Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:792

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
20-001799-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 178 Wegenverkeerswet 1994Art. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 33a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en verbeurdverklaring auto

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 12 maart 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Oost-Brabant. De verdachte werd beschuldigd van meerdere overtredingen van artikel 9 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, met betrekking tot het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis wegens onvoldoende motivering en stelde vast dat de verdachte op 5 juli 2023 te Helmond een personenauto bestuurde terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard. De verdachte werd vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan bewijs dat hij wist van de ongeldigverklaring.

Gezien de ernst van het feit, het recidivekarakter van de verdachte en de wettelijke strafmaxima, legde het hof een gevangenisstraf van 3 weken op. Tevens werd de in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard om het recidiverisico te beperken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf en verbeurdverklaring van de auto wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001799-25
Uitspraak : 12 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 96-098541-24 en 96-201884-24, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van telkens ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (96-098541-24 feit 1, 96-098541-24 feit 2 en 96-201884-24) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Voorts is een in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de in beslag genomen personenauto zal verbeurdverklaren.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Bovendien is het vonnis van de politierechter niet te verenigen met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 96-098541-24:
1.
hij op of omstreeks 5 juli 2023 te Helmond terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Weg door de Rijpel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
2.
hij op of omstreeks 5 juli 2023 te Helmond, op de weg, de Weg door de Rijpel, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.
Zaak met parketnummer 96-201884-24:
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Helmond, op de weg, de Veestraat, als bestuurder een motorrijtuig (tweewielige bromfiets), van categorie AM heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak 96-098541-24 feit 2 en 96-201884-24
Naar het oordeel van het hof kan op basis van de inhoud van het thans voorliggende dossier, niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs (in geval van parketnummer
96-098541-24categorie B en in geval van parketnummer
96-201884-24categorie AM) ingevolge het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 zijn geldigheid had verloren. De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 2 tenlastegelegde, alsmede van hetgeen in de zaak met parketnummer 96-201884-24 is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring 96-098541-24 feit 1
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 juli 2023 te Helmond terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Weg door de Rijpel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994 d.d. 6 juli 2023 (p. 1-3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Datum en tijd feit: 5 juli 2023
Locatie: op de openbare weg, Weg door de Rijpel, Helmond
Op 5 juli 2023 zag ik dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1989
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Motorrijtuig:
Personenauto
Kenteken: [kenteken]
Merk/type: Audi A4 Avant
Rijbewijscategorie
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de
Categorie: B
Ongeldig verklaard rijbewijs (Artikel 9, lid 2 Wegenverkeerswet 1994)
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
2.
Een in het dossier PL2100-2023284492 behorend bij parketnummer 96-201884-24 (pagina 6 tot en met 9) opgenomen schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai BVI-IB met als printdatum 9 januari 2024 (los opgenomen), voor zover inhoudende:
NL-RDW
Identiteit [verdachte]
Geboren [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]
Rijbewijs
Rijbewijsnummer [documentnummer 1]
Land van uitgifte Nederland
Rijbewijs categorieën:
B.
Eerste afgifte: 15-09-2008
Geldig tot: -
Ingang ongeldigverklaring: 4-11-2014
Reden ongeldigverklaring: Geschiktheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 13-11-2014
Categorieën
Categorie
Periode
Soort
B
vanaf 11 november 2014
Ongeldigheid
3.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het CBR d.d. 15 augustus 2014 met als dossiernummer 2014015028 (los opgenomen), voor zover inhoudende:
AANTEKENEN
De heer [verdachte]
[adres 1]
Onderwerp: onderzoek geschiktheid
Geachte heer [verdachte] ,
U bent één of meerdere malen aangehouden of er is proces-verbaal tegen u opgemaakt. Als gevolg hiervan vermoedt het CBR dat u niet langer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs. In bijgaand besluit kunt u lezen waarom.
Gevolg: onderzoek
Wij hebben besloten dat u moet meewerken aan een onderzoek naar uw geschiktheid. Dit onderzoek bestaat uit een bloed- en/of urineonderzoek gevolgd door een psychiatrisch onderzoek en een lichamelijk onderzoek. U bent volgens de wet verplicht aan het onderzoek mee te werken. Wij hebben dit besluit zowel aangetekend als onaangetekend verzonden. Alle toekomstige correspondentie zal niet meer worden gevolgd door een onaangetekende kopie.
Kosten
De kosten voor dit onderzoek zijn voor uw rekening. Zorg ervoor dat wij dit bedrag, € 1020,00, binnen tien weken hebben ontvangen op rekeningnummer : [rekeningnummer] of IBAN-nummer : [rekeningnummer] ten name van het CBR, divisie Rijgeschiktheid, afdeling Vorderingen te Rijswijk. De betaling moet dus vóór 24 oktober 2014 zijn ontvangen
4.
Een schriftelijk bescheid, te weten een besluit van het CBR d.d. 4 november 2014 met als dossiernummer 2014015028 (los opgenomen), voor zover inhoudende:
AANGETEKEND
De heer [verdachte]
[adres 1]
Onderwerp Besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte heer [verdachte] ,
Op 15 augustus 2014 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 11 november 2014.
Wat is er gebeurd?
U moest het onderzoek betalen vóór 24 oktober 2014. Maar u heeft niet betaald. Of u heeft wel betaald, maar het bedrag was niet op tijd bij ons binnen.
Waarom is uw rijbewijs ongeldig?
U bent verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Dat betekent om te beginnen dat u de kosten van het onderzoek op tijd betaalt. U heeft niet, of niet op tijd betaald en bent dus ook niet onderzocht. Volgens de regelgeving moeten wij dan uw rijbewijs ongeldig verklaren.
Wat moet u doen?
U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken.
5.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het CBR d.d. 15 december 2014 met als dossiernummer 2014015028 (los opgenomen), voor zover inhoudende:
De heer [verdachte]
[adres 2]
Onderwerp: ontvangstbevestiging bezwaarschrift
Geachte heer [verdachte] ,
Wij hebben op 27 november 2014 uw bezwaarschrift tegen ons besluit van 4 november 2014 ontvangen.
Wij willen met deze brief de ontvangst van uw bezwaarschrift bevestigen.
Mevrouw [naam] heeft uw bezwaarschrift in behandeling genomen. Zij heeft 9 december 2014 telefonisch contact met u opgenomen. Mevrouw [naam] heeft met u het bestreden besluit besproken. Wij zullen zo spoedig mogelijk een beslissing nemen op uw bezwaarschrift.
Wij willen u er voorts op wijzen dat het indienen van een bezwaarschrift niets af doet aan de werking van het besluit waartegen het is gericht (artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht). Dit betekent voor u dat de ongeldigverklaring van uw rijbewijs thans van kracht blijft.
6.
Een (ongedateerd) schriftelijk bescheid, te weten een besluit bezwaarschriftprocedure ongeldig verklaren rijbewijs wegens niet betalen van het onderzoek, nummer 2014015028 / LH (los opgenomen), voor zover inhoudende:
De heer [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1989, heeft op 25 november 2014 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van het CBR van 4 november 2014. In dit besluit leest u onze reactie op uw bezwaarschrift.
Besluit
Wij hebben besloten het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. Het besluit van 4 november 2014, nummer 2014015028, dat u heeft bestreden, wordt dus in stand gelaten.
Samenvatting bezwaren
In ons besluit hebben we meegenomen wat u heeft aangevoerd in uw bezwaarschrift. Kortheidshalve verwijzen wij u hiernaar. Voorts hebben wij op 9 december 2014 telefonisch contact met u gehad. Hetgeen tijdens dit gesprek is besproken, is eveneens meegenomen in dit besluit.
Bij besluit van 15 augustus 2014 is aan u een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Ten aanzien van uw bezwaar dat u het niet eens bent met het besluit dat u zich dient te onderwerpen aan een onderzoek omdat er geen enkele aanleiding was voor een bloedproef, u een vrijspraak heeft gehad en dat zelfs de officier van justitie het geen zaak vond, merken wij het volgende op. Deze bezwaren treffen geen doel,
aangezien deze bezwaren zich richten tegen het besluit van 15 augustus 2014. Zoals in het primaire besluit van 15 augustus 2014 is vermeld, had u tegen dit besluit binnen zes weken na dagtekening bezwaar kunnen indienen, hetgeen u niet tijdig heeft gedaan.
Samengevat
Uw bezwaar is ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7.
Het (los opgenomen), in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Oost-Brabant, district Brabant-Zuid-Oost, opgemaakte ZSM Artikel 9 WVW Pro proces-verbaal, genummerd 12092016195083397 en gesloten op 9 februari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik wist dat ik niet mocht rijden.
8.
Een schriftelijk bescheid, te weten gegevens van de RDW ten aanzien van aan de verdachte afgegeven rijbewijzen, zoals door de advocaat-generaal in hoger beroep aan het hof overgelegd, voor zover inhoudende:
Rijbewijs nummer [documentnummer 1]
Datum afgifte: 28-09-2017
Code AM
Rijbewijs nummer [documentnummer 2]
Datum afgifte: 16-12-2014
Code AM
Rijbewijs nummer [documentnummer 3]
Datum afgifte 29-04-2014
Code AM en code B
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In het dossier zitten bijvoorbeeld geen betekeningsstukken waaruit blijkt dat besluiten van het CBR in persoon aan de verdachte zijn uitgereikt. Evenmin blijkt uit het dossier dat een opsporingsambtenaar aan de verdachte eerder heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (ECLI:NL:HR:2026:114). Ook blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1193) dat uit de omstandigheid dat een verdachte eerder is veroordeeld voor rijden zonder geldig rijbewijs niet kan worden afgeleid dat de verdachte ook wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook uit de omstandigheid dat een verdachte kosten voor een cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, kan niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (ECLI:NL:HR:2025:108). Bovendien kan ook uit de omstandigheid dat een verdachte een bezwaarschrift heeft ingediend tegen een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en het rijbewijs heeft ingeleverd niet worden afgeleid dat een verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (ECLI:NL:HR:2024:1110).
Het hof overweegt als volgt.
Overtreding van artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en Pro artikel 178 lid 1 WVW Pro 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.
Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en Pro 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en Pro 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW Pro 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW Pro 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en Pro artikel 132 lid 5 WVW Pro 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Het hof overweegt voorts als volgt.
Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat het CBR d.d. 4 november 2014 aan de verdachte het besluit heeft toegezonden dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. De brief waarin dit besluit is opgenomen vermeldt boven de adressering ‘AANGETEKEND’. Van een register waaruit blijkt dat deze brief daadwerkelijk (aangetekend) is verzonden is het hof niet gebleken. Uit de inhoud van het dossier blijkt evenmin dat de verdachte voor ontvangst van deze brief heeft getekend.
Uit de inhoud van het dossier blijkt echter wel dat de verdachte – naar aanleiding van voornoemd besluit van het CBR – een bezwaarschrift heeft ingediend, alsmede dat op 9 december 2014 telefonisch contact is geweest tussen de verdachte en een medewerkster van het CBR, mevrouw [naam] . Bij die gelegenheid heeft mevrouw [naam] het bestreden besluit (
het hof begrijpt: het besluit van het CBR d.d. 4 november 2014 waartegen de verdachte een bezwaarschrift heeft ingediend en waarbij verdachtes rijbewijs ongeldig is verklaard en verdachte is medegedeeld dat hij zijn rijbewijs niet meer mag gebruiken) met de verdachte besproken. Gelet hierop stelt het hof vast dat in ieder geval op 9 december 2014 de inhoud van voornoemd besluit bij de verdachte bekend was. In lijn hiermee is het feit dat verdachte in februari 2017 ten overstaan van de politie is verhoord in verband met het rijden met een ongeldig rijbewijs en heeft verklaard dat hij wist dat hij niet mocht rijden.
Voorts stelt het hof vast dat het rijbewijs op 13 november 2014 is ingeleverd en dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs voor categorie B is afgegeven. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op het overzicht van rijbewijzen van de verdachte, zoals dat door de advocaat-generaal in hoger beroep in het geding is gebracht. Uit dat overzicht blijkt namelijk dat (weliswaar) nog wel rijbewijzen aan de verdachte zijn afgegeven voor categorie AM, maar niet (meer) voor categorie B. Op 5 juli 2023 was er geen geldig rijbewijs van kracht voor categorie B, terwijl zulks wel voor het besturen van de personenauto was vereist.
Op een afgegeven rijbewijs is goed zichtbaar aangegeven voor welke categorie of categorieën een rijbewijs is afgegeven, zodat ook voor de verdachte kenbaar moet zijn geweest dat een aan hem na 11 november 2014 afgegeven rijbewijs niet ook voor categorie B is afgegeven.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op 5 juli 2023 op het moment dat hij een auto bestuurde, minst genomen redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs voor de categorie B ongeldig was verklaard en dat hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van die categorie was afgegeven.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 tenlastegelegde wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 5 juli 2023 opnieuw schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft de verdachte de regels die gelden in het verkeer en die de verkeersveiligheid dienen genegeerd. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld ter zake van hetzelfde soort delict, alsmede voor andere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Die eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen. Deze omstandigheid weegt het hof dan ook in het nadeel van de verdachte mee bij het bepalen van de aard en de hoogte van de op te leggen sanctie. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gaat als vertrekpunt (bij een first offender) uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
In het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen in samenhang met de inhoud van verdachtes uittreksel uit de Justitiële Documentatie kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.
Beslag
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp betreft dat aan de verdachte toebehoort en met behulp waarvan het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 bewezenverklaarde is begaan. Het hof acht verbeurdverklaring, mede gelet op de justitiële documentatie ter zake dit soort feiten, een passende bijkomende straf. Het hof zal de niet teruggeven personenauto dan ook verbeurdverklaren waarmee tevens beoogd wordt het recidiverisico te beperken. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 2 en in de zaak met parketnummer 96-201884-24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-098541-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: PL2100-2023147174-G2083124, blauw, merk: Audi, chassisnr: [chassisnummer] ).
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. M.C.E. Joosen, griffiers,
en op 12 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.C.E. Joosen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar de digitale pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2023147174, pagina 1 tot en met pagina 11. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.