De zaak betreft hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de rechtsgeldigheid van de inwerkingtreding van de Verordening Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026. Belanghebbenden voerden aan dat de Verordening niet rechtsgeldig in werking is getreden omdat de eerste draagvlakmeting onvoldoende steun opleverde en er geen rechtsgrond was voor een tweede draagvlakmeting.
De rechtbank oordeelde dat de Verordening rechtsgeldig in werking is getreden omdat het college van burgemeester en wethouders bevoegd was een tweede draagvlakmeting te organiseren. Het hof onderschrijft dit oordeel en stelt dat noch de Wet BIZ noch de Verordening een tweede draagvlakmeting verbiedt. De wetgever heeft in de memorie van toelichting expliciet rekening gehouden met de mogelijkheid van meerdere metingen om alsnog voldoende steun te verkrijgen.
De eerste draagvlakmeting leverde onvoldoende steun op, maar de tweede meting voldeed aan alle wettelijke criteria. De uitslag van de tweede meting is rechtsgeldig vastgesteld en gepubliceerd. Belanghebbenden hebben ter zitting erkend dat zij zich niet langer op het standpunt stellen dat de draagvlakmeting niet eerlijk of transparant is verlopen.
Het hof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de aanslagen BIZ-bijdrage terecht zijn opgelegd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.