Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellante],
5.De beschikking van 25 september 2025
6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
7.De verdere beoordeling
Bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, moet in zoverre worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.”
De Hoge Raad heeft in genoemd arrest in onderdeel 3.6. uitgesproken dat:
De overgangsbepaling van art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is vrijwel gelijkluidend aan art. VII lid 1 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (hierna: de Wet van 6 december 2001). Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.5-6.6, volgt uit laatstgenoemde overgangsbepaling dat na de inwerkingtreding van het herziene procesrecht per 1 januari 2002, in een op dat moment reeds lopende instantie het voordien geldende recht van toepassing bleef en dat na het instellen van een rechtsmiddel in de volgende instantie het nieuwe recht van toepassing werd. Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht moet in dezelfde zin worden uitgelegd. Dit betekent dat indien na 1 januari 2025 een rechtsmiddel is ingesteld, in de daarmee ingeleide instantiehet nieuwe recht van toepassing is[vet Hof]”
.