Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten
3.Beoordeling van het incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring
4.Beslissing
6 februari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 200 Rv Pro, zoals gewijzigd door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025, van toepassing is op rechtsmiddelen tegen uitspraken op verzoeken om inzage of andere voorlopige bewijsverrichtingen indien het verzoek vóór die datum is gedaan en de uitspraak daarna is gedaan.
Verzoekster had in juni 2022 conservatoir bewijsbeslag gelegd en verzocht om inzage in de beslagen bescheiden. De rechtbank wees dit verzoek in maart 2023 af, het hof bekrachtigde deze beslissing in maart 2025. Verzoekster stelde vervolgens cassatieberoep in in juni 2025.
Oceanco stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk was omdat de termijn van acht weken uit het nieuwe recht (art. 200 Rv Pro) was overschreden. De Hoge Raad oordeelde echter dat op lopende procedures het oude recht van toepassing blijft, ook voor de termijn en ontvankelijkheid van rechtsmiddelen, conform artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en artikel 74 lid 1 Overgangswet Pro NBW.
Daarom was het cassatieberoep tijdig ingesteld en ontvankelijk. De Hoge Raad wees het incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring af en veroordeelde Oceanco in de kosten van het incident.
Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk omdat het oude recht van toepassing is op de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen in lopende procedures.