Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1927:167

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 1927
Publicatiedatum
13 juli 2018
Zaaknummer
30909
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Jhr. de Savornin Lohman
  • Savelberg
  • Jhr. Feith
  • Ort
  • Taverne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12d APV 's-GravenhageArt. 23 SrArt. 359 SvArt. 339 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens onvoldoende motivering aanstootelijke afbeelding in weekblad

De zaak betreft een veroordeling wegens het te koop aanbieden van een geschrift met een afbeelding die aanstootgevend zou zijn voor de eerbaarheid, op grond van artikel 12d van de Algemene Politieverordening van 's-Gravenhage en artikel 23 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd door het kantongerecht en de arrondissementsrechtbank veroordeeld tot een geldboete en vervangende hechtenis.

De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat de bewezenverklaring mede steunt op de eigen waarneming van de rechter van de afbeelding in het weekblad, maar dat het vonnis geen nadere beschrijving van de afbeelding bevat noch een motivering waarom deze aanstootgevend is. Hierdoor is het vonnis onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank heeft door het vonnis te bevestigen in plaats van te vernietigen, de artikelen 359, 339, 350, 358, 423 en 425 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, wat nietigheid van het vonnis tot gevolg heeft.

De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt verwezen voor herberechting.

Uitspraak

No 30909.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van
[requirant], geboren te
[geboorteplaats][geboortedatum] 1887 en aldaar wonende, requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage van den twintigsten Januari 1927, houdende bevestiging in hooger beroep van een mondeling vonnis van het Kantongerecht aldaar van 18 November 1926, waarbij hij wegens het te 's-Gravenhage op plaatsen voor openbaar verkeer bestemd, geschriften, aanstootelijk voor de eerbaarheid, ten verkoop voorhanden hebben, met toepassing van de artikelen 12 d en 45 der Algemeene Politieverordening voor 's-Gravenhage, 23 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot eene geldboete van tien gulden en eene vervangende hechtenis van vier dagen;
Gehoord het verslag van den Raadsheer
Jhr. Feith;
Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gehoord den Advocaat-Generaal
Berger, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot verwijzing der zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde op het bestaande hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
Overwegende dat noch bij de aanteekening van het beroep, noch naderhand door of vanwege den requirant eenige gronden voor dat beroep zijn aangevoerd;
Overwegende evenwel ambtshalve:
dat bij het in hooger beroep bevestigde vonnis des Kantonrechters, overeenkomstig het bij de inleidende dagvaarding telastegelegde, met qualificatie en strafoplegging als voorzegd, bewezen is verklaard, dat requirant op 30 September 1926 des namiddags omstreeks 4.50 te 's-Gravenhage, op den voor het openbaar verkeer bestemden weg het Stationsplein, ten verkoop voorhanden heeft gehad een geschrift, getiteld het weekblad "P. A. N.", waarvan in het nummer van 2 October 1926 op blz. 7 voorkwam eene voor de eerbaarheid aanstootelijk zijnde afbeelding, voorstellende eene vrouw met geheel ontbloot bovenlichaam aan de borstzijde; dat artikel 12 d der toegepaste verordening, voor zoover ten deze van belang, verbiedt het te 's-Gravenhage op plaatsen, voor openbaar verkeer bestemd, geschriften, aanstootelijk voor de eerbaarheid, ten verkoop voorhanden hebben;
dat de dagvaarding door den Kantonrechter, en in hooger beroep door de Rechtbank, kenlijk in dezen zin is verstaan, dat daarbij feitelijk is telastegelegd, dat in het geschrift, hetwelk requirant ten verkoop voorhanden had, eene afbeelding voorkwam van eene vrouw met geheel ontbloot bovenlichaam aan de borstzijde, welke afbeelding tevens voor de eerbaarheid aanstootelijk was;
dat blijkens de aanteekeningen van het mondeling vonnis de daarin voorkomende bewezenverklaring onder meer steunt op de "eigen waarneming van den Rechter ten aanzien van de afbeelding in het door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie overgelegde weekblad voormeld;"
dat voornoemde aanteekeningen evenwel noch eenige nadere beschrijving der bij de dagvaarding bedoelde afbeelding behelzen, noch eene redengeving, waarom de Kantonrechter haar voor de eerbaarheid aanstootelijk achtte;
dat diens uitspraak dus niet voldoende met redenen is omkleed en de Rechtbank, door die uitspraak, instede van haar te vernietigen, te bevestigen, artikel 359 in Pro verband met de artikelen 339, 350, 358, 423 en 425 van het Wetboek van Strafvordering heeft geschonden, hetgeen volgens het laatste lid van eerstgemeld artikel nietigheid medebrengt;
Vernietigt het vonnis door de Arrondissements-Rechtbank te
's-Gravenhageden 20sten Januari 1927 in deze zaak gewezen;
Rechtdoende krachtens artikel 106 der Pro Wet op de Rechterlijke Organisatie:
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
's-Gravenhage, ten einde haar op het bestaande hooger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Jhr. de Savornin Lohman, President, Savelberg, Jhr. Feith, Ort en Taverne, Raden, in bijzijn van den Griffier Prager, die dit arrest hebben ondertekend, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negenden Mei 1900 Zeven en Twintig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Berger.