Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:878

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
24/1326
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 lid 5 GemeentewetArt. 2 lid 1 en 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingenArt. 11 lid 1 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens kostenposten

De heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan belanghebbende wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 7 juni 2022. De aanslag bestond uit een parkeerbelastingbedrag van €1,80 en kosten van naheffing van €66,50, conform de geldende verordening en het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen 2022.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat bepaalde kostenposten, zoals invorderingskosten, kosten voor parkeerautomaten, kleding en politie, ten onrechte in de kosten waren opgenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het hof stelde vast dat de totale geraamde kosten voor personeels- en overheadkosten, die belanghebbende niet betwist, de in rekening gebrachte kosten van naheffing ruimschoots dekken. Hierdoor was het niet nodig om te beoordelen of de betwiste kostenposten terecht waren opgenomen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Het hof wees verder een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 1 april 2026 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1326
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2024, nummer SHE 22/3161, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord.

2.Feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op dinsdag 7 juni 2022 om 20.24 uur geparkeerd stond aan [adres] in [woonplaats] , terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2.2.
De naheffingsaanslag bestaat uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,80 en kosten naheffing van € 66,50. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11, lid 1, Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening) en is gelijk aan het voor het jaar 2022 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag als bedoeld in artikel 3 Besluit Pro gemeentelijke parkeerbelastingen, tekst 2022 (hierna: het Besluit).
2.3.
In het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 staat dat de volgende onderbouwing voor de kosten die ten grondslag liggen aan het in artikel 11, lid 1, van de Verordening neergelegde bedrag:
Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022
De kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag worden geraamd op € 81,80 per aanslag.
- Informatie verwerkingskosten
€ 352.279
- Kosten afschrijving + interest
€ 78.314
- Personeelskosten
€ 2.522.621
- Overheadkosten
€ 1.228.350 +
Totale kosten
€ 4.181.564
Aantal inbare naheffingsaanslagen: 51.118
2.4.
Aan de posten “informatie verwerkingskosten” en “Kosten afschrijving + interest” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag:
2.5.
Aan de posten “Personeelskosten” en “Overheadkosten” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag:

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de volgende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht:
- kosten voor invordering;
- kosten voor parkeerautomaten;
- kosten voor kleding;
- kosten van politie.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
In artikel 234, lid 5, Gemeentewet staat, voor zover hier relevant, dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht.
4.2.
In artikel 2, lid 1, van het Besluit staat dat de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, lid 5, Gemeentewet ten hoogste kunnen bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
vaste informatieverwerkingskosten;
variabele informatieverwerkingskosten;
kosten van afschrijving;
kosten van interest;
personeelskosten;
overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
In lid 2 van dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht. In dit geval worden de in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 66,50 echter al gedekt door de geraamde kostenposten ‘personeelskosten’ en ‘overheadkosten’, die belanghebbende niet bestrijdt. Deze posten bedragen tezamen namelijk € 3.750.971 (de post ‘personeelskosten’ bedraagt € 2.522.621 en de toerekenbare post ‘overheadkosten’ bedraagt € 1.228.350). Bij een geraamd aantal op te leggen naheffingsaanslagen van 51.118 worden de totale in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 3.399.347 [1] door de voornoemde posten al gedekt. Het hof hoeft in deze zaak dan ook niet beoordelen of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht: zelfs indien belanghebbende op deze vier punten volledig in het gelijk zou moeten worden gesteld, kan dit gelet op het voorgaande niet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.51.118 * € 66,50 = € 3.399.347