Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:949

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25/752
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.3 Wet IB 2001Art. 3.108 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging correctie persoonsgebonden aftrek en box 3 inkomen door inspecteur

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de correctie van de persoonsgebonden aftrek door de inspecteur in de inkomstenbelasting 2020, met name voor kosten van levensonderhoud van zijn ex-partner. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. De door belanghebbende opgevoerde kosten, zoals voor inboedel, advocaat en woning, komen niet voor aftrek in aanmerking omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 6.3 Wet IB 2001.

Daarnaast betwistte belanghebbende de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Hij stelde dat het werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement, mede door negatieve waardemutaties en huwelijkse voorwaarden. Het hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende feiten en bewijs heeft geleverd om dit aannemelijk te maken. De brief van zijn advocaat over huuropbrengsten in 2025 is niet relevant voor 2020 en bevat geen onderbouwing.

Het hof wijst ook het argument af dat alimentatieverplichtingen vanaf 2022 in mindering kunnen worden gebracht op de grondslag sparen en beleggen in 2020. De alimentatieplicht ontstond immers na het belastingjaar. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de correctie van de persoonsgebonden aftrek en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen door de inspecteur.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/752
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 maart 2025, nummer BRE 24/3646, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.2. Feiten

2.1.
Belanghebbende was in het jaar 2020 gehuwd met [de ex-partner] (hierna: de ex-partner). De rechtbank Oost-Brabant heeft op 5 november 2021 de echtscheiding uitgesproken tussen belanghebbende en zijn ex-partner. In deze beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant op verzoek van de ex-partner bepaald dat belanghebbende een uitkering tot levensonderhoud aan de ex-partner dient te betalen met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het hof heeft bij beschikking van 5 oktober 2023 voor wat betreft de partneralimentatie voornoemde beschikking van de rechtbank Oost- Brabant vernietigd en heeft de door belanghebbende verschuldigde partneralimentatie nader bepaald. Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de beschikking van het hof verworpen.
2.2.
Belanghebbende is ten aanzien van de echtscheiding bijgestaan door een advocaat. De advocaat heeft op 10 augustus 2023 schriftelijk aan belanghebbende bevestigd dat ca. 75 procent van het honorarium dat in 2020 bij belanghebbende in rekening is gebracht op de partneralimentatie zag. Bij nadere brief van 27 februari 2026 heeft de advocaat het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Ik sta u reeds meerdere jaren bij als advocaat in een echtscheidingsprocedure. In die procedure waren partneralimentatie en huwelijkse voorwaarden belangrijke onderwerpen van geschil.
Wat betreft de partneralimentatie heb ik voor u betoogd dat u slechts een geringe opbrengst had en hebt uit verhuur van aan u in eigendom toebehorende panden en van lieverlee zelfs nauwelijks inkomen. In 2025 was de totale huuropbrengst van alle panden slechts € 2.959,78.
Helaas heb ik rechtbank en hof niet kunnen overtuigen van het nagenoeg ontbreken van inkomen bij u en hebt u met ingang van 31 maart 2022 (datum van inschrijving van de echtscheiding) een alimentatieverplichting voor een fors bedrag van € 7.157 per maand en met ingang van 1 januari 2023 van € 7.400 per maand, waarbij ik nog geen rekening heb gehouden met indexering. Tot en met heden in totaal € 345.613 excl. indexering.
Wat betreft de huwelijkse voorwaarden heeft het gerechtshof beslist dat er op grond van een in die huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding een verrekening dienst plaats te vinden van bespaard inkomen. Door de vrouw is bij het hof een verzoek ingediend om u te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.094.604 wegens verrekening van vermogen en tegen die vordering heb ik namens u verweer gevoerd. Het gerechtshof dient daarop nog te beslissen. Er bestaat dus het risico dat u een enorm bedrag aan uw ex-vrouw zult moeten betalen voor uw vermogen opgebouwd in het verleden.”
2.3.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een verzamelinkomen van € 43.005, welke als volgt is opgebouwd:
AOW
€ 10.986
saldo eigen woning
€ 3.564
aftrek geen / geringe eigenwoningschuld
-/- € 3.327
inkomen box 1 voor persoonsgebonden aftrek
€ 11.233
persoonsgebonden aftrek
-/- € 18.760
belastbaar inkomen werk en woning
€ 0
voordeel uit sparen en beleggen
€ 50.542
persoonsgebonden aftrek (restant € 18.760 - /- 11.223)
€ 7.537
belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 43.005
2.4.
Op 11 oktober 2022 maakt de inspecteur aan belanghebbende kenbaar dat hij voornemens is van de aangifte IB/PVV 2020 af te wijken. De inspecteur heeft het voornemen de persoonsgebonden aftrek - betaalde alimentatie - van € 18.760 te corrigeren. De inspecteur stelt de aanslag vast naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.223 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.542.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) heeft de inspecteur terecht de door belanghebbende opgevoerde aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen gecorrigeerd?
ii) heeft de inspecteur het inkomen uit sparen en beleggen op de juiste hoogte vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.4. Gronden

Ten aanzien van het geschil
Aftrekbare kosten levensonderhoud ex-partner
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij in 2020 duurzaam gescheiden leefde van zijn ex-partner en dat de hierna genoemde, door hem gestelde kosten daarmee kwalificeren als aftrekbare onderhoudsverplichtingen:
 Kosten van door de ex-partner meegenomen inboedel;
 Kosten van de advocaat van belanghebbende;
 Kosten van de woning waarin de ex-partner verblijft.
4.2.
De rechtbank heeft over dit geschilpunt als volgt geoordeeld.
“4.2. Ten aanzien van de onderhoudsverplichtingen geldt dat artikel 6.3 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) de volgende (hier relevante) kosten voor aftrek in aanmerking laat komen:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;
[…]
f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
4.3.
Belanghebbende heeft ten aanzien van de meegenomen inboedel niets gesteld waaruit aannemelijk is geworden dat sprake is van een
periodiekeuitkering of verstrekking zoals bedoeld in artikel 6.3 Wet IB 2001. Deze kosten komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.
4.4.
Ten aanzien van de advocaatkosten geldt dat deze niet zijn gemaakt ten behoeve van een onderhoudsverplichting jegens zijn echtgenote. Voorzover belanghebbende stelt dat deze kosten aftrekbaar zijn als kosten die zijn gemaakt in relatie tot alimentatie, is van belang dat dergelijke advocaatkosten alleen aftrekbaar zijn als deze zijn gemaakt voor het
verkrijgenvan alimentatie.1 Het gedeelte van de advocaatkosten dat is gemaakt ten aanzien van alimentatie, heeft echter betrekking op het verweer van belanghebbende tegen het verzoek van de echtgenote om hem een alimentatie
plichtop te leggen. De advocaatkosten komen dus niet voor aftrek in aanmerking.
4.5.
Ten aanzien van de woning waarin de echtgenote verblijft, is uit het stuk van 18 november 2022 af te leiden dat belanghebbende de woning verhuurt aan zijn echtgenote en dat zij weigert huur te betalen. Belanghebbende heeft dit ter zitting bevestigd en onder andere gesteld dat hij van mening is dat de woning een huursom van € 1.800 per maand rechtvaardigt. Dat de echtgenote geen huur heeft betaald, betekent echter nog niet dat de woning haar per definitie ter beschikking is gesteld als gevolg van een onderhoudsverplichting. De stellingen van belanghebbende lijken er eerder op te wijzen dat belanghebbende meent dat de echtgenote geen recht had op het verblijf in de woning zonder daar huur voor te betalen, maar dat hij zich bij de ontstane situatie heeft neergelegd. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de woning de echtgenote ter beschikking stond op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting of een in rechte vorderbare periodieke uitkering of verstrekking die berust op een dringende morele verplichting. Deze kosten zijn dus evenmin aftrekbaar.
4.6.
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de door belanghebbende gestelde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen.
Onder vermelding van de volgende voetnoot:
1. Artikel 3.108 Wet IB 2001.”
4.3.
Het hof acht het oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt.
Inkomen uit sparen en beleggen
4.4.
Belanghebbende stelt dat hij geen opbrengsten heeft genoten welke de onderhavige aanslag rechtvaardigen. Belanghebbende stelt dat er, gelet op de aard van de onroerende zaken en de mate van onderhoud, in feite eerder sprake is geweest van een negatief inkomen. Ook is er, mede gelet op de huwelijkse voorwaarden met zijn ex-partner, geen sprake geweest van (on)gerealiseerde vermogensaanwas.
4.5.
De belastingplichtige die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, dient feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt wat de omvang is van dat werkelijke rendement, waarbij het gaat om het werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3. [1] Daarbij behoren positieve en negatieve waardeveranderingen van de vermogensbestanddelen eveneens tot het werkelijke rendement. [2]
4.6.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen feiten heeft gesteld ten aanzien van het werkelijk behaalde rendement. Ter zitting bij de rechtbank heeft belanghebbende een bewijsaanbod gedaan ten aanzien van het werkelijk rendement, waarbij hij aangaf dat zijn advocaat een overzicht heeft van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot zijn onroerende zaken. De rechtbank heeft dit bewijsaanbod gepasseerd. Het hof stelt vast dat belanghebbende ook in hoger beroep geen overzicht heeft overgelegd van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot zijn onroerende zaken. Belanghebbende heeft in hoger beroep een brief van zijn echtscheidingsadvocaat in het geding gebracht waarin deze vermeldt dat de huuropbrengsten in 2025 in totaal € 2.959,78 bedragen. De brief vermeldt evenwel geen uitsplitsing of onderbouwing van het bedrag. Ook vermeldt de brief de gestelde huurinkomsten over het jaar 2025, terwijl het geding betrekking heeft op het jaar 2020. Verder bevat de brief geen gegevens over de waardemutaties van de desbetreffende onroerende zaken. Ook overigens heeft belanghebbende deze gegevens in hoger beroep niet in het geding ingebracht. Hieruit volgt dat belanghebbende ook in hoger beroep geen inzicht heeft verschaft over het werkelijk door hem behaalde rendement uit sparen en beleggen in 2020.
4.7.
De inspecteur heeft in hoger beroep verder onweersproken gesteld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zoals dat voortvloeit uit de Wet rechtsherstel box 3 niet lager is dan het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zoals dat voortvloeit uit de Wet IB 2001. Met de constatering dat het werkelijk rendement niet berekend kan worden, staat tevens vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement - zoals dat voortvloeit uit de Wet IB 2001- op grond van box 3.
4.8.
Voor zover het hof de stelling van belanghebbende aldus dient te begrijpen dat de schuld aan de ex-partner vanwege de alimentatieverplichting, te betalen vanaf 31 maart 2022 (datum inschrijving van de echtscheiding) en in totaal € 345.613, in mindering dient te komen op de grondslag voor sparen en beleggen, overweegt het hof als volgt. Deze alimentatieplicht is ontstaan met ingang van 31 maart 2022. Het onderhavige geding heeft betrekking op 2020, zodat reeds hierom de schuld aan de ex-partner niet in mindering komt op de grondslag voor sparen en beleggen. Ook het in de brief van 27 februari 2026 van de echtscheidingsadvocaat genoemde bedrag van € 3.094.604 wegens verrekening van vermogen komt niet in mindering op de grondslag voor sparen en beleggen. In de brief van de advocaat wordt vermeld dat het tot op heden nog onzeker is of belanghebbende dit bedrag aan zijn ex-partner dient te betalen, zodat er geen sprake is van een schuld die in mindering gebracht kan worden op de grondslag voor sparen en beleggen in 2020.
4.9.
Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.11.
2.Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8.