Belanghebbende woont in Frankrijk en bezit een woning in Nederland. Hij heeft een Franse partner met wie hij geen gemeenschap van goederen heeft. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting 2021 op, waarbij eenmaal het heffingvrije vermogen werd toegepast. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het Unierecht zich verzet tegen het feit dat hij en zijn partner niet samen aanspraak kunnen maken op tweemaal het heffingvrije vermogen, omdat dit een verboden discriminatie zou vormen. Het hof oordeelde dat het heffingvrije vermogen een brongebonden vrijstelling is die niet afhankelijk is van de persoonlijke situatie, en dat de partner geen mede-eigenaar is van de woning en daarom geen aanspraak kan maken op deze vrijstelling.
Het hof stelde vast dat het Verdrag tussen Nederland en Frankrijk het heffingsrecht exclusief aan Nederland toewijst, maar dat dit niet betekent dat Nederland verplicht is tweemaal het heffingvrije vermogen toe te passen. Het hof verwierp het discriminatieverweer omdat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen en bevestigde dat niet-ingezeten partners niet als fiscale partners worden beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.