Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 juni 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een conflict tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van een voormalig juridisch medewerkster en het recht op bescherming van eer en goede naam van een oud-rechter en diens vennootschap. De medewerkster had in 2007 anoniem een brief gestuurd met ernstige beschuldigingen van partijdigheid en belangenverstrengeling aan het adres van de oud-rechter, die destijds in een procedure stond over beschuldigingen van onrechtmatig handelen.
De rechtbank veroordeelde de medewerkster tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. Het hof verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch en oordeelde dat de medewerkster onrechtmatig had gehandeld door de anonieme brief te versturen en de beschuldigingen in 2011 en 2012 als getuige onder ede te herhalen zonder voldoende feitelijke onderbouwing.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het oordeelde dat het herhalen van de beschuldigingen onder ede onrechtmatig was, omdat getuigen verplicht zijn naar waarheid te verklaren en niet gehouden zijn hun herinneringen met aanvullend bewijs te staven. Het hof had echter terecht geoordeeld dat het anoniem verspreiden van ernstige beschuldigingen zonder voldoende feitelijke onderbouwing onrechtmatig was, mede gelet op het belang van bescherming van de rechterlijke integriteit en het maatschappelijk verkeer.
De zaak wordt verwezen naar de schadestaat voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding. De oud-rechter wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het oordeelde dat het herhalen van de beschuldigingen onder ede onrechtmatig was; de rest van het arrest blijft in stand.