Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:682

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
20-001672-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 41 WVW 1994Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling rijden onder invloed amfetamine en gebruik valse kentekenplaat

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het rijden onder invloed van amfetamine en het besturen van een motorfiets met een valse kentekenplaat. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis omdat de politierechter niet voldeed aan het motiveringsvereiste van artikel 359 Sv Pro.

In hoger beroep sprak het hof de verdachte vrij van het feit met betrekking tot de valse kentekenplaat, omdat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de kentekenplaat niet origineel was. Het hof achtte echter bewezen dat de verdachte op 4 december 2024 te Weert een motorfiets bestuurde onder invloed van amfetamine, met een bloedwaarde van 300 microgram, hoger dan de wettelijke grenswaarde.

De verdediging voerde onder meer aan dat het onderzoek niet voldeed aan de strikte waarborgen van artikel 8, vijfde lid, WVW 1994 en artikel 17 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Het hof oordeelde dat de schriftelijke kennisgeving van het bloedonderzoek correct was verzonden naar het door verdachte opgegeven adres en dat er geen sprake was van schending van het recht op een eerlijk proces.

Gezien het justitiële verleden van de verdachte en de ernst van het feit legde het hof een taakstraf van 30 uur op, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor acht maanden. Tevens werd de bewaring van de in beslag genomen motorfiets gelast ten behoeve van de rechthebbende.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van valse kentekenplaat en veroordeeld tot taakstraf en ontzegging rijbevoegdheid wegens rijden onder invloed van amfetamine.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001672-25
Uitspraak : 18 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-054762-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
blijkens SKDB d.d. 5 januari 2026 als huidig BRP-adres [adres 1] , zijnde conform opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, ook zijn inschrijfadres.
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1) en ‘overtreding van artikel 41, eerste lid aanhef en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft de politierechter aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van acht maanden. Ten slotte heeft de politierechter de teruggave van de in beslag genomen motorfiets aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon gelast.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden. Tot slot heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de inbeslaggenomen motorfiets gevorderd dat het hof de bewaring ten behoeve van de redelijkerwijs rechthebbende zal gelasten.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging, vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces, een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 december 2024 te Weert een voertuig, te weten een motorfiets, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 300 microgram amfetamine bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
2.
hij op of omstreeks 4 december 2024 te Weert, op de weg, Lozerweg, een motorrijtuig (motorfiets) heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig een teken, te weten een kentekenplaat met kenteken [kenteken] , was aangebracht dat, niet zijnde het ingevolge artikel 36 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken, door kon gaan voor een zodanig kenteken, of dat teken te doen doorgaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken, of een met toepassing van artikel 37, derde lid van voornoemde wet, opgegeven kenteken.
Vrijspraak feit 2
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Voor het hof is onvoldoende buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de motorfiets wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat er op de motorfiets een andere kentekenplaat was aangebracht dan de originele bij de motorfiets behorende kentekenplaat.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 4 december 2024 te Weert een voertuig, te weten een motorfiets, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 300 microgram amfetamine bedroeg.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het onder 1 bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat niet is voldaan aan de strikte waarborg waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is omringd, althans zoals dat in artikel 17 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) is vastgelegd, zodat er geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Nu de verdachte op 4 december 2024 onder meer ook uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij op dat moment nog in [plaats 1] aan [adres 2] woonde en de verdachte destijds geen BRP-inschrijfadres had, kon de politie voor de naleving van de verplichting van artikel 17 van Pro het Besluit niet volstaan met een algemene vraag of de verdachte de uitslag van de bloedonderzoek, naast op een BRP-adres, tevens op een ander adres wilde ontvangen. De politie diende zich te vergewissen van dat andere adres door een concreet antwoord van de verdachte verlangen, hetgeen niet het geval was. Derhalve kon de politie niet volstaan met de enkele toezending naar het adres ‘ [adres 3] ’, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994 alleen sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Eén van die waarborgen staat in artikel 17 van Pro het Besluit. Op grond van dit artikel moet de opsporingsambtenaar binnen een week na ontvangst van het verslag van het bloedonderzoek de verdachte schriftelijk in kennis stellen van het resultaat van dat onderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Dit is een strikte waarborg (zie het arrest van de HR van 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:643). Met betrekking tot dit ‘schriftelijk in kennis stellen’ leert de Memorie van Toelichting bij het Besluit (
Stb. 2016, 529, p. 34) dat het verzenden van een schriftelijke mededeling naar het adres dat de verdachte zelf heeft opgegeven voldoende is.
Het hof stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 4 december 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij de schriftelijke uitslag van zijn bloedtest, naast op zijn BRP-adres, tevens op een ander adres wenste te ontvangen. Nu bovenaan dit proces-verbaal (p. 56 van het procesdossier) ‘ [adres 3] ’ als adres is opgenomen, begrijpt het hof aldus dat dit het adres is geweest waarop de verdachte de schriftelijke uitslag van het bloedonderzoek wenste te ontvangen. Het hof wordt verder in zijn oordeel gesterkt nu hetzelfde adres ook is opgenomen bovenaan het proces-verbaal van een opvolgend verhoor (p. 24 van het procesdossier). In dat opvolgend verhoor heeft de verdachte aangegeven reeds negen jaar op de [adres 3] te wonen. Weliswaar noemt de verdachte in dit latere verhoor tevens de adressen ‘ [adres 2] ’ en ‘ [adres 4] ’, maar de verdachte heeft in dit verhoor ook verklaard slechts ‘soms’ op de adressen in [plaats 1] en [plaats 2] te verblijven.
Het hof stelt op grond van het voorgaande en het procesdossier (p. 66) vast dat de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 17 van Pro het Besluit op 31 december 2024 verzonden is naar het door verdachte opgegeven adres. Niet is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte de schriftelijke mededeling ook daadwerkelijk heeft ontvangen (vgl. ECLI:NL:PHR:2021:762). Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 17 van Pro het Besluit.
Het hof constateert voorts dat de verdachte reeds bij het afnemen van het bloedmonster is gewezen op zijn recht op tegenonderzoek en dat de verdachte tijdens het verhoor is medegedeeld dat (wanneer hij niet schriftelijk in kennis is gesteld) hij na vier weken zelf bij de politie kan informeren naar de uitslag. Door de verdediging is evenwel niet aangegeven dat verdachte daadwerkelijk van zijn recht op tegenonderzoek gebruik had willen maken.
Nu geen sprake is van schending van artikel 17 van Pro het Besluit komt de grondslag aan het verweer van de verdediging te ontvallen en verwerpt het hof dit verweer in al haar onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen onder 1 bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van amfetamine. Het is algemeen bekend dat het gebruik van dergelijke genotmiddelen het bewustzijn beïnvloedt en daarmee de rijvaardigheid. Hiermee heeft de verdachte als bestuurder onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid van hemzelf en zijn medeweggebruikers. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk ter zake van de overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.
Alle omstandigheden afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis passend en geboden is. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid ziet het hof daarnaast aanleiding om de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig te ontzeggen voor de duur van acht maanden.
Verzoek tot strafvermindering.
Het verzoek van de raadsman, inhoudende dat vanwege de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van het recht op een eerlijk proces en derhalve strafvermindering dient te volgen, berust op een opvatting die geen steun vindt in het recht en wordt derhalve verworpen.
Beslag
Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een motorfiets, zal de bewaring ten behoeve van de degene die redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK motorfiets (PL2300-2024197830-G1761016).
Aldus gewezen door:
mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. C.M.A. Ellens - Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 18 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.M.A. Ellens – Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.