggen van de TBS-maatregel te worden overgegaan.
Uit het dossier en met name het rapport van deskundigen Dinjens en ‘t Hoen , is het hof gebleken dat een TBS-maatregel met voorwaarden weinig kans van slagen heeft, in verband met een gebrek aan overeenstemming betreffende de behandelinhoud. De verdachte zal zich niet conformeren aan de voorwaarden. Een TBS-maatregel met voorwaarden acht het hof daarom niet opportuun, aangezien dit zonder meer tot een omzetting naar een onvoorwaardelijke TBS-maatregel zal leiden.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de inhoud van de rapportages van de deskundigen zoals hierboven weergegeven, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof – anders dan de rechtbank en de verdediging en met de advocaat-generaal – van oordeel dat het noodzakelijk is om aan de verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Gelet op de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en zijn diepgewortelde angst in verband met het toedienen van medicatie, hecht het hof eraan op te merken dat voor de verdachte binnen het kader van de TBS-maatregel met dwangverpleging, voldoende mogelijkheden bestaan om zich verder te kunnen ontwikkelen en stappen in de goede richting te maken.
Het hof stelt vast dat aan de wettelijke eisen zoals genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het kunnen opleggen van de maatregel TBS met dwangverpleging is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het door de verdachte begane feit betreft daarnaast een misdrijf dat is genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het bestaan van enig gevaar voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zoals genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, geldt het volgende.
Met betrekking tot het recidivegevaar rapporteert Dinjens d.d. 12 mei 2026 – voor zover hier relevant – als volgt:
Het recidiverisico wordt onbehandeld d.w.z. zonder adequate (medicamenteuze) behandeling ingeschat als zeer hoog. Het actuele risico binnen de huidige (detentie)situatie wordt ingeschat als hoog tot zeer hoog. Ten opzichte van de situatie van een jaar eerder is het risico verder opgelopen, in plaats van afgenomen. Het risico is onvoldoende bewerkt kunnen worden. Betrokkene blijft medicatie weigeren of stopt tegen advies. (..) Betrokkenes boosheid, onmacht, ervaren onrecht en (seksuele) frustraties zijn alleen maar verder toegenomen, waardoor de risico’s op agressieve impulsdoorbraken nog verder toenemen. Het betreft het risico op vergelijkbare gewelddadige agressieve-impulsieve delicten, zoals bij het indexdelict, als ook het recidief binnen de Woenselse Poort, maar er is onbehandeld ook een toenemend verhoogd risico op seksuele delicten, voortkomend uit betrokkenes seksuele frustraties en fixaties, waaraan hij nog ternauwernood weerstand kan bieden. Betrokkene heeft weliswaar geen voorgeschiedenis van zedendelicten, maar het klinische beeld en de steeds nadrukkelijkere rol van seksuele frustraties en gerichtheid naar vrouwelijk personeel, baart zorgen.
Met betrekking tot het recidivegevaar rapporteert ’t Hoen d.d. 22 mei 2026 – voor zover hier relevant – als volgt:
“Daar waar onderzoeker in het eerdere rapport nog benoemde dat de behandeling in de FPK wel effect leek te sorteren, moet nu worden vastgesteld dat er een behandelimpasse is ontstaan en dat zich meerdere gewelddadige incidenten binnen De Woenselse Poort hebben voorgedaan. Kortom, ook in een gestructureerde en beveiligde setting blijft het risico op recidive in gewelddadige gedrag hoog. De inschatting is dan ook nog steeds dat indien hij zonder passende hulp en kaders in de maatschappij terugkeert, het risico op ontregeling, psychiatrisch en sociaal-maatschappelijk, onverminderd groot is en daarmee het risico op recidive in vergelijkbaar delictgedrag. Er zijn nauwelijks beschermende factoren.”
In het reclasseringsadvies d.d. 26 juni 2026 wordt het risico op recidive eveneens ingeschat als hoog. Die inschatting wordt als volgt toegelicht:
“Zonder medicatie, behandeling en begeleiding wordt de kans op recidive als hoog ingeschat. Betrokkene kent op diverse leefgebieden problemen en er is sprake van reeds langere tijd bestaande psychiatrische problematiek waarbij eerdere behandelpogingen niet hebben geleid tot het voorkomen van recidive. Betrokkene heeft een beperkt ziektebesef en ziekte-inzicht. Als risicofactoren worden een mogelijke terugval in middelengebruik, gebrek aan huisvesting, gebrek aan structuur en ambivalentie ten aanzien van zowel middelengebruik in de toekomst als medicatiegebruik gezien. Zolang er geen overeenstemming is over behandeldoelen kan behandeling in het kader van een TBS voorwaarden geen kans van slagen hebben. Op dit moment bevindt betrokkene zich in een duidelijke en gestructureerde omgeving, desondanks komt betrokkene telkens weer in situaties waarin hij in conflict komt met zijn omgeving. Daarnaast was betrokkene gedurende zijn klinische behandeling niet medicatietrouw.”
Alles overziend is het hof van oordeel dat, nu het door de verdachte begane strafbare feit een misdrijf betreft als vermeld in artikel 37a, eerste lid onder 2° van het Wetboek van Strafrecht en er bij de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en/of goederen de oplegging eist van de TBS-maatregel aan de verdachte.
Voorts eist naar het oordeel van het hof de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en/of goederen de verpleging van de verdachte, zodat het hof zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
Ongemaximeerde duur van de TBS-maatregel met dwangverpleging
Gelet op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt het hof vast dat het onder parketnummer 02-055313-23 primair bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Redelijke termijn
Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 1 maart 2024 en het arrest op 23 juli 2026 is gewezen.
De redelijke termijn is derhalve met bijna 13 maanden overschreden. Het hof is van oordeel dat gelet op de op te leggen maatregel kan worden volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding en verbindt aldus aan deze overschrijding geen gevolgen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.299,51, bestaande uit € 799,51 materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering bestaat uit de volgende posten:
materiële schade
  • eigen risico zorgverzekering € 345,66
  • broek € 99,95
  • trui € 89,95
  • jas € 164,95
  • mobiele telefoon € 99,00
totaal materiële schade € 799,51
immateriële schade€ 3.500,00
Totaal materiële en immateriële schade € 4.299,51.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.570,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 570,66 ter zake van geleden materiële schade (eigen risico zorgverzekering € 345,66, broek € 50,00, trui € 45,00, jas € 80,00 en mobiele telefoon € 50,00) en € 2.000,00 ter zake van geleden immateriële schade.
De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder parketnummer 02-055313-23 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.149,83.
Ten aanzien van de materiële schade
Het hof is van oordeel dat de verdachte voldoende heeft onderbouwd dat hij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit kosten heeft moeten maken bestaande uit het eigen risico zorgverzekering (€ 345,66). Ten aanzien van de kleding en de telefoon baseert de benadeelde partij zich op de nieuwwaarde van vergelijkbare goederen. De benadeelde partij stelt weliswaar dat alle goederen nog geen jaar oud waren, maar dat is op geen enkele wijze met stukken onderbouwd, terwijl dat wel had gekund met de bankafschriften, waaruit de betalingen van die goederen blijken. Nu de verdachte alleen aansprakelijk kan worden gehouden voor de dagwaarde van die goederen in plaats van de oorspronkelijke waarde, zal het hof ten aanzien van die goederen gebruik maken van de schattingsbevoegdheid en zal van de nieuwprijs een derde deel in mindering brengen als jaarlijkse afschrijving. Het hof zal derhalve een bedrag van € 304,08 toewijzen (€ 453,85 x 2/3). Naar het oordeel van het hof bestaat er voldoende causaal verband tussen deze schade en het bewezenverklaarde feit.
In totaal wordt daarom een bedrag van € 649,74 (€ 345,66 en € 304,08) aan materiële schade toegewezen. Voor het overige wordt de vordering betreffende de materiële schade afgewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten zware mishandeling.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
Het hof zoekt aansluiting bij categorie 9.2 onder e ‘geringe littekenvorming’ met bandbreedte € 1.000,00 - € 2.500,00 en houdt rekening met de omstandigheden dat het litteken op het hoofd niet het enige letsel was. De benadeelde partij had daarnaast verwondingen op de rug en hand.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,00 billijk is. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe en wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot € 649,74 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade (in totaal € 3.149,74) toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.149,74. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.149,74, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 31 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 63, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair en in de zaak met parketnummer 01-099434-23 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair en in de zaak met parketnummer 01-099434-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.149,74 (drieduizend honderdnegenenveertig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 649,74 (zeshonderdnegenenveertig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-055313-23 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.149,74 (drieduizend honderdnegenenveertig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 649,74 (zeshonderdnegenenveertig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 februari 2023.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 23 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.