ECLI:NL:GHSHE:2026:253
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingskamer verklaart hoger beroep tegen wrakingsbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk
In deze zaak heeft de wrakingskamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van verzoeker tegen de wrakingsbeslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant behandeld. Verzoeker betwistte de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechter-plaatsvervanger en voerde aan dat het rechtsmiddelenverbod tegen wrakingsbeslissingen doorbroken moest worden om het Unierecht volledig te waarborgen.
De wrakingskamer heeft overwogen dat op grond van artikel 8:18, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen rechtsmiddel openstaat tegen een wrakingsbeslissing. Hoewel de Hoge Raad in 2024 in een civiele procedure terugkwam op de doorbrekingsleer, geldt deze niet voor wrakingen op grond van artikel 8:15 Awb Pro. De wrakingskamer toetst daarom niet aan de doorbrekingsleer en houdt vast aan het rechtsmiddelenverbod.
Gelet hierop verklaart de wrakingskamer het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en doet zij uitspraak zonder zitting. De beslissing is op 4 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de wrakingsbeslissing is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het rechtsmiddelenverbod.