Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag watersysteemheffing 2021 opgelegd door de heffingsambtenaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af en stelde de proceskostenvergoeding vast op € 209,25.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de opbrengstlimiet was overschreden, dat een hogere proceskostenvergoeding moest worden toegekend en dat immateriële schadevergoeding voor de beroepsfase moest worden toegekend. Het hof oordeelde dat de stelling over de opbrengstlimiet te laat was ingebracht en buiten beschouwing bleef. De proceskostenvergoeding werd door het hof bevestigd op het door de rechtbank vastgestelde bedrag.
Ten aanzien van immateriële schadevergoeding over de bezwaar- en beroepsfase oordeelde het hof dat de redelijke termijn niet was overschreden en dat belanghebbende geen recht had op vergoeding. Voor de hogerberoepsfase werd de redelijke termijn wel overschreden, maar belanghebbende had onvoldoende feiten gesteld om aannemelijk te maken dat het financiële belang hoger was dan € 1.000, waardoor geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.
Het hof wees verzoeken tot heropening van het onderzoek af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.