II. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad en evenmin dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Op de camerabeelden is een weggooibeweging van de verdachte te zien, maar niet zichtbaar is wat voor voorwerp hij weggooide. Daardoor kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het voorwerp dat de verdachte weggooide de telefoon betrof. Zelfs als de verdachte de telefoon kortstondig in handen zou hebben gehad, is daarmee nog niet bewezen dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Het dossier bevat geen verklaring over betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal. De enkele omstandigheid dat een telefoon kort na een diefstal wordt aangetroffen en dat iemand zich daarvan ontdoet bij het zien van de politie, is onvoldoende om het vereiste opzet op de criminele herkomst aan te nemen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Voorhanden hebben
Allereerst ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft gehad.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent het navolgende vast. Op 28 februari 2025, omstreeks 18:25 uur, werden de verbalisanten verzocht te gaan naar [locatie] te Breda. Aldaar zou een groepje mannen lopen waarvan een man een mes bij zich zou dragen. Op aanwijzingen van de medewerkers van cameratoezicht, gemeente Breda, hebben de verbalisanten twee mannen, waaronder de verdachte, staande gehouden. De verbalisanten hadden van de medewerkers van cameratoezicht vernomen dat de verdachte een zwart voorwerp uit zijn jas had gehaald en in de bosschages had gegooid op het moment dat de politie in beeld kwam. Verbalisant [verbalisant 1] werd door de medewerkers van cameratoezicht naar de bosschages geleid en trof daar een telefoon aan. Uit het dossier blijkt dat de telefoon die is aangetroffen afkomstig is van aangever [benadeelde] . Aangever [benadeelde] heeft op 28 februari 2025 in Breda aangifte gedaan van de diefstal van zijn tas, met daarin zijn telefoon, door een groepje mannen, gepleegd omstreeks 18:15 uur.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niets uit zijn zak haalde, maar dat hij een aansteker vast had. Hij zag zichzelf wel iets weggooien op de beelden, maar gaf aan dat dat geen telefoon was. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij vuil uit zijn zak haalde en weggooide.
Het hof constateert dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen, in het licht van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt dat de medewerkers van cameratoezicht ononderbroken zicht hebben gehad op de bosschages vanaf het moment dat de verdachte daar een zwart voorwerp ingooide tot aan het moment dat de verbalisant op diezelfde plek de telefoon aantrof. Voorts neemt het hof in aanmerking de omstandigheid dat de telefoon kort ervoor van aangever [benadeelde] is ontvreemd; uit de verklaring van aangever [benadeelde] volgt dat dit ontvreemden geschiedde door een groepje mannen en de verdachte heeft verklaard deel te hebben uitgemaakt van een groepje vrienden en ten slotte zagen de medewerkers van cameratoezicht de verdachte een zwart voorwerp in de bosschages werpen en kort erna werd de telefoon in de bosschages aangetroffen. Het hof acht daarbij de impliciete verklaring van de verdachte, inhoudende dat de telefoon al in de bosschages zou hebben gelegen, onaannemelijk vanwege het zeer korte tijdsbestek tussen het wegnemen van de telefoon en het aantreffen van de telefoon in de bosschages.
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dan ook, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest die een uit misdrijf verkregen goed, namelijk de telefoon van aangever [benadeelde] , voorhanden heeft gehad en, bij het in beeld komen van de politie, in de bosschages heeft gegooid.
Wetenschap
Voorts is voor een bewezenverklaring ter zake van opzetheling vereist dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het bewuste goed wist dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof.
Volgens vaste jurisprudentie mag het hof bij de bewijsvoering van de wetenschap van de criminele herkomst van een goed ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed, betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van die criminele herkomst eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van dat goed. Daarbij kan de proceshouding van verdachte een rol spelen (vgl. Hoge Raad 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97/125 en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1034). Het hof overweegt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen. Wel kan het hof in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
Het hof stelt allereerst vast dat onvoldoende is gebleken van overtuigend bewijs dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij de diefstal van de telefoon. Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof voorts, met betrekking tot de wetenschap, vast dat op de aangetroffen telefoon, die de verdachte voorhanden had, WhatsApp-berichten in de Nederlandse taal zichtbaar waren, terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Vervolgens bleek de telefoon van aangever [benadeelde] te zijn nu hij de telefoon kon openen met zijn pincode en zijn telefoonnummer onder zijn eigen naam in de telefoon stond.
Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte wist dat de telefoon door misdrijf verkregen was. Van de verdachte mag derhalve verwacht worden dat hij een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring voor het voorhanden hebben van de telefoon geeft. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de telefoon, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon wist dat deze telefoon door misdrijf was verkregen. Het hof betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de telefoon eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.
Resumerend acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: