ECLI:NL:GHSHE:2026:855

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.351.953_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 8 EVRMArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis onrechtmatige publicatie sociale mediaposts met misleidende dreigementen

In deze zaak staat de onrechtmatigheid van door [appellanten] geplaatste posts op sociale media centraal, waarin zij [geïntimeerden] onterecht beschuldigden van bedreiging. De voorzieningenrechter oordeelde dat de posts onrechtmatig waren omdat het voicemailbericht van [geïntimeerde sub 1] onvolledig en misleidend was weergegeven, wat leidde tot aantasting van de eer en goede naam van [geïntimeerden].

[Appellanten] voerden in hoger beroep aan dat zij een maatschappelijke misstand wilden aankaarten en dat de posts een recht op vrijheid van meningsuiting betroffen. Het hof overwoog dat de onvolledige weergave van het voicemailbericht en het ontbreken van de nuancering dat het geen dreigement betrof, de posts misleidend maakten. Bovendien waren de schadelijke gevolgen voor [geïntimeerden] aanzienlijk, waaronder reputatieschade en bedreigingen aan hun adres.

Het hof verwierp de grieven van [appellanten] en bevestigde dat de belangenafweging tussen het recht op vrije meningsuiting en het recht op bescherming van eer en goede naam in het voordeel van [geïntimeerden] uitvalt. De opgelegde dwangsommen werden als proportioneel beoordeeld. Het hof veroordeelde [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerden] in die van het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat [appellanten] veroordeelt tot verwijdering van de onrechtmatige posts en plaatsing van een rectificatie wegens schending van eer en goede naam.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.351.953/01
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[XX] Adviseurs B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] en afzonderlijk als [appellant sub 1] en [XX] ,
advocaat: mr. T. Meevis te Eindhoven,
tegen

1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
Handelsonderneming [YY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als [geïntimeerde sub 1] en [YY] B.V.,
advocaat: mrs. A. Kijl en F. Wind te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/410694 / KG ZA 24-642)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord, die vanwege de daarin vervatte akte vermeerdering van eis tevens kwalificeert als memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;
  • de mondelinge behandeling, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
  • de door [appellanten] bij H-formulier van 29 januari 2026 ingediende producties 12 tot en met 21, de bij H-formulier van 18 december 2025 ingediende akte van bezwaar van [geïntimeerden] en de bij H-formulier van 28 januari 2026 ingediende akte uitlaten van [appellanten] , welke stukken bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep
3.1.1.
Bij H-formulier van 18 december 2025 hebben [geïntimeerden] bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de memorie van antwoord in incidenteel appel. Op 28 januari 2026 hebben [appellanten] gereageerd op het bezwaar.
Het hof overweegt dat [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep hun eis hebben vermeerderd: ophoging van de dwangsommen en veroordeling in de reële proceskosten. Gelet op de aard van die eiswijziging stond het [appellanten] in dit geval vrij om bij wijze van verweer daartegen nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren. Het hof verwerpt daarom het verweer van [geïntimeerden]
3.1.2.
Ter zitting heeft mr. De Wind bezwaar gemaakt tegen de productie die is gehecht aan de spreekaantekeningen van mr. Meevis (urenoverzichten in de zaak van [--] Beheer B.V.).
De productie is niet uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ontvangen (artikel 87 lid 6 Rv Pro en artikel 4.5 van het Procesreglement) zodat deze in beginsel buiten beschouwing moet worden gelaten. Het hof ziet geen reden om de productie toe te laten, te meer omdat [geïntimeerden] op dat nieuwe stuk ter zitting onvoldoende adequaat hebben kunnen reageren.
3.1.3.
[appellanten] hebben stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de statuten van [XX] zijn gewijzigd en dat de naam van [XX] (' [XX] Adviseurs B.V.') is gewijzigd in ' [ZZ] Adviseurs B.V.' (productie 12). [appellanten] hebben hieraan evenwel geen consequenties verbonden voor de procedure. Ook het hof doet dat niet.
De feiten
3.2.
In de rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter vastgesteld welke feiten voor de beoordeling van het geschil van belang zijn geacht. Met grief 1 hebben [appellanten] die vaststelling ten aanzien van een aantal feiten bestreden. Daarmee rekening houdend zal het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Dit leidt evenwel nog niet tot andere eindbeslissingen dan zoals de voorzieningenrechter die heeft gegeven.
3.2.1.
[appellant sub 1] is - samen met [persoon A] - bestuurder van [XX] , een juridisch (belasting-)adviesbureau.
[geïntimeerde sub 1] is directeur van [YY] B.V. Deze vennootschap drijft een onderneming die een groothandel exploiteert in ferro-materialen en halffabricaten en die machines en werktuigen aan bedrijven en particulieren verhuurt.
3.2.2.
[geïntimeerde sub 1] en een goede vriend van hem, [--] (hierna: [--] ), hebben zich in 2018 tot [XX] / [appellant sub 1] gewend in verband met een geschil waarin [--] met zijn bedrijf ( [--] Beheer B.V.) betrokken was geraakt. [--] en [geïntimeerde sub 1] hebben aan [XX] gevraagd de (juridische) belangen van [--] te behartigen. [XX] heeft hiermee ingestemd.
3.2.3.
[--] en [XX] zijn overeengekomen dat [--] een bedrag van € 400.000,- exclusief BTW aan [XX] vooruit betaalt als honorarium. Bij e-mail van 8 november 2018 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) schrijft [XX] aan [--] Beheer:
"(…) Tijdens onze bespreking op 22 oktober 2018 kwamen wij de volgende prijsafspraak overeen, te weten: EUR 400.000 (ex BTW) voor de uitvoering van het stappenplan, met dien verstande dat in een wordt-case scenario (lees: niet kostendekkend) [XX] aan [--] Beheer BV een bedrag verschuldigd zal worden ter grootte van het verschil tussen EUR 400.000 (ex BTW) en het bedrag van de schadevergoeding, met als maximum EUR 300.000 (ex BTW). (…)"
3.2.4.
[geïntimeerden] zijn telkens (in de cc) in de e-mailcorrespondentie tussen [--] en [XX] meegenomen. [geïntimeerden] waren aldus op de hoogte van de voortgang in de door [--] aan [XX] verstrekte opdracht.
3.2.5.
In september 2019 is [geïntimeerde sub 1] door [XX] benaderd over een zaak van een cliënte van [XX] die slachtoffer stelde te zijn van huiselijk geweld gepleegd door haar ex-partner, de bekende Nederlander [persoon B] . [XX] heeft aan [geïntimeerde sub 1] gevraagd om: (i) ten behoeve van deze cliënte, waarvan [XX] stelde dat zij geen financiële middelen had om de factuur van [XX] te voldoen, een bedrag te lenen van een B.V. van [appellant sub 1] medebestuurder bij [XX] , [persoon A] , en (ii) dit bedrag, ten titel van geldlening aan die cliënte en ten behoeve van haar, rechtstreeks door te storten aan [XX] .
3.2.6.
[geïntimeerde sub 1] heeft zijn medewerking toegezegd en heeft (namens [geïntimeerde sub 1] B.V.) twee leenovereenkomsten ondertekend, één als debiteur van de vennootschap van [persoon A] ( [++] B.V., de verstrekker van de lening aan [geïntimeerde sub 1] ), en één als crediteur van de cliënte van [XX] (aan wie [geïntimeerde sub 1] op zijn beurt eenzelfde bedrag als geldlening verstrekte).
In de leenovereenkomst met de cliënte van [XX] is bepaald dat [geïntimeerde sub 1] 5% rente over het geleende bedrag (€ 100.000,-) zal ontvangen.
3.2.7.
Omdat er volgens [geïntimeerde sub 1] zowel in de zaak van [--] als in de vorige rechtsoverweging bedoelde zaak weinig tot niets gebeurde en er voorts in de media meerdere, negatief getoonzette berichten verschenen over de handelwijze van [XX] en haar bestuurders, is [geïntimeerde sub 1] op enig moment gaan twijfelen aan de goede bedoelingen van [XX] .
[geïntimeerde sub 1] heeft beide bestuurders van [XX] ( [persoon A] en [appellant sub 1] ) meermaals via e-mail-, voicemail-, en WhatsApp-berichten gevraagd om opheldering te geven over de genomen en te nemen stappen in beide procedures. [geïntimeerde sub 1] slaagde er evenwel niet in om met één van hen in contact te komen.
3.2.8.
[geïntimeerde sub 1] heeft vergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met [appellant sub 1] en heeft voicemailberichten achtergelaten. Op 13 september 2024 heeft [geïntimeerde sub 1] in een bericht medegedeeld dat hij er genoeg van heeft en dat hij graag een afspraak wil maken om de zaken te bespreken. Het voicemailbericht luidt als volgt (zie punt 2.8 inleidende dagvaarding):
"Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je".
Na diezelfde dag opnieuw vergeefs te hebben geprobeerd telefonisch contact te krijgen met [appellant sub 1] heeft [geïntimeerde sub 1] die middag in een tweede voicemailbericht gezegd (productie 3 bij memorie van grieven, een audiobestand):
"Ga jij nog terugbellen denk je of uh heb je liever dat ik langskom?"
3.2.9.
Naar aanleiding van de voicemailberichten heeft [appellant sub 1] op diezelfde dag, 13 september 2024, een e-mailbericht gestuurd aan de advocaat van [geïntimeerde sub 1] , mr. Stroobach (die in de loop van de tijd door [geïntimeerde sub 1] in de cc was meegenomen in zijn pogingen om contact te krijgen met [appellant sub 1] ), met - voor zover van belang - de volgende inhoud (productie 22 bij inleidende dagvaarding):
"(…) In dit verband verwijzen wij u naar de inhoud van de betreffende voicemails (…). De inhoud daarvan wordt door ons als bedreigend ervaren en wij nemen dit dreigement dan ook hoog op. (…)
Hierbij verzoeken wij u vriendelijk om dit dreigement met uw cliënte te bespreken en ons nader te informeren hoe wij dit dreigement moeten opvatten. (…)"
3.2.10.
Nadat mr. Stroobach het e-mailbericht van [appellant sub 1] heeft doorgestuurd aan [geïntimeerde sub 1] , reageert [geïntimeerde sub 1] eveneens op 13 september 2024 's avonds als volgt per e-mail aan [appellant sub 1] (productie 23 bij inleidende dagvaarding):
"(…) Als jullie (want je schrijft ook namens [persoon A] ) mijn berichten als bedreigend voelen hebben jullie het totaal verkeerd opgevat. Het is geen dreigement en dat zou ik ook nooit doen. Ik heb namelijk gezegd dat ik een afspraak met jullie wil en dat jullie mij niet terugbellen of niet reageren, mijn gedachten daarover niet zullen veranderen en daarom misschien naar jullie kantoor moet komen. Dit enkel en alleen omdat ik met jullie wil praten want de telefoon opnemen doen jullie niet, is wel gebleken. (…)"
3.2.11.
Bij e-mailbericht van 18 september 2024, gericht aan [persoon A] en [appellant sub 1] , heeft [geïntimeerde sub 1] zijn visie op de gang van zaken bij [XX] kenbaar gemaakt en vraagt hij nogmaals om een gesprek.
Op 20 september 2024 stuurt [appellant sub 1] een e-mailbericht aan [geïntimeerde sub 1] (productie 25 bij inleidende dagvaarding) met de volgende inhoud (voor zover van belang):
"(…) Naar aanleiding van uw eerdere e-mails aan ons kantoor van 13 september 2024 en 18 september 2024, en uw dreigementen per voicemails op 13 september 2024, kunnen wij als volgt reageren. Allereerst merken wij op dat u geen cliënt van ons kantoor bent. Wij betwisten dan ook de inhoud van uw e-mail d.d. 18 september 2024 aan ons over uw vermeende ervaringen met ons kantoor, u bent immers nimmer cliënt van ons kantoor geweest. (…)
Voor het overige zien wij thans geen aanleiding om daarop inhoudelijk te reageren, anders dan de door u beschreven blote stellingen hierbij te betwisten. (…)".
3.2.12.
Op 31 oktober 2024 heeft [appellant sub 1] op zijn LinkedIn-account, dat tevens verwijst naar [XX] , een deel van het door [geïntimeerde sub 1] op 13 september 2024 ingesproken voicemailbericht geplaatst met de volgende begeleidende tekst (productie 1A inleidende dagvaarding):
"Uit verdediging voor een dreigement én ter bevordering van het publieke debat over dreiging jegens professionals, plaats ik deze post met audio-bericht.(…)
Zo ontving ik een voicemail van een dreiger (zie hieronder), van wie ik zou moeten dulden om hem terug te bellen voor het maken van een afspraak én als ik dit niet zou doen dan zou deze dreiger mij komen opzoeken. En ook zou hij alsdan mij willen belasteren op social media.(…)
Inmiddels is de identiteit van deze dreiger bekend en hij is werkzaam bij het bedrijf Handelsonderneming [00] in [A] (omgeving [B] ), zie website: [website](…)
.
(…)
PS: Om mijn stem op LinkedIn te versterken, graag deze post delen en plaats hieronder # [appellant sub 1] als reactie. Thanks!"
3.2.13.
Op 1 november 2024 heeft [appellant sub 1] op zijn X-account een deel van het door [geïntimeerde sub 1] op 13 september 2024 achtergelaten voice-mailbericht geplaatst met de volgende begeleidende tekst (productie 2A inleidende dagvaarding):
"
In NL komt dreiging van professionals helaas vaker voor. Uit verdediging # [appellant sub 1] én ter bevordering van het publieke debat, plaats ik deze post. Dreiger is werkzaam bij Handelsonderneming [00] : [website](…)"
3.2.14.
Van het door [geïntimeerde sub 1] op 13 september 2024 op de voicemail van [XX] achtergelaten bericht heeft [appellant sub 1] het volgende fragment op LinkedIn en X geplaatst (productie 21 bij inleidende dagvaarding):
"
mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken".
3.2.15.
[appellant sub 1] heeft in totaal meer dan 35.000 volgers op zijn X-account en zijn LinkedIn-account. Op X hebben naar aanleiding van de door [appellant sub 1] geplaatste posts zo'n 200 volgers gereageerd. Een greep uit deze reacties luidt als volgt (productie 27 bij inleidende dagvaarding):
"Op [website] staat geef afval een 2e kans, hij bedoelt zichzelf";
"
[appellant sub 1] , als je hulp nodig hebt, laat het iig mij weten want ik help heel graag om van pedofielen gehakt te maken";
"
roer in een pot stront en de stank wordt ondraaglijk: stay safe [appellant sub 1]";
"
Tijd om ze op te jagen";
"(…)
Maar deze mensen wil je niet achter je aan krijgen: die doen heus geen aangifte hoor. Een leuk pijpje ijzer heeft veel meer effect";
"
wat een vuile rat, ik weet dat aangifte doen in dit land geen zin heeft, dit zoveel mogelijk verspreiden, naam proberen te achterhalen";
"
[00] oud ijzer handel in [A] ?"
"(…)
Maar wij komen van binnen inside zijn zieke geest. Ik verveel mij en zou graag en walgelijk persoon zijn eigen dood in willen jagen, van binnen uit. Ik neem al mijn broeders mee!";
"
Man. Een regelrechte dreigement. Aanpakken die handel";
"
zorg voor backup, desnoods een wapen, hoeft geen pistool te zijn….een klein mesje kan de was doen";
"
Is het [YY] zelf, van Handelsonderneming [00] ?".
3.2.16.
Op 2 december 2024 heeft [geïntimeerde sub 1] bij de politie tegen [appellant sub 1] en [XX] aangifte gedaan van belediging en smaad/laster door het plaatsen van de bovengenoemde berichten.
3.2.17.
[appellant sub 1] heeft op 17 december 2024 opnieuw naar bovengenoemde door hem geplaatste posts over de door hem ervaren dreiging verwezen in een post op zijn X-account en op 18 december 2024 in een post op zijn Instagram-account. Ook onder die posts vraagt [appellant sub 1] zijn volgers uitdrukkelijk om deze te delen en daarop te reageren.
De beoordeling in eerste aanleg
3.3.1.
[geïntimeerden] vorderden in eerste aanleg in dit kort geding (verkort weergegeven):
1. veroordeling van [appellant sub 1] en/of [XX] om de in producties 1A, 1B, 2A, 2B en 2D bij inleidende dagvaarding weergegeven posts op de sociale-mediakanalen (in ieder geval Instagram, LinkedIn en X) binnen acht uur te verwijderen en verwijderd te houden;
2. [appellant sub 1] en/of [XX] te bevelen om binnen 24 uur een rectificatie te plaatsen op de sociale media-accounts (X, Instagram en LinkedIn) van [appellant sub 1] , met de inhoud zoals weergegeven in punt 116 van de inleidende dagvaarding, zonder enig commentaar of weerwoord, in de vorm van een post, in hetzelfde lettertype als de eerdere posts over [geïntimeerde sub 1] , met zwarte letters tegen een volledig witte achtergrond, die moet worden geplaatst tussen 11.00 en 12.00 overdag, waarna door [appellant sub 1] en [XX] drie dagen lang geen opvolgende berichten mogen worden geplaatst op deze accounts, waardoor het bericht tenminste 72 uur zichtbaar blijft;
een en ander op straffe van de verbeurte van dwangsommen, en met veroordeling van [appellant sub 1] en/of [XX] proceskosten.
3.3.2.
[geïntimeerden] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant sub 1] door het plaatsen van de posts op LinkedIn en X, waarin [appellant sub 1] [geïntimeerde sub 1] ten onrechte heeft beschuldigd van bedreiging, onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. Het voicemailbericht van [geïntimeerde sub 1] waar [appellant sub 1] naar verwijst en dat is opgenomen in de posts, is niet compleet en geheel uit de context getrokken. De posts bevatten een directe link naar de website van [YY] B.V., waardoor de volgers van [appellant sub 1] na het plaatsen van de posts al snel bekend waren met de identiteit van [geïntimeerde sub 1] .
[geïntimeerden] hebben zowel zakelijk als privé schade geleden. [YY] B.V. lijdt reputatieschade en heeft als gevolg van de posts klanten verloren. [geïntimeerde sub 1] en bij [YY] B.V. werkzame collega’s hebben regelmatig dreigtelefoontjes ontvangen. [geïntimeerde sub 1] is door de afdeling regionale conflict- en crisisbeheersing van de politie geadviseerd om met zijn gezin te verhuizen naar een safe house.
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het LinkedIn-account van [appellant sub 1] tevens dat van [XX] is en dat [appellant sub 1] de uitlatingen in de posts ook namens [XX] heeft gedaan, reden waarom de vorderingen ook tegen [XX] zijn gericht.
3.3.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de verweren van [appellanten] verworpen en [appellanten] veroordeeld, samengevat:
  • om de door [appellanten] in de producties 1B, 1B, 2A, 2B en 2D bij inleidende dagvaarding weergegeven posts binnen 24 uur na betekening van het vonnis van de sociale media (in ieder geval LinkedIn, X en Instagram) te verwijderen en deze van alle online diensten, platforms en media van [appellant sub 1] verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per uur;
  • om binnen 48 uur na betekening van het vonnis een rectificatie te plaatsen op de sociale media-accounts (X, Instagram en LinkedIn) met de volgende inhoud:
"DIT IS EEN RECTIFICATIE:In recente posts heb ik, [appellant sub 1] , beweerd dat een man, herleidbaar tot [YY] van [00] Handelsonderneming, mij zou hebben bedreigd en dat dit in het kader van een zorgelijke maatschappelijke ontwikkeling staat, waarin professionals steeds vaker worden bedreigd door cliënten. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft in een vonnis beslist dat mijn uitlatingen onrechtmatig en onjuist waren en dat ik met die post de eer en goede naam van [geïntimeerde sub 1] en van zijn handelsonderneming [00] heb geschaad.",
zonder enig commentaar of weerwoord, in de vorm van een post, in hetzelfde lettertype als de eerdere posts over [geïntimeerden] , met zwarte letters tegen een volledig witte achtergrond, welke moet worden geplaatst tussen 11.00 en 12.00 uur overdag, waarna door [appellanten] gedurende drie dagen geen opvolgende berichten mogen worden geplaatst op deze accounts, waardoor het bericht tenminste 72 uur zichtbaar blijft,
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat uit hoofde van de veroordelingen boven een bedrag van € 250.000,- geen dwangsommen meer worden verbeurd en [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten met wettelijke rente veroordeeld.
De beoordeling in hoger beroep
3.4.
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij concluderen tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen [geïntimeerden] , tot terugbetaling van wat [appellanten] ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald met wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten met wettelijke rente.
[geïntimeerden] hebben de grieven bestreden. In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerden] hun eis vermeerderd, in die zin dat zij het hof hebben gevraagd om het door de voorzieningenrechter bepaalde maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 250.000,- op te hogen naar € 500.000,- en om [appellant sub 1] in de reële proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met wettelijke rente.
[appellanten] hebben dit bestreden.
3.5.1.
Deze aan het hof voorliggende zaak spitst zich toe op de aan [geïntimeerden] toegewezen vorderingen, waarbij [geïntimeerden] in hoger beroep vorderen om het uitgesproken dwangsommaximum van € 250.000,- op te hogen naar € 500.000,- en om [appellanten] te veroordelen in de (niet forfaitaire, maar) werkelijke proceskosten. Voor zover [geïntimeerden] de eisen bij memorie van grieven wijzigt, weerspreken [appellanten] de toewijsbaarheid daarvan inhoudelijk, maar maken [appellanten] tegen de wijziging als zodanig geen bezwaar. Het hof oordeelt de door [geïntimeerden] bij haar eerste memorie in hoger beroep gedane wijziging tijdig en nu [appellanten] daarop bij antwoordmemorie heeft kunnen reageren, komt dat niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De toewijsbaarheid van de in hoger beroep voorliggende gewijzigde vorderingen van [geïntimeerden] zal het hof hierna onderzoeken.
3.5.2.
In dit kort geding is niet de vraag aan de orde of [appellanten] al dan niet hebben voldaan aan die veroordelingen en/of dwangsommen hebben verbeurd. Evenmin ligt in dit kort geding de vraag voor of een stuitingsexploot al dan niet op juiste wijze aan [appellanten] is betekend en/of de vordering tot betaling van dwangsommen wel of niet is verjaard. Dat betreft immers executiekwesties, waar het hof niet over gaat. In dit hoger beroep moet het hof als dwangsomrechter oordelen over de (toewijsbaarheid van de) hoofdvorderingen en de daaraan mogelijk te verbinden dwangsommen.
3.6.
Voor zover [appellanten] door grief 2 klagen dat de voorzieningenrechter ten onrechte spoedeisend belang voor [geïntimeerden] bij de in kort geding gevorderde voorzieningen heeft aangenomen, kan dat nergens toe leiden. Het hof dient het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de door [geïntimeerden] gevorderde voorziening immers zelf en op basis van de actuele situatie te onderzoeken.
Het hof oordeelt het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de voorliggende vorderingen van [geïntimeerden] nu nog steeds aanwezig. Dat spoedeisend belang volgt al uit de door [geïntimeerden] ingeroepen bescherming tegen een door onrechtmatige publicaties of uitingen opzettelijke aantasting van de eer en goede naam van [geïntimeerden] waardoor [appellant sub 1] aan [geïntimeerden] bovendien bewust schade berokken. Dit rechtvaardigt (nog steeds) toegang tot de kortgedingrechter. De toewijsbaarheid van de door [geïntimeerden] in kort geding gevorderde voorzieningen zal het hof hierna beoordelen.
3.7.
De daaropvolgende twee grieven in principaal hoger beroep zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de plaatsing van de desbetreffende posts jegens [geïntimeerden] onrechtmatig was (grief 3) en tegen de door de voorzieningenrechter in kort geding getroffen voorzieningen: de veroordelingen om de posts te verwijderen en verwijderd te houden, om de rectificatie te plaatsen (op straffe van verbeurte van dwangsommen) en om [appellanten] in de proceskosten te veroordelen (grief 4). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.8.
Bij de vraag of de plaatsing door [appellanten] op sociale media van de desbetreffende posts al dan niet in strijd was met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid (onrechtmatig was in de zin van artikel 6:162 BW Pro), dient door middel van een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden beoordeeld te worden welke van beide fundamentele, in beginsel gelijkwaardige rechten in dit geval zwaarder weegt: het [appellanten] toekomende recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM Pro) dan wel het aan [geïntimeerden] toekomende recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM Pro). Tot de af te wegen omstandigheden behoren onder meer (HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1046, rechtsoverweging 3.2.2):
a. de aard van de geuite beschuldigingen en de ernst van de te daarvan te verwachten gevolgen voor [geïntimeerden] ;
b. de ernst van de misstand - bezien vanuit het algemeen belang - die [appellant sub 1] aan de kaak wilde stellen;
c. de mate waarin de publicaties destijds steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
d. de inkleding van de geuite beschuldigingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c genoemde factoren;
e. de mate van waarschijnlijkheid dat die beschuldigingen, ook zonder de gewraakte uitingen van [appellant sub 1] , in het algemeen belang langs andere, voor [geïntimeerden] minder schadelijke wijze openbaar zouden zijn geworden.
Bij de afweging van de door de artikelen 8 en 10 EVRM beschermde belangen kunnen volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de volgende gezichtspunten een rol spelen (onder meer EHRM 7 februari 2012, NJ 2013/251):
  • de bijdrage van de publicatie aan het publieke debat;
  • de mate van bekendheid van de betrokken persoon;
  • het onderwerp van het nieuwsbericht;
  • het eerdere gedrag van de betrokken persoon;
  • de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie;
  • de wijze waarop de informatie is verkregen en de juistheid daarvan;
  • de zwaarte van de aan de journalisten of uitgevers opgelegde maatregelen.
3.9.
[appellanten] hebben aangevoerd dat [appellant sub 1] met de posts op sociale media een misstand aan de kaak heeft willen stellen. [appellant sub 1] heeft bespreekbaar willen maken dat in het steeds harder wordende werkklimaat professionals, zoals hij, steeds vaker worden bedreigd. Om die reden (en ook uit verdediging voor het dreigement van [geïntimeerde sub 1] ) heeft [appellant sub 1] het geluidsfragment van de door [geïntimeerde sub 1] achtergelaten voicemail op LinkedIn, X en Instagram geplaatst, aldus nog steeds [appellanten]
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt deze redengeving echter geenszins dat [appellant sub 1] het voicemailbericht van [geïntimeerde sub 1] onvolledig, en daarmee misleidend, heeft weergegeven. Door van het voicemailbericht:
"Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je"
de laatste zinsnede weg te laten en alleen weer te geven:
"Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken", heeft [appellant sub 1] een andere strekking aan het bericht gegeven, met een dreigende toon die het volledige voicemailbericht niet of nauwelijks had. De constatering in de posts dat sprake was van een dreiger die heeft gedreigd om [appellant sub 1] te komen opzoeken, benadrukte die dreigende toon nog eens nadrukkelijk en is daarom feitelijk misleidend.
3.10.
Daar komt bij dat [geïntimeerde sub 1] op 13 september 2024, in antwoord op de vraag van [appellant sub 1] hoe het door deze als dreigend ervaren voicemailbericht moest worden opgevat, heeft uitgelegd dat het geen dreigement was en dat [geïntimeerde sub 1] alleen maar een afspraak wilde maken om te komen praten. Ondanks deze uitleg heeft [appellant sub 1] het ingekorte en daarmee misleidende bericht geplaatst, met daarbij de onterechte tekst dat het een voicemail van een dreiger was en dat deze dreiger [appellant sub 1] zou komen opzoeken. Hierbij komt nog dat [appellant sub 1] de misleidende posts met het audiofragment eerst op 31 oktober 2024 en 1 november 2024 heeft geplaatst, terwijl [geïntimeerde sub 1] die nuancering al zo’n anderhalve maand eerder - op 13 september 2024 - had gegeven.
3.11.1.
[appellanten] hebben aangevoerd dat zij zich ook bedreigd voelden door [geïntimeerde sub 1] doordat:
  • de externe telefonistes van [appellant sub 1] te maken hadden met stalkende telefoontjes (15 keer in één maand) van [geïntimeerde sub 1] ;
  • het [appellanten] via derden ter ore was gekomen dat [geïntimeerde sub 1] vuurwapengevaarlijk is;
  • twee getuigen hebben verklaard dat zij hebben gehoord dat [geïntimeerde sub 1] voorafgaand aan een rechtszaak tegen een paar personen heeft gezegd: "
3.11.2.
[appellanten] hebben als productie 4 bij memorie van grieven een e-mail overgelegd van het bedrijf dat zij hebben ingehuurd om voor hen de telefoon op te nemen. In die e-mail staat: "
Als receptie van [C] kunnen wij het volgende verklaren over de vele telefoontjes van [geïntimeerde sub 1] . In de periode september-oktober 2024 heeft [geïntimeerde sub 1] meer dan 15 keer gebeld. Als receptie hebben wij [geïntimeerde sub 1] meerdere keren kenbaar gemaakt dat jullie kantoor [XX] alleen met de cliënt [--] willen spreken over zijn dossier. Desondanks bleef [geïntimeerde sub 1] vaker voor jullie kantoor bellen. Zijn toon hebben wij als intimiderend en onveilig ervaren. Sinds november 2024 hebben wij als receptie geen telefoontjes meer van [geïntimeerde sub 1] opgevangen. Meer kunnen wij als receptie hierover niet verklaren".
Het hof overweegt dat deze e-mail geen namen bevat van degene die de verklaring afleggen, zodat de verklaring zowel (te) vaag als onverifieerbaar blijft. Het hof hecht daarom weinig belang aan de verklaring. Bovendien blijkt uit de verklaring niet van concrete misdragingen of bedreigingen door [geïntimeerde sub 1] . Ongeveer twee telefoontjes per week is voorts niet buitensporig veel. Ook de negatieve ervaring met de toonzetting is verder niet voldoende concreet toegelicht. Wat daar van zij, in elk geval is irritatie aan de kant van [geïntimeerde sub 1] niet verbazingwekkend in het licht van het feit dat [appellanten] structureel weigerden om [geïntimeerde sub 1] te woord te staan.
Het hof verenigt zich met het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de verklaring over het vuurwapengebruik door [geïntimeerde sub 1] (productie 2 bij conclusie van antwoord / 9 bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep). De verklaring is afgelegd door een anoniem gebleven persoon; alleen de voornaam is bekend. De inhoud ervan kan daarom op geen enkele wijze worden geverifieerd of gefalsificeerd, waardoor [geïntimeerden] onaanvaardbaar worden belemmerd om zich tegen dergelijke beschuldigingen te verweren. Dat de verklaring is afgelegd ten overstaan van een notaris, zegt alleen dát er een verklaring is afgelegd, maar zegt niets over de (juistheid van de) inhoud van de verklaring.
Ten aanzien van de door [appellanten] als productie 7 bij memorie van antwoord in incidenteel appel in het geding gebrachte, ten overstaan van een notaris afgelegde verklaring over wat [geïntimeerde sub 1] voorafgaande aan een rechtszaak - uit frustratie - over [appellant sub 1] heeft gezegd, geldt het volgende. De verklaring heeft betrekking op iets dat degene die de verklaring heeft afgelegd [geïntimeerde sub 1] op 15 mei 2025 heeft horen zeggen tegen een derde. De verklaring daarover kan reeds daarom geen enkele rechtvaardiging vormen voor de plaatsing van de posts eind 2024. Ook kan niet worden geoordeeld dat aan de uitspraak [geïntimeerde sub 1] tegen een derde de verstrekkende betekenis moet worden toegekend dat daaruit blijkt dat [appellanten] naar objectieve maatstaven openlijk worden bedreigd door [geïntimeerde sub 1] (aangevoerd in memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep onder nummer 5 en 14). De bewuste uitspraak vormt evenmin achteraf een rechtvaardiging voor de onrechtmatige uitlatingen van [appellanten]
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de reputatie van [geïntimeerden] zodanig was dat de angst die volgens [appellant sub 1] daardoor bij hem is ontstaan objectief gerechtvaardigd was. Uit de verklaringen blijkt niet dat de inhoud van de posts op de sociale media voldoende steun vond in de feiten. De verklaringen vormen geenszins een rechtvaardiging voor de onvolledige en dus misleidende posts.
3.12.
Onjuist is het standpunt van [appellanten] dat in de desbetreffende posts geen directe of herkenbare verwijzing naar de persoon van [geïntimeerde sub 1] is opgenomen. De vermelding van het e-mailadres van [YY] B.V. leidt er toe dat 'de dreiger' (zo genoemd in de posts) eenvoudigweg kon worden herleid naar de naam van de directeur van [YY] B.V., [YY] . Dat zich dat ook daadwerkelijk heeft voorgedaan blijkt uit de hiervoor in rechtsoverweging 3.2.15 geciteerde reacties op de posts.
3.13.
Zoals [appellanten] hadden kunnen en moeten voorzien, hebben de posts vele reacties met een beledigende en dreigende strekking opgeroepen, waarvan een aantal hiervoor in rechtsoverweging 3.2.15 is geciteerd. In het verschijnen van die reacties heeft [appellant sub 1] bovendien geen aanleiding gezien de posts te verwijderen of het onmogelijk te maken nog langer op de posts te reageren. Ook is niet voldoende betwist dat er bij [YY] B.V. als gevolg van de posts telefoontjes met een dreigende strekking zijn binnengekomen; verschillende medewerkers van dat bedrijf zijn telefonisch bedreigd. Verder is [geïntimeerde sub 1] door de afdeling regionale conflict- en crisisbeheersing van de politie geadviseerd om met zijn gezin naar een safe house te gaan. Aannemelijk is dat de gevolgen van de posts voor [geïntimeerden] schadelijk en aanzienlijk zijn geweest.
3.14.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof, net als de voorzieningenrechter, van oordeel dat de afweging tussen het recht van [geïntimeerden] op bescherming van hun eer en goede naam en het recht van [appellanten] op vrije meningsuiting, in het voordeel van [geïntimeerden] uitvalt. De plaatsing van de posts op de sociale media was onrechtmatig jegens [geïntimeerden] , (met name) omdat daarin het voicemailbericht van [geïntimeerde sub 1] onvolledig, en daarmee misleidend, was weergegeven, en omdat uit de posts gemakkelijk de naam van [geïntimeerde sub 1] was te herleiden, met de schadelijke gevolgen die dat voor [geïntimeerde sub 1] heeft gehad.
De voorzieningenrechter heeft daarom terecht en op goede gronden [appellanten] veroordeeld om, teneinde verdere schade zoveel mogelijk te voorkomen, de posts te verwijderen en de rectificatie te plaatsen.
3.15.1.
Volgens [appellanten] zijn de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen disproportioneel.
[geïntimeerden] hebben daarentegen - in incidenteel hoger beroep - gevorderd om de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom op te hogen naar maximaal € 500.000,- (een verdubbeling). Zij hebben daartoe aangevoerd dat [appellanten] niet (volledig) aan de veroordelingen hebben voldaan: de rectificatie is niet weergegeven zoals door de voorzieningenrechter voorgeschreven, na het vonnis zijn er opnieuw vergelijkbare posts geplaats en ook overigens hebben [appellanten] zich niet veel aangetrokken van (de bedoeling van) het oordeel van de voorzieningenrechter, aldus [geïntimeerden]
3.15.2.
Het hof overweegt dat het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid van de rechter is. De rechter dient de hoogte van de dwangsom vast te stellen naar de aard en omstandigheden van het geval. Uit het algemene uitgangspunt dat in hoger beroep een nieuwe beoordeling plaatsvindt, volgt dat de appelrechter ten volle - en dus niet terughoudend - de hoogte beoordeelt van een in eerste aanleg opgelegde dwangsom, ook voor zover die ziet op het verleden (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530).
Naar het oordeel van het hof zijn de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen (met een maximum van € 250.000,-), gezien de ernst van de onrechtmatig geachte gedragingen van [appellanten] , de wijze van publicatie van de posts en de gevolgen die deze hebben gehad voor [geïntimeerden] , niet disproportioneel. Het hof kan niet concluderen dat de opgelegde dwangsommen als zodanig disproportioneel zijn als prikkel tot naleving van de uitgesproken rectificatie en/of tot naleving van het post-verbod van 72 uren en ziet daarom geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, noch om een hogere dwangsom op te leggen. Ook voor de ophoging van het in eerste aanleg bepaalde dwangsommaximum ziet het hof geen grond.
3.16.
[geïntimeerden] hebben na wijziging van eis in hoger beroep gevorderd om [appellanten] in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de wijze van handelen en procederen van [appellanten] niet door de beugel kan, dat zij [appellanten] niet willen laten wegkomen met hun juridische getover en dat een reële proceskostenveroordeling moet voorkomen dat [appellanten] in de toekomst nog meer onschuldige en kwetsbare mensen zullen benadelen.
Het hof overweegt dat een vordering tot vergoeding van alle in verband met de procedure gemaakte kosten slechts toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht. Daarvan zou in het onderhavige geval pas sprake kunnen zijn indien het instellen van het hoger beroep door [appellanten] , gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Mede gezien het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat [appellanten] misbruik van procesrecht hebben gemaakt doordat zij het bestreden vonnis in hoger beroep hebben willen laten toetsen.
3.17.
Gelet op het hiervoor overwogene falen de grieven, zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.
3.18.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal hoger beroep veroordelen. Die kosten worden begroot op:
  • Griffierechten € 827,-
  • Salaris advocaat € 2.580,- (2 punten x tarief II)
  • Nakosten
Totaal € 3.596,-
Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep, waarin zij ongelijk hebben gekregen. Die kosten worden begroot op € 645,- (1/2 punt x tarief II).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.19.
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd (ECLI:NL:HR:2022:1942).
Nu dergelijke omstandigheden in het onderhavige geval ontbreken, zal het hof bepalen dat de proceskostenveroordelingen hoofdelijk verschuldigd zijn.

4.De uitspraak

In principaal en incidenteel hoger beroep
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het principaal hoger beroep ten bedrage van € 3.596,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na de uitspraak van dit arrest tot de voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep ten bedrage van € 645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na de uitspraak van dit arrest tot de voldoening;
verklaart voorgaande proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, M.G.W.M. Stienissen en N.A.J. Purcell en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2026.
griffier rolraadsheer