Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:752

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.354.038_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 358 lid 2 RvArt. XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrechtArt. 74 lid 1 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid in hoger beroep bij overgang bewijsrecht na 1 januari 2025

In deze civiele zaak in hoger beroep heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch de ontvankelijkheid van appellanten beoordeeld in het licht van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek.

De appellanten hadden een verzoek tot inzage in onderhandse akten en bescheiden ingediend vóór 1 januari 2025, waarna de rechtbank het oude bewijsrecht toepaste. Het hof stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepasselijkheid van het nieuwe bewijsrecht in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het oude recht blijft gelden voor procedures die vóór 1 januari 2025 zijn aangevangen, inclusief de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen.

Op basis van deze uitspraak concludeert het hof dat appellanten ontvankelijk zijn in hun hoger beroep omdat het beroep binnen de oude termijn van drie maanden is ingesteld. Het hof bepaalt een voortzetting van de mondelinge behandeling en wijst op de mogelijkheid voor partijen om hun stellingen aan te passen aan het nieuwe bewijsrecht. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden voor een nieuwe samenstelling van rechters vanwege een aanstaande rechterswissel.

Uitkomst: Appellanten zijn ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en de mondelinge behandeling wordt voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 19 maart 2026
Zaaknummer : 200.354.038/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/426012 / HA RK 24-164
in de zaak in hoger beroep van:

1.[appellant] ,

2.
[appellante],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden: [appellant] c.s.,
advocaat: mr. A.M. Smetsers te Nijmegen,
tegen
Gemeente [Gemeente] ,
zetelend te [zetelplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. N.D. Niederer te Breda.

5.De beschikking van 25 september 2025

5.1.
In genoemde beschikking heeft het hof aangegeven voornemens te zijn om de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen: Wanneer is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht van toepassing in het geval in een verzoekschriftenprocedure de rechter in eerste aanleg het oude (bewijs)recht van toepassing heeft verklaard: vanaf de datum op of na 1 januari 2025 waarop de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan of vanaf de datum waarop de zaak in hoger beroep aanhangig is gemaakt, dat wil zeggen vanaf het moment van indienen van het beroepschrift, zodat de beroepstermijn en in voorkomend geval de appelmogelijkheid door oud recht wordt beheerst?
5.2.
Omdat bij de Hoge Raad een procedure liep over dezelfde vraag als hiervoor genoemd heeft het hof de beslissing over de ontvankelijkheid aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad.

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
Het hof heeft na de tussenbeschikking van 25 september 2025 kennis genomen van:
- de uitspraak van de Hoge Raad van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201;
- de reactie van mr. Smetsers namens [appellant] c.s., bij het hof binnengekomen op 2 maart 2026;
- de reactie van mr. Niederer namens de gemeente, bij het hof binnengekomen op 4 maart 2026.
6.2.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

7.De verdere beoordeling

Ontvankelijkheid
7.1.
In de genoemde beschikking van de Hoge Raad is in r.o. 3.8 over de van toepassing zijnde termijn voor het instellen van rechtsmiddelen het volgende beslist:

Bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, moet in zoverre worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.”
7.2.
[appellant] c.s. hebben zich over de uitspraak van de Hoge Raad uitgelaten en komen tot de conclusie dat zij in hun hoger beroep primair op basis van artikel XIIA en de toelichting van de Wet Vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht ontvankelijk zijn, dan wel subsidiair op basis van artikel 74 lid 1 Overgangswet Pro Nieuw BW, omdat in beide gevallen de oude appeltermijn van drie maanden van toepassing is.
7.3.
De gemeente heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
7.4.
Het hof overweegt als volgt.
Het verzoek van [appellant] c.s. inzage te verkrijgen in onderhandse akten en bescheiden op de voet van art. 843a (oud) Rv is bij de rechtbank ingediend vóór 1 januari 2025 (zie beschikking 25 september 2025, overweging 3.2). Uit hetgeen door de Hoge Raad in overweging 3.8 van het genoemde beschikking is overwogen, volgt dat op de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank eveneens het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing is en de hoger beroepstermijn dus drie maanden bedroeg (art. 358 lid 2 Rv Pro). Het hoger beroep van [appellant] c.s. is binnen deze termijn ingesteld, zodat zij ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.
7.5.
Gezien het voorgaande zal het hof [appellant] c.s. ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Nu de zaak nog niet inhoudelijk is behandeld zal het hof een (voortzetting van de) mondelinge behandeling gelasten.
In dat verband vraagt het hof thans reeds aandacht voor het volgende.
De Hoge Raad heeft in genoemd arrest in onderdeel 3.6. uitgesproken dat:

De overgangsbepaling van art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is vrijwel gelijkluidend aan art. VII lid 1 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (hierna: de Wet van 6 december 2001). Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.5-6.6, volgt uit laatstgenoemde overgangsbepaling dat na de inwerkingtreding van het herziene procesrecht per 1 januari 2002, in een op dat moment reeds lopende instantie het voordien geldende recht van toepassing bleef en dat na het instellen van een rechtsmiddel in de volgende instantie het nieuwe recht van toepassing werd. Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht moet in dezelfde zin worden uitgelegd. Dit betekent dat indien na 1 januari 2025 een rechtsmiddel is ingesteld, in de daarmee ingeleide instantiehet nieuwe recht van toepassing is[vet Hof]
.
Partijen kunnen desgewenst hun stellingen nog aanpassen aan het nieuwe bewijsrecht.
7.6.
Aangezien voorts één of meer van de raadsheren die deze uitspraak doen binnenkort met pensioen zal/zullen gaan, zal de mondelinge behandeling ten overstaan van een nieuwe samenstelling zijn. Deze rechterswissel heeft verder geen procedurele gevolgen, nu partijen de gelegenheid zullen krijgen om tijdens deze mondelinge behandeling hun (eventueel ten aanzien van het nieuwe recht aangevulde) standpunten inhoudelijk toe te lichten ten overstaan van de kamer van het hof die deze zaak alsdan inhoudelijk behandelt en daarna beschikking zal wijzen.
7.7.
Na raadpleging van de door partijen opgegeven verhinderdata zal de nieuwe mondeling behandeling worden bepaald op woensdag 15 april 2026.
7.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8.De beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] c.s. ontvankelijk in het hoger beroep;
bepaalt de (voortzetting van de) mondelinge behandeling op woensdag 15 april 2026 om 11.15u;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.