ECLI:NL:GHSHE:2026:593

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/476
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 lid 4 letter b Wet IB 2001Art. 7.7 Wet IB 2001Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op tweemaal heffingvrij vermogen voor niet-ingezeten partner bij woning in Nederland

Belanghebbende woont in Frankrijk en bezit een woning in Nederland. Hij heeft een Franse partner met wie hij geen gemeenschap van goederen heeft. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting 2021 op, waarbij eenmaal het heffingvrije vermogen werd toegepast. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarde.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het Unierecht zich verzet tegen het feit dat hij en zijn partner niet samen aanspraak kunnen maken op tweemaal het heffingvrije vermogen, omdat dit een verboden discriminatie zou vormen. Het hof oordeelde dat het heffingvrije vermogen een brongebonden vrijstelling is die niet afhankelijk is van de persoonlijke situatie, en dat de partner geen mede-eigenaar is van de woning en daarom geen aanspraak kan maken op deze vrijstelling.

Het hof stelde vast dat het Verdrag tussen Nederland en Frankrijk het heffingsrecht exclusief aan Nederland toewijst, maar dat dit niet betekent dat Nederland verplicht is tweemaal het heffingvrije vermogen toe te passen. Het hof verwierp het discriminatieverweer omdat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen en bevestigde dat niet-ingezeten partners niet als fiscale partners worden beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende en zijn niet-ingezeten partner geen aanspraak kunnen maken op tweemaal het heffingvrije vermogen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/476
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] in Frankrijk,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummer BRE 23/1560, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft op verzoek van belanghebbende via digitale verbinding plaatsgevonden op 11 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woont in Frankrijk en is een ‘civil de solidarité’ aangegaan met zijn eveneens in Franrijk wonende partner [partner] . Een ‘civil de solidarité’ is het Franse equivalent van een geregistreerd partnerschap. Tussen belanghebbende en zijn partner bestaat geen gemeenschap van goederen.
2.2.
Belanghebbende is eigenaar van een woning in Nederland, [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De WOZ-waarde van de woning voor 2021 bedraagt € 384.000.
2.3.
Belanghebbende heeft in 2021 in Nederland alleen inkomsten uit sparen en beleggen genoten uit de woning. Belanghebbende en zijn partner hebben in 2021 geen overige inkomsten in Nederland genoten. De inkomsten van belanghebbende bestaan uit een ouderdomspensioen van een Europese instelling en inkomsten uit beleggingen die in Frankrijk worden belast. De partner heeft inkomsten die in Frankrijk worden belast.
2.4.
De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.361. De inspecteur heeft daarbij rekening gehouden met eenmaal het heffingvrije vermogen. Tevens is bij beschikking € 29 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.731 en de rentebeschikking verminderd tot € 26. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is de vraag of het Unierecht zich ertegen verzet dat belanghebbende en zijn partner geen aanspraak kunnen maken op toepassing van tweemaal het heffingvrije vermogen.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.111. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de partner, omdat zij niet in Nederland woonachtig is en geen inkomen in Nederland geniet, geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001. Zij wordt daarom op grond van de tekst van artikel 1.2, lid 4, letter b, Wet IB 2001 niet beschouwd als fiscale partner van belanghebbende.
4.2.
Belanghebbende betoogt allereerst dat de regeling in artikel 1.2, lid 4, letter b en artikel 7.8. Wet IB 2001 onderscheid maakt tussen ingezetene partners en niet-ingezetene partners en daarmee een door het EU-recht verboden discriminatie vormt. De belastingdruk op het box 3 inkomen is daardoor hoger voor niet-ingezetenen dan voor ingezetenen, aldus belanghebbende. Verder is, volgens belanghebbende, ten onrechte de eigendomsverhouding voor ingezetenen niet van belang terwijl bij niet-ingezetenen wel van belang is of zij al dan niet mede-eigendom hebben van de bezittingen in Nederland. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte de partner niet als fiscale partner aangemerkt; ingezetenen zouden immers wel als partners zijn beschouwd, aldus belanghebbende. Belanghebbende betoogt verder dat artikel 25 van Pro het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Frankrijk (hierna: het Verdrag) [1] zo moet worden toegepast dat rekening moet worden gehouden met een vergelijkbare belastingdruk tussen ingezeten belastingplichtigen en niet-ingezeten belastingplichtigen. Omdat belastingheffing over de woning aan Nederland is toegewezen, wordt in Frankrijk geen verrekening gegeven of rekening gehouden met de misgelopen heffingvrije voet. Nederland moet daarom waarborgen dat ingezetenen en niet-ingezetenen gelijk worden behandeld. De inspecteur bestrijdt dat het Unierecht zou verplichten om tweemaal rekening te houden met het heffingvrije vermogen.
4.3.
Het hof stelt voorop dat het heffingvrije vermogen een brongebonden vrijstelling is, dat wil zeggen dat de toepassing van deze vrijstelling niet afhankelijk is van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. [2] Een belastingplichtige die inkomen heeft uit sparen en beleggen kan aanspraak maken op het heffingvrije vermogen. Bij belanghebbende wordt belasting geheven in box 3 over de woning in Nederland, daarom heeft hij recht op aftrek van dat heffingvrije vermogen. Belanghebbende wordt in dat opzicht op dezelfde wijze behandeld als een ingezetene.
4.4.
Voor de partner van belanghebbende geldt dat echter niet omdat bij die partner geen belasting in box 3 wordt geheven. De partner is namelijk geen mede eigenaar van de woning in Nederland. Het Verdrag wijst het heffingsrecht met betrekking tot de woning in dit geval exclusief aan Nederland toe. Dat betekent dat Frankrijk geen belasting mag heffen over de woning maar dat betekent niet dat Nederland is gehouden om bij het bepalen van de belastingheffing ten aanzien van deze woning ook rekening te houden met tweemaal het heffingvrije vermogen. Een belastingverdrag verdeelt de heffingsrechten maar bepaalt niet hoe de belastingheffing moet plaatsvinden.
4.5.
Belanghebbende betoogt dat deze uitkomst een verboden discriminatie oplevert omdat ingezeten partners aanspraak kunnen maken op tweemaal het heffingvrije vermogen en niet ingezeten partners, zonder bezittingen in Nederland, niet. Hierdoor worden niet ingezetenen zwaarder belast en dat is in strijd met het Unierecht, aldus belanghebbende. Dit betoog gaat echter niet op. Er is allereerst geen sprake van vergelijkbare gevallen. Ingezeten partners worden op grond van artikel 5.2, lid 2, Wet IB 2001 (tekst 2021) belast op basis van hun gezamenlijke rendementsgrondslag. Dat geldt echter niet voor een buitenlandse belastingplichtige met een niet-ingezeten partner die niet in Nederland in de belasting wordt betrokken. In die gevallen worden namelijk alleen de vermogensbestanddelen van de buitenlandse belastingplichtige op grond van artikel 7.7 Wet IB 2001 in de heffing betrokken.
4.6.
Belanghebbende vraagt in wezen om rekening te houden met zijn gezinssituatie, namelijk met de omstandigheid dat hij een partner heeft. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU [3] dat wanneer een lidstaat niet-ingezetenen niet in aanmerking laat komen voor belastingvoordelen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene, welke voordelen wel aan ingezetenen worden verleend, dat onderscheid in de regel niet discriminerend is. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. Zoals het hof heeft vooropgesteld, is het heffingvrije vermogen echter een brongebonden aftrek en geen persoonlijke aftrek; daarom lijkt deze rechtspraak voor de beoordeling van het geschil niet relevant. Voor het geval deze rechtspraak wel relevant is, zal het hof de vraag of sprake is van discriminatie aan de hand van deze rechtspraak beoordelen omdat belanghebbende vraagt om met zijn gezinssituatie rekening te houden, namelijk met het feit dat hij een partner heeft. Dan komt het hof tot het oordeel dat van discriminatie geen sprake is omdat niet in geschil is dat belanghebbende en zijn partner in Frankrijk wonen en dat hun inkomsten in Frankrijk worden belast. Er is dan geen aanleiding om in Nederland rekening te houden met tweemaal het heffingvrije vermogen vanwege het enkele feit dat belanghebbende in Frankrijk een partner heeft.
4.7.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad. Het hof heeft daartoe echter geen aanleiding gezien, omdat hier geen sprake is van een rechtsvraag die in vele vergelijkbare gevallen speelt.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door, J.M. van der Vegt voorzitter, T.A. Gladpootjes en L.B.M. Klein Tank in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 16 maart 1973.
2.Vgl. Hof van Justitie EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608 (gevoegde zaken Miljoen, X en Société Générale), r.o. 53.
3.De zogenoemde Schumacker rechtspraak beginnend met Hof van Justitie 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31.