ECLI:NL:GHSHE:2026:464

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
23/338
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over watersysteemheffing 2021 en afwijzing hogere proceskosten en immateriële schadevergoeding

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag watersysteemheffing 2021 opgelegd door de heffingsambtenaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af en stelde de proceskostenvergoeding vast op € 209,25.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de opbrengstlimiet was overschreden, dat een hogere proceskostenvergoeding moest worden toegekend en dat immateriële schadevergoeding voor de beroepsfase moest worden toegekend. Het hof oordeelde dat de stelling over de opbrengstlimiet te laat was ingebracht en buiten beschouwing bleef. De proceskostenvergoeding werd door het hof bevestigd op het door de rechtbank vastgestelde bedrag.

Ten aanzien van immateriële schadevergoeding over de bezwaar- en beroepsfase oordeelde het hof dat de redelijke termijn niet was overschreden en dat belanghebbende geen recht had op vergoeding. Voor de hogerberoepsfase werd de redelijke termijn wel overschreden, maar belanghebbende had onvoldoende feiten gesteld om aannemelijk te maken dat het financiële belang hoger was dan € 1.000, waardoor geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.

Het hof wees verzoeken tot heropening van het onderzoek af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank zonder toekenning van hogere proceskosten of immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/338
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 februari 2023, nummer SHE 22/172, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2021 een aanslag watersysteemheffing gebouwd (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch, via digitale beeld- en geluidsverbinding. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , namens [kantoornaam] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
1.9.
Belanghebbende heeft na de zitting brieven naar het hof gestuurd.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een bedrijfspand.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag opgelegd ter hoogte van € 1.721,15. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 209,25 aan proceskosten aan belanghebbende, en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de opbrengstlimiet overschreden?
II. Is de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag vastgesteld?
III. Heeft de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend?
Op de zitting heeft de gemachtigde verklaard de beroepsgronden met betrekking tot de WOZ-waarde in deze procedure niet te handhaven, omdat de WOZ-waarde in geschil is in een zaak tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Meijerijstad.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vaststellen van een hogere proceskostenvergoeding en toekenning van een immateriële schadevergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
4.0.
Voor zover belanghebbende de brieven die hij na de zitting heeft gestuurd (zie 1.9.) heeft bedoeld als een verzoek tot heropening van het onderzoek wijst het hof dit verzoek af. Aangezien deze brieven geen nieuwe argumenten bevatten, ziet het hof geen reden voor heropening van het onderzoek.
Ten aanzien van het geschil
I Opbrengstlimiet
4.1.
Niet in geschil is dat de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en de uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, omdat de WOZ-waarde niet onherroepelijk vaststond ten tijde van de uitspraak op bezwaar.
4.2.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk dat het hof heeft ontvangen op 5 januari 2026 voor het eerst de stelling ingenomen dat de opbrengstlimiet (mogelijk) is overschreden.
Het hof laat deze stelling buiten beschouwing, omdat deze stelling te laat is ingenomen en dit in strijd is met de goede procesorde.
II Is de proceskostenvergoeding terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
4.3.
De rechtbank heeft overwogen en beslist:
“3.5.4. Eiseres had in deze zaak kunnen volstaan met het indienen van een (kort) beroepschrift waarin zij melding maakte van het feit dat de heffingsambtenaar er ten onrechte van was uitgegaan dat de WOZ-waarde onherroepelijk was komen vast te staan. De zaak had dan als kennelijk gegrond buiten zitting kunnen worden afgedaan. (…). Genoemde inspanning van de gemachtigde van eiseres had toekenning van 1 punt met een zeer licht gewicht van 0,25 gerechtvaardigd wat had geresulteerd in een proceskostenvergoeding van € 209,25. De rechtbank zal de proceskostenvergoeding daarom op dat bedrag vaststellen. Het verzoek wordt voor het overige afgewezen, omdat in zoverre geen sprake is van redelijkerwijs gemaakte proceskosten.”
4.4.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden de proceskostenvergoeding gematigd. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding voor het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding.
III Heeft de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend?
4.5.
Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 4 juni 2021 en de rechtbank heeft op 24 februari 2023 uitspraak gedaan in deze zaak. De redelijke termijn is dus niet overschreden, zodat de rechtbank terecht geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.7.
Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht om een vergoeding van immateriële schade voor de hoger beroepsfase. Het gaat volgens belanghebbende om een zaak die valt onder het oude regime.
4.8.
De rechtbank heeft op 24 februari 2023 uitspraak gedaan, het hoger beroepschrift is ontvangen op 9 maart 2023, en het hof doet heden uitspraak. De redelijke termijn van twee jaar om uitspraak te doen in hoger beroep is daardoor overschreden. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden. [1]
4.9.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2024 [2] (hierna: het arrest van 14 juni 2024) bepaald dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan 12 maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [3] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de voorgenoemde wijziging niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest van 14 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van het arrest van 14 juni 2024 is overschreden (het overgangsrecht). [4] Aan de tweede voorwaarde wordt in dit geval niet voldaan.
Het hof is daarom van oordeel dat de zaak van belanghebbende niet valt onder het overgangsrecht.
4.10.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 2024 ook overwogen:
‘3.3.5 In de regel zal hetgeen de belanghebbende in de procedure ter zake van een of meer fiscale beschikkingen heeft gevorderd, voldoende duidelijk maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is. Er zijn echter ook gevallen waarin dit niet aanstonds duidelijk zal zijn op basis van het geschil met betrekking tot de fiscale beschikking(en). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan geschillen over een beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet waardering onroerende zaken, indien uit het geschil over de waardering niet tevens blijkt wat het financiële belang daarvan is met betrekking tot een of meer aan de belanghebbende op te leggen belastingaanslagen. In zulke gevallen ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting.’
4.11.
Belanghebbende heeft gesteld dat in dit geval het geschil een belang vertegenwoordigt dat groter is dan € 1.000. Belanghebbende heeft echter geen feiten gesteld op basis waarvan de omvang van het financiële belang bij het hoger beroep kan worden vastgesteld. Bij gebreke hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het financiële belang bij deze procedure hoger is dan € 1.000 en het hof volstaat daarom met een constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
2.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.
4.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o 3.5.