ECLI:NL:GHSHE:2026:253

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
200.364.376_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingskamer verklaart hoger beroep tegen wrakingsbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk

In deze zaak heeft de wrakingskamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van verzoeker tegen de wrakingsbeslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant behandeld. Verzoeker betwistte de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechter-plaatsvervanger en voerde aan dat het rechtsmiddelenverbod tegen wrakingsbeslissingen doorbroken moest worden om het Unierecht volledig te waarborgen.

De wrakingskamer heeft overwogen dat op grond van artikel 8:18, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen rechtsmiddel openstaat tegen een wrakingsbeslissing. Hoewel de Hoge Raad in 2024 in een civiele procedure terugkwam op de doorbrekingsleer, geldt deze niet voor wrakingen op grond van artikel 8:15 Awb Pro. De wrakingskamer toetst daarom niet aan de doorbrekingsleer en houdt vast aan het rechtsmiddelenverbod.

Gelet hierop verklaart de wrakingskamer het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en doet zij uitspraak zonder zitting. De beslissing is op 4 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de wrakingsbeslissing is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het rechtsmiddelenverbod.

Uitspraak

Beslissing van wrakingskamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
in de zaak van:
[verzoeker] (handelend onder de naam [naam] ),
optredend als gemachtigde [gemachtigde] ,
hierna te noemen: verzoeker
op het hoger beroep van
de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 29 januari 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder zaaknummer C/02/442953 HA RK 25-271, waarin de wrakingskamer het verzoek tot wraking van mr. B. van Walderveen, in diens hoedanigheid van rechter in de zaken met nummer [nummer 1] en [nummer 2] , ongegrond heeft verklaard;

1.Procesverloop

1.1.
Bij brief van 30 januari 2026 heeft verzoeker het hof bericht over het hoger beroep van verzoeker, optredend als gemachtigde namens [verzoeker] (handelend onder de naam [naam] ), tegen de uitspraak van de wrakingskamer Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2026 onder zaaknummer C/02/442953 HA RK 25-271.
1.2.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 4 februari 2026 zonder een voorafgaande zitting behandeld in raadkamer. De wrakingskamer heeft bepaald dat als volgt zal worden beslist op het verzoek.

2.Het standpunt verzoeker

2.1.
Verzoeker stelt zich – kort samengevat – op de standpunten dat:
in het vonnis de kennelijk onjuiste premisse ligt besloten van voorrang van nationale bepalingen op het recht van de Unie, alsmede de weigering om de wettelijke verplichtingen na te komen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof van Justitie heeft geschonden;
hij de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van mr. Van Walderveen als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Noord-Nederland betwist;
hij de rechtmatigheid en juistheid van de uitspraak van de rechtbank Den Haag [1] betwist;
hij recht heeft op een passend, effectief rechtsmiddel tegen een door hem ingesteld bezwaar/beroep volgens vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof van Justitie;
het Hof van Justitie exclusief en bij uitsluiting bevoegd is uitleg te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie;
de rechtbank heeft verzuimd om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de draagwijdte en betekenis van het recht van Unie waardoor het vonnis rechtsongeldig en onverbindend is;
het gerechtshof het door de rechtbank opgelegde rechtsmiddelenverbod non-existent moet verklaren teneinde de volle werking van het recht van de Unie te waarborgen en de zaak te verwijzen naar het Hof van Justitie althans de eerdere wraking integraal toewijzen.

3.Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

3.1.
De wrakingskamer dient allereerst de vraag te beantwoorden of het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank ontvankelijk is.
3.2.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.3.
Ingevolge artikel 8:18, zesde lid, van de Awb staat geen rechtsmiddel open tegen de beslissing op het verzoek om wraking.
3.4.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de wrakingskamer van het hof het door de rechtbank opgelegde rechtsmiddelenverbod non-existent moet verklaren. De wrakingskamer begrijpt dit als een beroep op een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. In het arrest van 21 juni 2024 is de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:918) in een civiele procedure teruggekomen op de eerdere rechtspraak dat het rechtsmiddelenverbod tegen een wrakingsbeslissing kan worden doorbroken indien wordt aangevoerd dat de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken (hierna: de doorbrekingsleer). Naar het oordeel van de wrakingskamer gelden de overwegingen van de Hoge Raad om terug te komen op de doorbrekingsleer onverkort bij een wraking op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb. De wrakingskamer zal dan ook niet toetsen aan de doorbrekingsleer en vasthouden aan het bepaalde in artikel 8:18, zesde lid, van de Awb.
3.5.
Hetgeen door verzoeker is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.
3.6.
Gelet op het voorgaande zal de wrakingskamer het hoger beroep van verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk verklaren en overeenkomstig artikel 8:18, derde lid, van de Awb beslissen het hoger beroep zonder een behandeling ter zitting af te doen.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 29 januari 2026 met zaaknummer C/02/442953 HA RK 25-271 kennelijk niet-ontvankelijk;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda en de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.C. Bosch, voorzitter, mr. J.P. de Haan en mr. A.M. Bossink, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag d.d. 1 december 2025, ECLl:NL:RBDHA:2025:22797.