Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:879

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
24/1055 en 24/1056
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.95, lid 1, Wet IB 2001Art. 3.17, lid 1, Wet IB 2001Artikel 4 van Deelconvenant 1 bij het Convenant UitgeefsectorArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beperking aftrek autokosten privéauto tot €0,19 per kilometer in belastingzaak

Belanghebbende verrichtte in 2018 werkzaamheden voor een bedrijf waarbij hij zijn privéauto gebruikte en bracht in zijn belastingaangifte kosten in aftrek op basis van €0,40 per kilometer. De inspecteur beperkte deze aftrek tot het wettelijk maximum van €0,19 per kilometer. De rechtbank stelde de aftrek vast op €0,19 per kilometer en kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij recht had op een hogere aftrek en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden door toezeggingen van de inspecteur. Het hof oordeelde dat de wettelijke limiet van €0,19 per kilometer geldt ongeacht de werkelijke kosten en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de inspecteur toezeggingen had gedaan waarop hij mocht vertrouwen.

Verder wees het hof een aanvullende schadevergoeding af en oordeelde dat de door belanghebbende opgevoerde advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beperking van de aftrek autokosten tot €0,19 per kilometer en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1055 en 24/1056
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juni 2024, nummers BRE 23/641 en BRE 23/990, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 (hierna: de aanslag IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018 (hierna: de aanslag Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan, het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag Zvw ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft dit bezwaar doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek de behandeling over te nemen als een beroepschrift. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota geplaatst in Mijn Rechtspraak. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in 2018 werkzaamheden verricht voor de [bedrijf] B.V. (hierna: de [bedrijf] ). Zijn werkzaamheden bestonden uit de distributie van kranten naar depots en bezorging van kranten aan huis, waarvoor hij zijn privéauto heeft gebruikt. Belanghebbende heeft in 2018 een bedrag van € 12.716 aan inkomsten ontvangen van de [bedrijf] . Hij heeft in het kader van deze werkzaamheden in 2018 in totaal 20.916 kilometer gereden en hiervoor geen vergoeding van de [bedrijf] ontvangen.
2.2.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 een inkomen van de [bedrijf] van € 8.742 aangegeven. De aanslag IB/PVV is, in afwijking van de aangifte, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.343; daarbij is een inkomen van de [bedrijf] van € 12.716 in aanmerking genomen. De aanslag Zvw is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 8.901.
2.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Hij heeft in een herziene aangifte IB/PVV 2018 het bedrag van € 12.716 als ontvangen inkomsten aangegeven. Hij heeft daarop een bedrag van € 8.367 in aftrek gebracht wegens het gebruik van zijn privéauto tijdens zijn werkzaamheden voor de [bedrijf] (20.916 kilometer gebaseerd op € 0,40 per kilometer).
2.4.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar een recht op een aftrek van € 1.612 aan reiskosten woon-/werkverkeer, zijnde de afstand van de woning van belanghebbende naar het [bedrijf] in [plaats] , ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW-resultaat) toegekend.
2.5.
De rechtbank heeft in beroep overwogen dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij geen reiskosten heeft gemaakt in verband met woon-werkverkeer. De inspecteur heeft dan ook een aftrek toegestaan voor reiskosten die belanghebbende niet heeft gemaakt. De rechtbank heeft in plaats daarvan een aftrek wegens het gebruik van de privéauto tijdens zijn werkzaamheden toegestaan van € 3.974 (20.916 kilometer gebaseerd op een tarief van € 0,19 per kilometer). De rechtbank heeft de aanslag IB/PVV dienovereenkomstig verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.398, de aanslag Zvw verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 8.742 en de belastingrentebeschikkingen evenredig verminderd.
2.6.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil is overschreden met 14 maanden, de omvang van de schadevergoeding bepaald op € 500 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, en in dit geval vastgesteld op in totaal € 1.500, te betalen door de inspecteur. Dit bedrag is lager is dan de door belanghebbende verzochte schadevergoeding van € 7.500 voor het tijdsverloop tussen de datum van de uitspraak op bezwaar (27 december 2021) en de zittingsdatum. Aan belanghebbenden is een vergoeding voor proceskosten in beroep van € 85,78 en een vergoeding van griffierecht van € 50 toegekend. Tot slot is beslist dat de wettelijke rente bij niet tijdige betaling van deze bedragen is gaan lopen vier weken na de uitspraakdatum.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
a. is de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw tot een te hoog bedrag vastgesteld?
b. is het vertrouwensbeginsel geschonden?
c. zijn de schade- en proceskostenvergoeding op een te laag bedrag bepaald?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw met inachtneming van een aftrek wegens het gebruik van zijn privéauto tijdens zijn werkzaamheden van € 0,40 per kilometer en tot toekenning van de door hem verzochte schade- en proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Aftrek wegens gebruik privéauto
4.1.
De inkomsten van belanghebbende bij de [bedrijf] moeten voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) worden aangemerkt als belastbaar ROW-resultaat. De kosten die in een zakelijke relatie staan tot de werkzaamheden kunnen in aftrek worden gebracht, waarbij de bewijslast op belanghebbende rust. [1]
4.2.
Belanghebbende stelt dat hij de werkelijke kosten voor het gebruik van zijn privéauto in aftrek kan brengen. Hij beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin is bepaald dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen voor opdrachtnemers waarvan de vergoedingen worden aangemerkt als resultaat overige werkzaamheden. Volgens de ANWB-tool bedragen de autokosten € 0,40 per kilometer bij normaal gebruik van een voertuig. Dit bedrag is eigenlijk te laag, omdat de kosten bij krantenbezorging hoger zijn door meer brandstofverbruik en slijtage door veel koppelen en starten. Belanghebbende wil in dit geval € 8.367 aan autokosten in aftrek brengen, gebaseerd op die € 0,40 per kilometer.
4.3.
De inspecteur stelt hiertegenover dat de aftrek voor een privéauto wettelijk is beperkt tot € 0,19 per kilometer, wat leidt tot een aftrek van € 3.974. Het hof volgt de inspecteur hierin.
4.4.
Op grond van het Convenant Uitgeefsector [2] mogen opdrachtgevers een forfaitaire kostenvergoeding van de bruto-vergoeding aftrekken om de arbeidsbeloning van een opdrachtnemer te bepalen (totale bruto-vergoeding -/- kostenvergoeding = arbeidsbeloning). Opdrachtnemers kunnen geen gebruik maken van deze forfaitaire bedragen, omdat voor de inkomstenbelasting de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen.
4.5.
De werkelijk gemaakte kosten die een opdrachtnemer in aftrek kan brengen voor het gebruik van een privéauto zijn wettelijk gemaximeerd op € 0,19 per kilometer: [3]
“Bij het bepalen van de winst komen (…) kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek: (…)
b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,19 per kilometer;”.
4.6.
Hieruit volgt dat belanghebbende niet meer dan € 0,19 per kilometer mag aftrekken. Hierbij is niet van belang hoe hoog de werkelijke kosten zijn. Ook in het geval de werkelijke kosten hoger zijn dan € 0,19, is de aftrek beperkt tot het bedrag van € 0,19 per kilometer. Het aantal kilometers is niet in geschil. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat € 3.974 als aftrekbare kosten in aanmerking moet worden genomen (20.916 kilometers gebaseerd op € 0,19 per kilometer).
Vertrouwensbeginsel
4.7.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur hem niet alleen voor het belastingjaar 2017, maar ook voor het belastingjaar 2018 een toezegging heeft gedaan om zijn aangifte IB/PVV te volgen en hij daarop mocht vertrouwen. Het niet nakomen van deze toezegging is in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus belanghebbende. Het hof volgt belanghebbende hierin niet.
4.8.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [4] Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt.
4.9.
In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 17 december 2020, met betrekking tot belastingjaar 2017, staat:
“De inspecteur verklaart:
Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend. (…)
Belanghebbende verklaart:
(…) U houdt mij voor dat de afspraak geldt voor het onderhavige jaar en vraagt of de bedragen zoals gemeld in de aangifte kunnen worden gehanteerd. Daarop kan ik bevestigend antwoorden.
De inspecteur verklaart:
Met de bedragen uit de aangifte kan ik ook instemmen. (…)”.
4.10.
Uit het proces-verbaal volgt dat de inspecteur alleen voor het belastingjaar 2017 de kosten in de aangifte van belanghebbende heeft willen accepteren en daarbij expliciet heeft aangegeven dat dit niet zonder meer voor latere jaren geldt. Aan deze uitspraak van de inspecteur kan belanghebbende dan ook geen vertrouwen ontlenen voor het onderhavige belastingjaar 2018. Dit betekent dat geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
Schadevergoeding
4.11.
De rechtbank heeft aan belanghebbende een schadevergoeding toegekend van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens belanghebbende dekt dit niet de onrechtmatigheid en immateriële schade. Hij verzoekt in hoger beroep een aanvullende schadevergoeding van € 7.500, gebaseerd op € 10 per dag vanaf 27 december 2021 (zie 2.6).
4.12.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die kunnen leiden tot het toekennen van een aanvullende schadevergoeding. Daarbij is meegewogen dat de inspecteur volgens belanghebbende voor het jaar 2018 een compromisvoorstel heeft gedaan waarbij hij zou instemmen met een aftrek gebaseerd op een kilometervergoeding naar [plaats] en terug, terwijl hij toen niet in [plaats] heeft gewerkt.
Proceskostenvergoeding
4.13.
Belanghebbende verzoekt vergoeding van advocaatkosten van € 226,20. Het gaat om advocaatkosten voor het opstellen van een brief van 19 januari 2022 aan de inspecteur, waarin de advocaat een verzoek doet om lopende kwesties correct af te handelen, problemen in de toekomst te voorkomen door een zorgvuldige behandeling van aangiftes en bezwaren en belanghebbende een compensatie aan te bieden. Niet gebleken is dat de werkzaamheden van de advocaat uit meer hebben bestaan dan het verzenden van deze brief aan de inspecteur.
4.14.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat de advocaat werd ingeschakeld om via een minnelijke weg de zaak op te lossen en de gang naar de rechter te voorkomen. Belanghebbende had toen al, bij brief van 16 januari 2022 zelf ‘bezwaar gemaakt’ tegen de uitspraak op bezwaar en de inspecteur had die brief al doorgestuurd naar de rechtbank met het verzoek de behandeling over te nemen als een beroepschrift (zie 1.3). Belanghebbende heeft in persoon in (hoger) beroep geprocedeerd.
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door belanghebbende gestelde advocaatkosten van € 226,20 komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. [5]
Tussenconclusie
4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, J. Wessels en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Art. 3.95, lid 1, Wet IB 2001.
2.Artikel 4 van Pro Deelconvenant 1 bij het Convenant Uitgeefsector.
3.Art. 3.17, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001 (geldend van 01-01-2009 tot 01-01-2023).
4.Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
5.Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7929.