ECLI:NL:HR:2026:114

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/01481
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 8.2.a WVW 1994Art. 176 lid 2 WVW 1994Art. 178 lid 1 WVW 1994Art. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vrijspraak rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en wijst terug

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde rijden terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde de vrijspraak op het feit dat verdachte zich tijdens een eerder verhoor op zijn zwijgrecht had beroepen en verklaarde zich het verhoor niet te herinneren, terwijl hij ook ontkende een brief te hebben ontvangen waarin de ongeldigverklaring stond vermeld.

Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak en voerde aan dat het hof onjuist had geoordeeld over het bewijs van wetenschap van de ongeldigverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat bewijs van wetenschap pas kan worden ontleend aan een mededeling van de opsporingsambtenaar indien verdachte daarop ondubbelzinnig reageert. Deze opvatting is onjuist en leidt tot vernietiging van het arrest voor zover het de vrijspraak betreft.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van schriftuur en vernietigde het arrest van het hof voor het onderdeel van de vrijspraak en de strafoplegging. De zaak is terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening. Het overige cassatieberoep van het openbaar ministerie werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01481
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2024, nummer 21-003354-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Cassatiemiddelen zijn namens de verdachte niet voorgesteld. Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de verdachte en – naar aanleiding van het door het openbaar ministerie voorgestelde middel – tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Het voert daartoe onder meer aan dat het oordeel van het hof dat niet kan worden bewezenverklaard dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, op een onjuiste rechtsopvatting berust, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 29 mei 2022 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.2.2
Het hof heeft de verdachte van dit tenlastegelegde vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:
“Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bestanddeel ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ kunnen de volgende gezichtspunten worden ontleend.
Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en dat die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor rijden tijdens ongeldigheid van het rijbewijs en de daarvoor opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen, zijn geëxecuteerd, is onvoldoende voor het bewijs van het redelijkerwijs moeten weten dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het bewijs van ‘wetenschap’ kan onder omstandigheden geleverd worden op basis van de inhoud van de verklaring van verdachte. Die verklaring van verdachte moet dan wel ‘voldoende ondubbelzinnig zijn’. Bewijs van wetenschap of het redelijkerwijs moeten weten kan eveneens ontleend worden aan de verklaring van verdachte of de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorend politieambtenaar bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van Pro de Wegenverkeerswet. Ook in die gevallen zal de eerder afgelegde verklaring van verdachte voldoende ondubbelzinnig moeten zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. Uit de stukken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: CBR) blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 3 maart 2022 door het CBR ongeldig is verklaard. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is op 3 maart 2022 zowel per aangetekende brief als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden met de mededeling dat het rijbewijs per 10 maart 2022 ongeldig zou zijn. Deze brieven zijn niet onbestelbaar retour gekomen. Voorts blijkt uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 26 februari 2024 dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden tijdens een ongeldigheid van het rijbewijs en dat hij de daarvoor opgelegde gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij al langere tijd met het CBR bezig is zijn rijbewijs terug te krijgen en dat hij heeft deelgenomen aan rijvaardigheidsonderzoeken waarvoor hij is gezakt.
Ten slotte is door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van 7 mei 2022. Hieruit blijkt dat verdachte op 7 mei 2022, zijnde zestien dagen voorafgaand aan de staande houding voor onderhavig feit, eveneens staande is gehouden wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat de verhorend politieambtenaar tijdens het verhoor van verdachte aan de verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was. Verdachte heeft zich in dit verhoor steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij een brief van het CBR over het onderzoek had ontvangen, maar dat hij geen brief heeft ontvangen waarin stond dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte kan zich het verhoor op 7 mei 2022 niet herinneren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij er op 29 mei 2022 niet van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.”
3.3
Overtreding van artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en Pro artikel 178 lid 1 WVW Pro 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.
Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering onder meer kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW Pro 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW Pro 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en Pro artikel 132 lid 5 WVW Pro 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
3.4.1
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte op 7 mei 2022, dus 22 dagen vóór het tenlastegelegde feit, is staande gehouden wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en dat hem toen tijdens een politieverhoor in persoon is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof heeft niettemin geoordeeld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van de wetenschap dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich in het verhoor van 7 mei 2022 steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich dit verhoor niet kan herinneren, hij geen brief heeft ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, en hij op 29 mei 2022 niet ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was.
3.4.2
Op zichzelf heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, terecht tot uitgangspunt genomen dat het bewijs van het (redelijkerwijs moeten) weten onder meer kan worden ontleend aan (i) een verklaring van de verdachte die is afgelegd “bij gelegenheid van het verhoor van verdachte na een eerdere constatering van overtreding van artikel 9 van Pro de Wegenverkeerswet”, mits die verklaring “voldoende ondubbelzinnig” is, of (ii) “de mededeling ter zake de ongeldigheid door de verhorende opsporingsambtenaar” bij gelegenheid van zo’n verhoor.
3.4.3
In de overwegingen van het hof ligt echter besloten dat het hof ook is uitgegaan van de opvatting dat het bewijs van het (redelijkerwijs moeten) weten pas kan worden ontleend aan de onder 3.4.2 genoemde mededeling van de opsporingsambtenaar als de verdachte daarop heeft gereageerd met een verklaring waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij die mededeling heeft begrepen. Die opvatting is onjuist.
3.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2026.