Belanghebbende exploiteert een hotel en huurde dit tot november 2015. De eigenaren van het hotel verkregen het pand in 2014 en investeerden fors in verbouwingen. In november 2015 verkregen zij alle aandelen van belanghebbende en werden zij bestuurders. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, een verzuimboete en belastingrente.
Belanghebbende maakte bezwaar en stelde onder meer dat niet alle stukken waren overgelegd, dat geen overdracht had plaatsgevonden, dat het heffingstijdstip later lag en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. Het hof oordeelt dat de inspecteur alle relevante stukken heeft overgelegd en dat de overdracht van de economische eigendom in 2015 heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit de jaarstukken en het stopzetten van huurbetalingen.
De waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op minimaal de tegenprestatie van € 7.000.000, ondanks een later compromis over een lagere waarde voor vennootschapsbelasting. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden omdat de inspecteur expliciet heeft aangegeven dat dit compromis geen invloed heeft op de overdrachtsbelasting. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.