ECLI:NL:HR:2026:201

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
25/02135
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 200 RvArt. 426 lid 1 RvArt. 426 lid 2 RvArt. 843a lid 1 Rv (oud)Art. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing overgangsrecht bij rechtsmiddelen tegen voorlopige bewijsverrichtingen na wetswijziging

In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 200 Rv Pro, zoals gewijzigd door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025, van toepassing is op rechtsmiddelen tegen uitspraken op verzoeken om inzage of andere voorlopige bewijsverrichtingen indien het verzoek vóór die datum is gedaan en de uitspraak daarna is gedaan.

Verzoekster had in juni 2022 conservatoir bewijsbeslag gelegd en verzocht om inzage in de beslagen bescheiden. De rechtbank wees dit verzoek in maart 2023 af, het hof bekrachtigde deze beslissing in maart 2025. Verzoekster stelde vervolgens cassatieberoep in in juni 2025.

Oceanco stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk was omdat de termijn van acht weken uit het nieuwe recht (art. 200 Rv Pro) was overschreden. De Hoge Raad oordeelde echter dat op lopende procedures het oude recht van toepassing blijft, ook voor de termijn en ontvankelijkheid van rechtsmiddelen, conform artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en artikel 74 lid 1 Overgangswet Pro NBW.

Daarom was het cassatieberoep tijdig ingesteld en ontvankelijk. De Hoge Raad wees het incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring af en veroordeelde Oceanco in de kosten van het incident.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk omdat het oude recht van toepassing is op de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen in lopende procedures.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02135
Datum6 februari 2026
BESCHIKKING IN HET INCIDENT
In de zaak van
[verzoekster] INC.,
gevestigd te Fort [vestigingsplaats], Verenigde Staten van Amerika,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incident,
hierna: [verzoekster],
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
ALBLASSERDAM YACHTBUILDING B.V.,
gevestigd te Alblasserdam,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incident,
hierna: Oceanco,
advocaten: G.C. Nieuwland en M.E.A. Möhring.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/640068 / HA RK 22-619 van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.332.133/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 maart 2025.
[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Oceanco heeft een incidenteel verzoek gedaan tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
[verzoekster] heeft in het incident een verweerschrift tot verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring.
De advocaten van Oceanco hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten

2.1
In dit incident is de vraag aan de orde of art. 200 Rv Pro zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 [1] , van toepassing is op het instellen van een rechtsmiddel tegen de uitspraak op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens, indien het verzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet en de uitspraak na de inwerkingtreding daarvan is gedaan.
2.2
[verzoekster] heeft in juni 2022 conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van Oceanco. Bij verzoekschrift van 15 juni 2022 heeft [verzoekster], voor zover in cassatie van belang, afschrift van, dan wel inzage in de beslagen bescheiden verzocht.
2.3
Bij beschikking van 22 maart 2023 heeft de rechtbank [2] het verzoek van [verzoekster] afgewezen. Bij beroepschrift van 21 juni 2023 heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.
2.4
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft het hof [3] de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
2.5
Bij procesinleiding van 11 juni 2025 heeft [verzoekster] cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof.

3.Beoordeling van het incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring

3.1
Aan haar incidentele verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring heeft Oceanco het volgende ten grondslag gelegd. De in cassatie bestreden beschikking is gewezen na de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Ingevolge het overgangsrecht bij deze wet blijft op een vóór 1 januari 2025 al lopende instantie het oude recht van toepassing en gaat na het einde van die instantie het nieuwe recht gelden. Dit brengt niet alleen mee dat in een volgende instantie de vordering of het verzoek inhoudelijk moet worden beoordeeld op basis van het nieuwe recht, maar ook dat de vraag of een rechtsmiddel kan worden ingesteld en zo ja, binnen welke termijn, wordt beheerst door het nieuwe recht, aldus Oceanco. In het nieuwe recht (art. 200 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 426 lid 2 Rv Pro) bedraagt de cassatietermijn tegen de beslissing op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens dat als voorlopige bewijsverrichting is gedaan, acht weken. [verzoekster] heeft haar cassatieberoep na het verstrijken van deze termijn, en daarmee te laat, ingesteld, aldus Oceanco.
3.2
Tot de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 bepaalde art. 843a lid 1 (oud) Rv dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. In de rechtspraak van de Hoge Raad is uitgemaakt dat het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden als bedoeld in art. 843a (oud) Rv door middel van een incidentele vordering in een lopende bodemprocedure, een zelfstandige dagvaardings- of verzoekschriftprocedure en een kort geding geldend kan worden gemaakt. [4]
3.3
De regeling voor het verwezenlijken van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens zoals ingevoerd door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht wijkt af van hetgeen gold vóór de inwerkingtreding van deze wet. Art. 194 Rv Pro bepaalt onder welke voorwaarden recht bestaat op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens. Voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen (art. 196 lid 1 Rv Pro). Een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting kan gericht zijn op het verkrijgen van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens. In spoedeisende gevallen kan het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bij wege van voorlopige bewijsverrichting, aan de voorzieningenrechter worden gedaan (art. 197 lid Pro 1, laatste volzin, Rv). Tijdens een lopende procedure kan een partij op grond van art. 195 Rv Pro en art. 195a Rv de rechter verzoeken om de wederpartij of een derde te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. [5]
3.4
Voor de voorlopige bewijsverrichtingen als bedoeld in art. 196 Rv Pro bevat art. 200 Rv Pro een regeling met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen, die als volgt luidt:
“1. Tegen de beslissing op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak.
2. Tegen de beslissing op het verzoek om een of meer andere voorlopige bewijsverrichtingen staat geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt. De termijn voor het instellen van de hogere voorziening bedraagt in dat geval vier weken.”
Ook deze regeling wijkt in verschillende opzichten af van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Ten eerste staat tegen de beslissing op het verzoek om andere voorlopige bewijsverrichtingen dan een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens, geen hogere voorziening meer open, tenzij de rechter anders bepaalt. Ten tweede is de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de beslissing op een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen verkort van drie maanden naar vier weken voor hoger beroep en – gelet op art. 426 lid 2 Rv Pro – acht weken voor cassatieberoep.
3.5
Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht bevat een overgangsrechtelijke bepaling die luidt:
“Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.”
In de wetsgeschiedenis is art. XIIA als volgt toegelicht:
“Artikel XIIA betreft een overgangsbepaling. Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing.” [6]
3.6
De overgangsbepaling van art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is vrijwel gelijkluidend aan art. VII lid 1 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg [7] (hierna: de Wet van 6 december 2001). Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.5-6.6, volgt uit laatstgenoemde overgangsbepaling dat na de inwerkingtreding van het herziene procesrecht per 1 januari 2002, in een op dat moment reeds lopende instantie het voordien geldende recht van toepassing bleef en dat na het instellen van een rechtsmiddel in de volgende instantie het nieuwe recht van toepassing werd. Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht moet in dezelfde zin worden uitgelegd. Dit betekent dat indien na 1 januari 2025 een rechtsmiddel is ingesteld, in de daarmee ingeleide instantie het nieuwe recht van toepassing is. Hierbij verdient aantekening dat in geval van cassatieberoep dit beroep beoordeeld wordt aan de hand van het vóór 1 januari 2025 geldende recht, indien de in cassatie bestreden uitspraak is gedaan onder toepasselijkheid van dit oude recht, en dat in dat geval ook op de voortzetting van de instantie na een eventuele cassatie en verwijzing het oude recht van toepassing is.
3.7
Met het voorgaande is evenwel nog niet de vraag beantwoord wat art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht betekent voor het openstaan van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen een beslissing op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of andere voorlopige bewijsverrichtingen), indien het verzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en daarop na de inwerkingtreding van deze wet uitspraak is gedaan. Hoewel bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht de regeling met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen tegen beslissingen op verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in een aantal opzichten is gewijzigd ten opzichte van het voordien geldende recht (zie hiervoor in 3.4), is in art. XIIA niet voorzien in specifiek overgangsrecht ten aanzien van het openstaan van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen de uitspraak op een dergelijk verzoek. Deze vraag is ook in de wetsgeschiedenis niet onder ogen gezien (zie hiervoor in 3.5). Dit was anders bij de Wet van 6 december 2001: in art. VII lid 2 van deze wet is, in verband met de wijziging in het herziene procesrecht van de mogelijkheid om tussentijds een rechtsmiddel aan te wenden tegen tussenuitspraken, een overgangsbepaling opgenomen met betrekking tot de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.10-6.11). Ook bij de Wet van 8 september 2005 tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht [8] is, in art. XIII lid 2, voorzien in overgangsrecht met betrekking tot de mogelijkheid van en de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen, dit in verband met onder meer de wijziging van de termijn voor hoger beroep tegen bepaalde beschikkingen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.12).
3.8
Bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, moet in zoverre worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft. [9]
3.9
Het verzoek van [verzoekster] om verstrekking van afschrift van, dan wel inzage in, de beslagen bescheiden op de voet van art. 843a (oud) Rv is ingediend vóór 1 januari 2025 (zie hiervoor in 2.2). Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat op de termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van het hof eveneens het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing is en de cassatietermijn dus drie maanden bedroeg (art. 426 lid 1 Rv Pro). Het cassatieberoep van [verzoekster] is binnen deze termijn ingesteld, zodat het incidentele verzoek van Oceanco moet worden afgewezen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in het incident:
- wijst het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring af;
- veroordeelt Oceanco in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 800,-- voor salaris;
in de hoofdzaak:
- bepaalt dat het verweerschrift van Oceanco uiterlijk op 20 maart 2026 moet worden ingediend.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
6 februari 2026.

Voetnoten

1.Stb. 2024, 62, en Stb. 2024, 72.
2.Rechtbank Rotterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2495.
3.Gerechtshof Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317.
4.Zie o.a. HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, rov. 3.3.2; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6111, rov. 3.4; HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510, rov. 3.5.
5.Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 47.
6.Kamerstukken II 2021/22, 35498, nr. 7, p. 3.
7.Stb. 2001, 580.
8.Stb. 2005, 455.
9.Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6942, rov. 3.1.