Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:523

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.358.080_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AVGArt. 17 AVGArt. 4.5.3.4 WmoArt. 5.3.5 WmoArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vernietiging dossier Veilig Thuis inzake zorgmeldingen gezin

In deze civiele zaak staat het verzoek van ouders centraal om het dossier van Veilig Thuis over hun gezin te vernietigen, naar aanleiding van drie zorgmeldingen in 2019-2020. De rechtbank had dit verzoek toegewezen, maar Veilig Thuis ging in hoger beroep.

Het hof overweegt dat het dossier is opgesteld naar aanleiding van zorgmeldingen die niet evident onterecht waren, ondanks dat de Raad voor de Kinderbescherming geen kinderbeschermingsmaatregel nodig achtte. Het belang van de minderjarige kinderen bij bewaring van het dossier weegt zwaarder dan het belang van de ouders bij vernietiging, mede vanwege mogelijke toekomstige zorgmeldingen en adequate hulpverlening.

Het hof wijst het verzoek van de ouders af, vernietigt de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten tussen partijen. Tevens wijst het hof de verzoeken van ouders om digitaal deel te nemen aan de mondelinge behandeling af, vanwege het belang van fysieke aanwezigheid voor een eerlijk proces.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de ouders tot vernietiging van het dossier bij Veilig Thuis af en vernietigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 26 februari 2026
Zaaknummer : 200.358.080/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/334396 / FIA RK 24-169
Beschikking in de zaak in hoger beroep van:
Stichting Veilig Thuis [regio],
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: Veilig Thuis,
advocaat: mr. G.V. van Campen,
[vader] ,
hierna te noemen: vader
en
[moeder],
hierna te noemen: moeder
beiden ook optredend als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarigen
[minderjarige 1],
[minderjarige 2]en
[minderjarige 3],
allen wonende te [land] ,
verweerders,
hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] c.s. (meervoud) of ouders,
advocaat: voorheen mr. B. Sujecki, thans mr. I. Brouwer.

1.De zaak in het kort

In 2019-2020 zijn er een drietal zorgmeldingen over het gezin van [verweerders] c.s. binnengekomen bij Veilig Thuis. [verweerders] c.s. verzoeken in deze procedure om Veilig Thuis te bevelen het dossier over hun gezin te vernietigen. De rechtbank heeft die verzoeken toegewezen.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met het procesdossier in eerste aanleg (bijlagen A tot en met E), ontvangen door het hof op 24 juli 2025, verzoekt Veilig Thuis het hof om de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 april 2025 met bovengenoemd zaaknummer te vernietigen en de inleidende verzoeken van [verweerders] alsnog af te wijzen, met compensatie van de proceskosten in beide instanties.
2.2.
Bij verweerschrift met vier producties, door het hof ontvangen op 23 oktober 2025, verzoeken [verweerders] c.s. het hof om Veilig Thuis in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en Veilig Thuis te veroordelen in de (daadwerkelijke) proceskosten in beide instanties.
2.3.
Het hof heeft daarnaast kennis genomen van:
  • het V8-formulier van mr. Sujecki met verzoek om digitale deelname aan de mondelinge behandeling, ontvangen op 23 oktober 2020;
  • het V8-formulier van mr. Sujecki met verzoek om mondelinge behandeling achter gesloten deuren en digitale deelname aan mondelinge behandeling, ontvangen op 24 oktober 2025;
  • de brief van mr. Brouwer, ontvangen op 3 november 2025;
  • het door mr. Brouwer toegezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 april 2025, ontvangen op 10 november 2025;
  • de brief van mr. Brouwer van 14 november 2025;
  • de brief van mr. Brouwer van 25 november 2025;
  • de brief van mr. Brouwer van 2 januari 2026 met producties 22 tot en met 26;
  • de brief van mr. Brouwer van 8 januari 2026;
  • de brief van mr. Brouwer van 13 januari 2026;
  • de brief van mr. Van Campen van 13 januari 2026, waarin zij aankondigt dat mr. N.A. Boelhouwer voor haar de mondelinge behandeling zal waarnemen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • mevrouw [jurist] (jurist bij Veilig Thuis) en mevrouw [leidinggevende] (leidinggevende bij Veilig Thuis) namens Veilig Thuis, bijgestaan door mr. Boelhouwer;
  • mr. Brouwer namens [verweerders] c.s.
Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De vaststaande feiten

3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
Op 1 januari 2015 zijn het Advies en Meldpunt Kindermishandeling en de Steunpunten Huiselijk Geweld samengevoegd tot het Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK), dat de naam Veilig Thuis heeft gekregen. Veilig Thuis vormt een belangrijke schakel in zowel de jeugdketen als ook als onderdeel van de aanpak van geweld in huiselijke kring voor volwassenen.
3.1.2.
Het gezin [verweerders] bestaat uit vader, moeder en drie minderjarige kinderen.
3.1.3.
In 2019 - 2020 zijn er in totaal drie zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis over het
gezin [verweerders] , namelijk door Centrum Jeugd en Gezin (CJIG) op 5 december 2019, door de gemeente [gemeente] , afdeling WMO, op 31 januari 2020 en door Kraamcentrum [plaats 1] op 17 maart 2020.
3.1.4.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft onderzoek verricht
naar aanleiding van deze zorgmeldingen. In haar rapport van 20 mei 2020 heeft de
Raad geconcludeerd dat er geen ondertoezichtstelling nodig is, omdat er al voldoende hulp was en er geen sprake is van concrete bedreigingen in de ontwikkelingen van de kinderen of in de opvoedsituatie.
3.1.5.
In de zomer van 2020 heeft Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW) de
hulpverlening aan het gezin gestaakt op de grond dat er geen hulp meer nodig was.
3.1.6.
Het gezin [verweerders] is in de zomer van 2020 verhuisd naar [plaats 2] .
3.1.7.
In 2022 heeft Veilig Thuis [streek] drie meldingen ontvangen over het gezin van [verweerders] c.s. Veilig Thuis [streek] heeft bij Veilig Thuis de oude meldingen opgevraagd om deze nieuwe meldingen te (kunnen) beoordelen.
3.1.8.
In juli 2024 is het gezin [verweerders] verhuisd naar [land] .
3.1.9.
[verweerders] c.s. hebben Veilig Thuis bij e-mailbericht van 7 juni 2024 gevraagd haar dossier over hun gezin te vernietigen. Veilig Thuis heeft bij brief van 17 juli 2024 aan [verweerders] c.s. medegedeeld de gevraagde vernietiging te weigeren op de grond dat er een aanmerkelijk belang bij bewaring van het dossier bestaat.

4.De verzoeken en de beslissing in eerste aanleg

4.1.1.
[verweerders] c.s. hebben in eerste aanleg de rechtbank verzocht Veilig Thuis te bevelen om alle dossiers over hun gezin te vernietigen en alle ontvangers van persoonsgegevens uit die dossiers in kennis te stellen van het wissen van de dossiers, met gelijktijdige toezending van een lijst van de ontvangers en een afschrift van iedere kennisgeving aan de advocaat van [verweerders] c.s., en Veilig Thuis te veroordelen in de proceskosten.
4.1.2.
[verweerders] c.s. hebben hieraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat Veilig Thuis geen belang meer heeft bij bewaring ervan, omdat de inhoud van de zorgmeldingen is weerlegd door het rapport van de Raad van 20 mei 2020. [verweerders] c.s. hebben verder gesteld er last van te hebben dat het dossier wordt bewaard, omdat de oude meldingen steeds worden opgevraagd bij iedere nieuwe zorgmelding en gebruikt worden bij de beoordeling daarvan.
4.2.
Veilig Thuis heeft hiertegen verweer gevoerd.
4.3.
Bij beschikking van 30 april 2025 heeft de rechtbank het verzoek van [verweerders] c.s. toegewezen en Veilig Thuis veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat er in het geval van [verweerders] c.s. geen aanmerkelijk belang bestaat om het dossier te bewaren, omdat de drie meldingen allemaal door de inhoud van het rapport van de Raad worden weerlegd. Naar het oordeel van de rechtbank ontstaat er ten onrechte een nadelige situatie voor [verweerders] c.s., doordat Veilig Thuis de negatieve meldingen bewaart en gebruikt bij beoordeling van eventuele latere meldingen, terwijl de Raad haar ontlastende rapport al een jaar niet meer ter beschikking stelt.

5.De standpunten van partijen in hoger beroep

5.1.
Veilig Thuis kan zich met voornoemde beschikking niet verenigen. Zij voert daartoe, samengevat, onder meer het volgende aan.
De rechtbank heeft niet het juiste toetsingskader gehanteerd: beoordeeld had moeten worden of redelijkerwijs aannemelijk is dat bewaring van het dossier van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker.
Het belang van de kinderen rechtvaardigt dat het dossier bewaard blijft. Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag van de rechten van het kind (IVRK) dienen de belangen van de kinderen de eerste overweging te vormen. Het belang van Veilig Thuis bij bewaring van het dossier is, gelet op de wettelijke taken van Veilig Thuis, niet los te zien van dat van de kinderen. Het doel van de Wmo is een optimale borging van de veiligheid van het kind. [verweerders] c.s. waren verantwoordelijk voor het ontstaan van de zorgen over de kinderen, terwijl zij op grond van artikel 1:247 BW Pro verplicht zijn hun kinderen te verzorgen en op te voeden en daarmee verantwoordelijk zijn voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van de kinderen en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid.
Als [verweerders] c.s. vervolgens met succes vernietiging van gegevens kunnen vragen, is dat in strijd met het doel van de wet én met artikel 3 IVRK Pro. Veilig Thuis kan haar wettelijke taken niet goed uitoefenen als informatie over eerdere zorgmeldingen niet meer beschikbaar is.
De drie zorgmeldingen zijn niet weerlegd door het rapport van de Raad van 20 mei 2025. De Raad heeft namelijk wel degelijk zorgen geconstateerd, maar is tot de conclusie gekomen dat de al ingezette hulp op dat moment voldoende was. Bovendien zijn belangrijke delen van het rapport weggelakt.
Ten slotte blijkt uit een arrest van het hof Amsterdam van 26 maart 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:975) dat er in 2022 ook drie zorgmeldingen over het gezin [verweerders] zijn geweest bij Veilig Thuis [streek] .
Mochten [verweerders] c.s. op enig moment weer terugkeren naar Nederland en er dan weer zorgmeldingen binnenkomen, dan wil Veilig Thuis er zeker van zijn dat deze zorgmeldingen in het perspectief van de eerdere meldingen kunnen worden bezien.
5.2.1.
Hiertegenover stellen [verweerders] c.s. in de eerste plaats dat het hoger beroep onnodig is. Zij voeren hiertoe het volgende aan. De Raad heeft op 27 mei 2025 besloten tot toewijzing van het verzoek van [verweerders] c.s. om de raadsdossiers over hun gezin te vernietigen. De Raad heeft Veilig Thuis bij brief van 8 september 2025 hiervan in kennis heeft gesteld en heeft verzocht de door de Raad verstrekte persoonsgegevens niet meer te gebruiken en te bewaren. Hiermee heeft de Raad te kennen gegeven dat er helemaal geen belang bestaat, ook voor Veilig Thuis niet, om de persoonsgegevens van [verweerders] c.s. te bewaren.
[verweerders] c.s. zijn verder van mening dat de rechtbank het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, namelijk dat van artikel 5.3.5 Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna: Wmo), een lex specialis van artikel 17 AVG Pro. De rechtbank heeft het verzoek terecht toegewezen, omdat de meldingen van Veilig Thuis zijn weerlegd. Uit het rapport van de Raad van 20 mei 2020 blijkt dat de meldingen onjuist waren. Vele zorgmedewerkers zagen juist geen aanleiding om zich zorgen te maken over het gezin. Veilig Thuis heeft ook geen aanleiding gezien om zelf onderzoek te verrichten.
Omdat de meldingen onterecht zijn geweest, zijn deze voor latere meldingen niet relevant en bestaat er geen belang bij bewaring van het dossier.
5.2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verweerders] c.s. hieraan, samengevat, het volgende toegevoegd. De kinderen hebben geen belang bij bewaring van het dossier van Veilig Thuis, omdat het nu goed met hen gaat in [land] . De bewaring van de gegevens door Veilig Thuis vergroot het risico op stigmatisering en is verder in strijd met het beginsel van juistheid en actueel zijn, het beginsel van dataminimalisatie en het vereiste van proportionaliteit. Ten slotte vormen gestelde toekomstige risico’s evenmin rechtvaardiging voor bewaring van de gegevens.

6.De beoordeling in hoger beroep

Verzoeken van [verweerders] c.s. om digitale deelname aan de mondelinge behandeling
6.1.1.
De mondelinge behandeling van deze zaak was in eerste instantie bepaald op 12 november 2025. Namens [verweerders] c.s. is meerdere malen aan het hof verzocht om vanuit [land] hieraan digitaal te mogen deelnemen. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen.
6.1.2.
In de brief aan partijen van 3 november 2025 heeft het hof deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Het hof wijst (…) wederom het verzoek om digitaal deel te nemen aan de zijde van verweerders af. De aard van de onderhavige procedure en de in het beroepschrift aangevoerde nieuwe argumenten vereisen – zoals eerder aangegeven - naar het oordeel van het hof een interactie ter zitting zonder eventuele beperkingen en gebreken die digitale communicatie met zich kunnen brengen. Fysieke aanwezigheid van de te horen persoon of personen is van groot belang voor optimale communicatie tussen alle betrokkenen in het proces. Daardoor kunnen in voorkomende gevallen verbale, maar bovenal ook non-verbale uitingen immers beter worden waargenomen. Deze aspecten zijn en blijven van groot belang bij de afweging om in een individuele zaak al dan niet van videoconferentie gebruik te maken.
Het hof verwijst in dit verband naar HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902 waarin is opgenomen:
3.2.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat een mondelinge behandeling waarbij alle partijen fysiek aanwezig zijn steeds de voorkeur verdient en daarom uitgangspunt moet zijn. Aan een hybride zitting kunnen nadelen kleven. Zo kan deelneming op afstand van een partij ertoe leiden dat deze partij minder goed wordt gehoord, bijvoorbeeld bij technische onvolkomenheden in de beeld/geluidverbinding, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee het processuele evenwicht tussen partijen in het geding komt. Ook kan het onderzoek ter zitting minder effectief blijken te zijn als partijen deels fysiek en deels op afstand aan die zitting deelnemen. Om deze redenen is ook het belang van een partij die wel fysiek aanwezig is bij de mondelinge behandeling gemoeid met de toe- of afwijzing van een verzoek van een partij om daaraan via een videoverbinding te mogen deelnemen.
Dit alles leidt ertoe dat de rechter die van een van partijen een verzoek ontvangt om via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen, steeds dient na te gaan of dat verzoek een legitiem doel dient en of deelname op afstand van die partij op zodanige wijze kan worden georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Bij dat laatste kan ook de aard van de procedure en de hoedanigheid van de verzoekende partij van belang zijn.”
6.1.3.
Het hof heeft bij de afwijzing van de verzoeken verder in aanmerking genomen dat [verweerders] c.s. de aangevoerde bezwaren tegen hun fysieke aanwezigheid op de mondelinge behandeling, te weten dat zij geen bij beiden kunnen worden gemist bij de dagelijkse zorg voor de kinderen en dat zij niet de financiële middelen hebben om naar Nederland te komen, op geen enkel moment hebben onderbouwd, ook niet nadat het hof had aangegeven ook die onderbouwing te missen.
6.1.4.
Omdat niet te verwachten was dat [verweerders] c.s. of één van hen fysiek zou verschijnen op de mondelinge behandeling op 12 november 2025 en het gelet op de aard van de zaak zeer gewenst was hen persoonlijk te horen, heeft het hof de mondelinge behandeling toen aangehouden. Rekening houdend met de verhinderdata van partijen heeft het hof de mondelinge behandeling vervolgens bepaald op 14 januari 2026.
6.1.5.
Op 13 januari 2026, één dag voor deze mondelinge behandeling, heeft mr. Brouwer het hof namens [verweerders] c.s. laten weten dat [verweerders] c.s. niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zullen zijn. Als redenen voor hun afwezigheid is (opnieuw) aangevoerd dat beide ouders nodig zijn om de kinderen van en naar school te begeleiden en dat zij geen financiële middelen hebben om de reis naar Nederland en de terugreis naar [land] te bekostigen. Opnieuw ontbreekt iedere onderbouwing hiervan.
6.1.6.
Tijdens de mondelinge behandeling op 14 januari 2025 zijn [verweerders] c.s. niet verschenen en zijn zij vertegenwoordigd door hun advocaat.
Het verzoek om vernietiging van het dossier van Veilig Thuis
Toetsingskader
6.2.1.
Op grond van artikel 6 lid 1 sub c AVG Pro is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig, indien de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Voldoende is dat de rechtsgrond voor deze verwerking is vastgesteld bij het recht van een lidstaat dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is (artikel 6 lid 3 sub b AVG Pro). Dit recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel (artikel 6 lid 3 slot Pro AVG).
De taken en bevoegdheden van Veilig Thuis en haar wettelijke plicht om in dat kader persoonsgegevens te verwerken, zijn vastgelegd in de Wmo. Op grond van artikel 4.1.1 lid 2 sub a en b Wmo heeft Veilig Thuis de taak om te fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling en om bij meldingen/vermoedens te onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is. Deze taak beantwoordt aan een evidente doelstelling van algemeen belang.
Artikel 5.1.6 Wmo bepaalt dat Veilig Thuis bevoegd is zonder toestemming persoonsgegevens te verwerken voor het uitoefenen van voornoemde taak. Dit is zonder meer evenredig met het nagestreefde doel van het waarborgen van de veiligheid van minderjarige kinderen in de breedste zin van het woord.
Hiermee staat de (initiële) bevoegdheid van Veilig Thuis om de persoonsgegevens van [verweerders] c.s. na ontvangen meldingen te mogen verwerken vast.
6.2.2.
Op grond van artikel 17 AVG Pro heeft een betrokkene het recht om een verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om diens persoonsgegevens te verwijderen (“recht op vergetelheid”). Het wettelijk kader hiervan is voor Veilig Thuis ook geregeld in de Wmo. Op grond van artikel 5.3.4 lid 2 Wmo bewaart Veilig Thuis de persoonsgegevens die zij op basis van deze wet over een betrokkene onder zich heeft gedurende twintig jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging van die persoonsgegevens is vastgelegd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van haar taken op grond van deze wet noodzakelijk is. Artikel 5.3.5 Wmo bepaalt dat Veilig Thuis persoonsgegevens op verzoek van een betrokkene vernietigt (lid 1), tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van de persoonsgegevens van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, of als de wet zich tegen vernietiging verzet (lid 2).
6.2.3.
Ook het eigen Handelingsprotocol van Veilig Thuis 2019 gaat uit van dit toetsingskader (hoofdstuk 15, punt 15.8 onder 6). Daarnaast is in dit Handelingsprotocol opgenomen dat Veilig Thuis een verzoek om vernietiging van een dossier in ieder geval moet honoreren als door de uitkomst van het onderzoek van Veilig Thuis de melding wordt weerlegd (hoofdstuk 15, punt 15.8 onder 7).
Inhoudelijke beoordeling
6.3.1.
[verweerders] c.s. verzoeken om vernietiging van het dossier dat Veilig Thuis over hen heeft naar aanleiding van de zorgmeldingen bij Veilig Thuis in 2019/2020. De vraag die het hof dus moet beantwoorden, is of redelijkerwijs aannemelijk is dat bewaring van dit dossier door Veilig Thuis van aanmerkelijk belang is voor een ander dan [verweerders] c.s. als verzoekers. Naar het oordeel van het hof is dit het geval, namelijk voor de drie minderjarige kinderen van [verweerders] c.s. Het hof overweegt daartoe het volgende.
6.3.2.
Het dossier waarop het verzoek betrekking heeft, is door Veilig Thuis opgemaakt naar aanleiding van drie verschillende zorgmeldingen over de ontwikkeling en opvoedingssituatie van de drie kinderen van [verweerders] c.s. in 2019/2020.
De eerste melding is op 5 december 2019 gedaan door het CJG. Deze melding hield in dat ouders in eerste instantie zelf ondersteuning in de opvoedsituatie voor de oudste twee kinderen hadden gevraagd, omdat zij een hoge belasting ervoeren in de opvoeding, maar later geen hulpverlening vanuit het CJG wilden accepteren.
De tweede melding is op 31 januari 2020 gedaan door de gemeente [gemeente] vanwege vermoedens van ernstige verwaarlozing van de oudste twee kinderen: er was meerdere dagen van de week geen geld voor eten, ouders konden de kinderen geen structuur bieden en regelmatig stond er om 21.00 uur nog geen eten op tafel.
De derde melding is op 17 maart 2020 gedaan door het Kraamcentrum. Deze melding hield in dat de drie kinderen geen structuur en amper te eten kregen, dat de twee oudste kinderen niet zindelijk waren en de hele dag in de luier voor de tv zaten, dat het oudste kind veel straf van ouders kreeg, soms wel vijftien keer per dag, dat ouders beiden zeer zware psychische problemen hadden en dat vader ‘een dictaat is’ en een zorgmijder was.
6.3.3.
Veilig Thuis heeft naar aanleiding van deze zorgmeldingen de Raad verzocht om onderzoek te verrichten. Aan [verweerders] c.s. kan worden toegegeven dat de Raad in zijn rapport van 20 mei 2020 uiteindelijk heeft geconcludeerd dat er op dat moment geen sprake was van concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen of in de opvoedsituatie. Voor zover het hof het rapport kan lezen (delen van het - door [verweerders] c.s. overgelegde - rapport zijn door [verweerders] c.s. weggelakt, aldus is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken, en aan het herhaalde verzoek van het hof aan [verweerders] c.c. een schoon volledig exemplaar van het rapport te mogen ontvangen is niet voldaan), kan op grond van het rapport echter niet worden vastgesteld dat de zorgmeldingen evident onterecht waren. Integendeel, ook de Raad heeft in het rapport geconstateerd dat er zorgen waren over de draagkracht en draaglast van ouders om voldoende structuur aan te brengen in het huishouden, de opvoeding en leerplicht van het oudste kind. De Raad vond een kinderbeschermingsmaatregel echter niet nodig, omdat er op dat moment voldoende en toereikende hulpverlening (AMW, Groene Kruis) in de opvoedingsomgeving van ouders aanwezig was. De Raad heeft hieraan wel toegevoegd dat bij stagnering van de hulpverlening de regiehouder moest beslissen of er opnieuw melding bij Veilig Thuis werd gedaan en dat Veilig Thuis vervolgens moest bepalen of de zaak naar het beschermplein ging, waar de Raad zou beoordelen of (weer) een onderzoek moest volgen en of een ondertoezichtstelling nodig was.
6.3.4.
[verweerders] c.s. verwijzen nog naar een verklaring van de heer [medewerker] van het AMW van 18 maart 2025 en naar WhatsApp-correspondentie met kraamverzorgster [kraamverzorgster] van 20 maart 2020. Volgens hen blijkt ook hieruit dat er geen sprake was van een onveilige thuissituatie. De inhoud van deze stukken neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de Raad, die volgens het raadsrapport ook bij de heer [medewerker] en mevrouw [kraamverzorgster] informatie over het gezin heeft ingewonnen, toch heeft vastgesteld dat er zorgen waren. Daar komt bij dat de kraamverzorgster in de overgelegde Whatsappcorrespondentie de zorgen wel deels bevestigt, namelijk wat betreft het opsluiten van de kinderen en het niet naar school gaan van het oudste kind. Het hof kan overigens in het rapport niet (geheel) nagaan wat de heer [medewerker] en mevrouw [kraamverzorgster] destijds tegenover de Raad hebben verklaard. De desbetreffende stukken zijn in het rapport door [verweerders] c.s. immers (deels) weggelakt, terwijl ook voor [verweerders] c.s. de regels van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 HGEU Pro) ten opzichte van Veilig Thuis onverkort gelden, ook in een AVG/WMO zaak (vergelijk HvJ EU 3 maart 2023 inzake C. 238/18, ECLI:C:EU:2023:145, i.h.b. r.o. 49-53), en zij dus hadden moeten zorgen voor het overleggen van een voor zowel het hof als Veilig Thuis volledig leesbare versie van het rapport.
6.3.5.
Naar het oordeel van het hof is het aanmerkelijke belang van de minderjarige kinderen van [verweerders] c.s. bij bewaring erin gelegen dat het dossier van Veilig Thuis beschikbaar dient te zijn en blijven voor het geval zich opnieuw een zorgelijke/onveilige situatie voordoet (of een vermoeden daarvan bestaat) in het gezin waar de minderjarige kinderen verblijven en adequate hulpverlening moet worden ingezet. De nieuwe meldingen kunnen dan in de historische context van de eerdere meldingen worden bezien. Het maakt daarbij niet uit of op het moment dat om vernietiging van de persoonsgegevens wordt verzocht, geen zorgen over de veiligheid van de kinderen of hun gezin (meer) zouden bestaan. Nu het om historische gegevens gaat is (voortdurende) actuele waarde niet vereist: bij weging van deze gegevens bij een latere melding zal uit de aard der zaak het tijdsverloop worden betrokken.
6.3.6.
Het voorgaande geldt temeer, nu vaststaat dat in 2022, na de verhuizing van [verweerders] c.s. en hun kinderen naar [plaats 2] , vanuit hun nieuwe woonomgeving drie meldingen (twee dubbelanonieme meldingen en een melding van de politie) zijn gedaan bij Veilig Thuis [streek] . Ook in deze meldingen zijn zorgen geuit over de thuissituatie van het gezin. [verweerders] c.s. hebben in kort geding onder meer gevorderd Veilig Thuis [streek] te verbieden om op basis van die meldingen nader onderzoek uit te voeren. Bij arrest van 26 maart 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:975) - dat inderdaad het gezin [verweerders] betreft - heeft het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep deze vordering (alsnog) afgewezen. Het hof heeft in dat verband onder meer overwogen dat aan de drie ontvangen meldingen een redelijk vermoeden van kindermishandeling was te ontlenen en dat Veilig Thuis [streek] bevoegd was om naar aanleiding van die meldingen een onderzoek in te stellen. Dit onderzoek heeft kennelijk nooit kunnen plaatsvinden, omdat [verweerders] c.s. kort na dit arrest met hun kinderen zijn vertrokken naar [land] .
Uit het procesdossier in eerste aanleg kan niet worden opgemaakt dat in de onderhavige zaak de rechtbank in eerste aanleg op de hoogte was van voornoemde beslissing van het gerechtshof Amsterdam. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen bevestigd dat dit niet het geval was.
6.3.7.
De omstandigheid dat de Raad wél heeft besloten om het raadsdossier over het gezin [verweerders] c.s., en daarmee het rapport van 20 mei 2020, te vernietigen, doet niet af aan het aanmerkelijk belang van de minderjarige kinderen bij bewaring. In deze procedure gaat het immers niet om dat dossier, maar om het dossier van Veilig Thuis over het gezin. Het rapport van de Raad maakt ook geen onderdeel uit van het dossier van Veilig Thuis. In dit dossier bevindt zich enkel de beslissing van de Raad om geen kinderbeschermingsmaatregel te nemen. Bovendien heeft de Raad bij zijn beslissing tot vernietiging van het raadsdossier de bestreden beschikking van de rechtbank mede in aanmerking genomen zonder het hoger beroep hiervan af te wachten.
6.3.8.
De vraag of Veilig Thuis kan worden aangemerkt als een ander in de zin van artikel 5.3.5 lid 2 Wmo laat het hof in het midden, omdat het aanmerkelijk belang van de minderjarige kinderen zich al duidelijk verzet tegen vernietiging van het dossier.
6.3.9.
Met de vaststelling van het aanmerkelijke belang van de minderjarige kinderen van [verweerders] c.s. is naar het oordeel van het hof al voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het bewaren van de meldingen bij Veilig Thuis dient het doel om de veiligheid van de kinderen optimaal te borgen en om adequaat hulpverlening te kunnen bieden als dit nodig is. Dit doel kan niet op een voor [verweerders] c.s. minder nadelige wijze worden verwezenlijkt. De inbreuk op de belangen van [verweerders] c.s. is dan ook niet onevenredig aan dit doel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, zoals Veilig Thuis ter zitting heeft toegelicht, het dossier bij Veilig Thuis alleen wordt geraadpleegd als er een nieuwe melding wordt gedaan. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat op de medewerkers van Veilig Thuis een geheimhoudingsplicht rust met betrekking tot informatie die zij uit hoofde van hun functie onder zich hebben. Het hof wijst ten slotte op de mogelijkheid voor [verweerders] c.s. om een eigen verklaring aan het dossier van Veilig Thuis te laten toevoegen, waarin zij hun standpunt uitleggen (zie ook hoofdstuk 15, punt 15.8 onder 5 van het Handelingsprotocol), al dan niet voorzien van het rapport van de Raad, in welke vorm dan ook.
Conclusie
6.4.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarige kinderen (en daarmee van Veilig Thuis) bij bewaring van het dossier van Veilig Thuis zwaarder weegt dan het belang van [verweerders] c.s. bij vernietiging van het dossier. Het hof zal het verzoek van [verweerders] c.s. dan ook alsnog afwijzen.
Dit betekent dat het hoger beroep van Veilig Thuis slaagt. De bestreden beschikking zal dus worden vernietigd.
6.5.
Gelet op de aard van deze procedure (zie ook de beschikking van dit hof van 29 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1301, r.o. 3.7.1 e.v.) zal het hof de kosten van beide instanties tussen partijen compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 april 2025;
en opnieuw rechtdoende:
wijst het verzoek van [verweerders] c.s. af;
compenseert de kosten van beide instanties tussen partijen in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.