Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:594

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/566
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 15 lid 1 letter b Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag overdrachtsbelasting bij uitgifte aandelen BV met onroerende zaak

Belanghebbende, samen met zijn echtgenote ondernemer in een VOF met een zorgboerderij, bracht de juridische eigendom van de onroerende zaak in een nieuw opgerichte BV in, waarbij de moeder aandelen verkreeg. De BV werd juridisch eigenaar van de onroerende zaak en gaf aandelen uit aan belanghebbende. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op wegens de verkrijging van aandelen in de BV.

Belanghebbende stelde dat de BV niet als onroerendezaakrechtspersoon (OZR) kwalificeert omdat de vergoeding voor het gebruik van de onroerende zaak winstafhankelijk is en niet vooraf is vastgesteld, en dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is. Het hof oordeelde dat de BV wel degelijk een OZR is, omdat de onroerende zaak hoofdzakelijk dienstbaar is aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaak, ook als de vergoeding winstafhankelijk is.

Verder stelde het hof vast dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing is omdat de aandelen niet zijn verkregen door overdracht van moeder aan belanghebbende, maar door uitgifte van nieuwe aandelen door de BV zelf. Dit is een wezenlijk andere situatie dan de doorkijkarresten die overdracht van aandelen tussen natuurlijke personen betreffen.

Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/566
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 maart 2024, nummer BRE 23 /72, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2021 opgelegd. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft met zijn echtgenote een onderneming in VOF-verband (hierna: de VOF). Het betreft een zorgboerderij met als nevenactiviteit agrarisch natuurbeheer. De VOF verricht haar activiteiten in een onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak) gelegen aan en nabij [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te [woonplaats] .
2.2.
Op 18 december 2020 is de moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) toegetreden tot de VOF. De moeder heeft onder andere in de VOF ingebracht:
  • het recht op gebruik en genot van de onroerende zaak in de VOF en
  • een bedrag van € 5.000 in contanten en
  • haar persoonlijke kennis en zakelijke relaties met betrekking tot de bedrijfsvoering.
2.3.
De juridische eigendom van de onroerende zaak heeft de moeder niet ingebracht.
2.4.
Vanaf het boekjaar 2021 is de moeder voor twintig procent gerechtigd tot het resultaat van de VOF. Voor haar inbreng heeft zij daarnaast geen afzonderlijke vergoeding ontvangen.
2.5.
Op 31 maart 2021 wordt door de gezamenlijke vennoten goedgekeurd dat de moeder haar aandeel in de VOF inbrengt in [de BV] BV, een nieuw op te richten besloten vennootschap (hierna: de BV). De BV wordt op 2 juni 2021 opgericht. De moeder verkrijgt 605 aandelen met een nominale waarde van € 1.000 die worden volgestort door inbreng van haar aandeel in de VOF en daarnaast de juridische eigendom van de onroerende zaak. Belanghebbende is bij de oprichting van de BV aangesteld als enig bestuurder van de BV.
2.6.
Met een aanvulling op de overeenkomst van vennootschap onder firma wordt de BV in de plaats gesteld van de moeder. De overeenkomst vermeldt onder meer:
“In vennootschappelijke gemeenschap is thans aanwezig vanwege de vennoten sub1, sub 2 en sub 3:
(...)
4. de persoonlijke kennis en zakelijke relaties met betrekking tot de bedrijfsvoering van de vennoten sub 1 en sub 2 en de met de te verrichten werkzaamheden samenhangende arbeid, evenals de managementwerkzaamheden van de bestuurder van de vennoot sub 3, maar deze werkzaamheden zijn beperkt tot deelname aan de besluitvorming in de vergadering van de vennoten. ”
2.7.
Op 2 juni 2021 heeft de BV 166 aandelen met een nominale waarde van € 1.000 uitgegeven aan belanghebbende tegen inbreng van een bedrag van € 166.000. Belanghebbende heeft hierdoor een belang van (afgerond) 21,53% in de BV verworven (hierna: de verkrijging).
2.8.
Met dagtekening 19 januari 2022 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte overdrachtsbelasting in verband met de verkrijging van de aandelen in de BV. Op 4 februari 2022 heeft belanghebbende aangifte gedaan van de verkrijging van de aandelen in de BV. Hij heeft daarbij aangegeven dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is.
2.9.
De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 10.560, zonder rekening te houden met de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. In de bezwaarfase heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.372, omdat hij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de natuurgrondvrijstelling.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- is sprake van een onroerendezaakrechtspersoon (hierna: OZR) als bedoeld in artikel 4 Wet Pro Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: WBR)?
- is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, WBR (hierna: de bedrijfsopvolgingsvrijstelling) van toepassing?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Is sprake van een OZR?
4.1.
Ingevolge artikel 4, lid 1, letter a, WBR, worden mede als onroerende zaken aangemerkt: aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken (de
bezitseis), mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (de
doeleis).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat voldaan is aan de bezitseis.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of voldaan is aan de doeleis van artikel 4 WBR Pro.
4.4.
Belanghebbende stelt dat de BV niet als een OZR in de zin van artikel 4 WBR Pro is aan te merken, omdat de onroerend zaak niet dienstbaar is aan het exploiteren van die onroerende zaak. Belanghebbende stelt dat het verlenen van diensten voorop staat. Deze diensten bestaan uit het verlenen van zorg aan minderjarige kinderen.
4.5.
De BV is juridisch eigenaar van de onroerende zaak. Daarnaast heeft de BV op grond van de aanvullende overeenkomst van vennootschap onder firma recht op deelname aan de besluitvorming tijdens de vergadering van vennoten. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder inhoudelijk geen bemoeienis heeft gehad met de zorgboerderij. Daaruit volgt dat voor zover sprake is van een ondernemingsactiviteit in de BV, deze activiteit feitelijk niet (of nauwelijks) uit meer heeft bestaan dan het ter beschikking stellen van de onroerende zaak tegen een winstafhankelijke vergoeding.
4.6.
Belanghebbende stelt dat geen sprake is van exploitatie, omdat hij van mening is dat exploitatie alleen huur of pacht is, twee vormen van exploitatie waarbij vooraf de vergoeding vast staat. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van huur of pacht omdat de vergoeding in dit geval niet vooraf vast staat. De vergoeding is immers afhankelijk van de winst van de VOF. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een vooraf vastgestelde vergoeding niet een vereiste is voor het kunnen aannemen van exploitatie. Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak tegen een winstafhankelijke vergoeding is ook een vorm van het exploiteren van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 4 WBR Pro. De omstandigheid dat een toelichting op de WBR [1] , die overigens is ingetrokken, aangaf dat bij exploitatie in het bijzonder gedacht moest worden aan de situatie van huur of pacht, maakt dat niet anders.
4.7.
De verwijzing door belanghebbende naar een tweetal kennisgroepstandpunten [2] leidt niet tot een ander oordeel. De situatie die is beschreven in het eerste kennisgroepstandpunt is niet vergelijkbaar en het tweede kennisgroepstandpunt leidt, zoals belanghebbende op de zitting heeft erkend, niet tot een ander resultaat.
4.8.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, voldaan aan de doeleis en is de BV aan te merken als een OZR als bedoeld in artikel 4, lid 1, letter a WBR.
Is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing?
4.9.
Belanghebbende stelt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd als gevolg van de uitgifte van aandelen in de BV, omdat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is. Deze vrijstelling houdt in dat onder voorwaarden van overdrachtsbelasting is vrijgesteld de verkrijging door een of meer kinderen van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij letterlijke lezing de bedrijfsopvolgingsvrijstelling toepassing mist. De BV (vervreemder) is namelijk geen natuurlijk persoon zoals genoemd in artikel 15, lid 1, letter b, WBR. Belanghebbende stelt dat de vrijstelling toch moet worden toegepast en wijst daartoe op de zogenoemde doorkijkarresten [3] van de Hoge Raad. De inspecteur betwist dat de vrijstelling toegepast kan worden, omdat volgens hem ook bij toepassing van de doorkijkarresten geen sprake is van een voor de vrijstelling kwalificerende vervreemder.
4.11.
Het hof stelt voorop dat een ondernemer in beginsel vrij is in de keuze van de rechtsvorm voor zijn onderneming. De keuze voor een rechtspersoon, zoals een besloten vennootschap, kan er evenwel toe leiden dat bepaalde rechtshandelingen anders in de belastingheffing worden betrokken dan als gekozen zou zijn voor het drijven van die onderneming in de vorm van een eenmanszaak of vennootschap onder firma. Een besloten vennootschap is immers zelfstandig drager van rechten en verplichtingen.
4.12.
Uitgangspunt bij de doorkijkarresten is dat een vastgoedvennootschap als bedoeld in artikel 4 WBR Pro een fictieve onroerende zaak is. De doorkijkarresten brengen niets meer met zich mee dan dat een directe verkrijging van een fictieve onroerende zaak hetzelfde behandeld dient te worden als een directe verkrijging van een onroerende zaak zonder het bestaan van een vastgoedvennootschap. De vrijstelling vindt daarmee ten aanzien van een vastgoedvennootschap alleen toepassing als een ondernemer (natuurlijk persoon) het directe belang in die vastgoedvennootschap vervreemdt en een natuurlijk persoon uit de in de wet genoemde kring van verwanten deze aandelen verkrijgt.
4.13.
In dit geval zijn de aandelen in de BV niet verkregen door overdracht van moeder aan belanghebbende, maar door uitgifte van nieuwe aandelen door de BV. Dat is naar het oordeel van het hof een wezenlijk andere situatie dan de situatie die tot de doorkijkarresten heeft geleid. Het hof ziet geen aanleiding om uitgifte van aandelen in de BV gelijk te stellen met overdracht van de onroerende zaak door de moeder. Dat door uitgifte van aandelen sprake is van verwatering bij de moeder als aandeelhouder, doet daar niet aan af. Het hof ziet geen aanleiding om die kring ruimer op te vatten zoals belanghebbende bepleit.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J. Rietveld
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Besluit van 21 april 1972, nr. B72/5399, ingetrokken per 22 september 2010 in het Besluit van 14 september 2010, nr. DGB2010/3544M (https://www.inview.nl/openCitation/idccbb3ea30a23423aeacb6e19c3ad6f4c).
2.20-052-07 en 21-052-33.
3.Hoge Raad 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559, Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110.